XV.

Karenin boog zich voor vorstin Betsy en keerde naar zijn vrouw

terug. Zij had zich nedergelegd, maar toen zij zijn schreden hoorde,

richtte zij zich weer op en zag hem verschrikt aan. Hij bemerkte,

dat zij geweend had.

"Ik ben je zeer dankbaar voor je vertrouwen," herhaalde hij zacht

de woorden, die hij te voren in Betsy's tegenwoordigheid in het

Fransch tot haar gesproken had; hij sprak Russisch en zeide gedurig

"jij," en dit "jij" vertoornde Anna. "En ik dank je ook zeer voor

je beslissing, want ook ik ben van oordeel, dat, als hij de stad wil

verlaten, het voor graaf Wronsky volstrekt niet noodig is eerst bij

ons te komen. Overigens ..."

"Dat heb ik al gezegd, waarom dat dus te herhalen?" viel Anna hem

met een plotselinge geraaktheid, die zij niet kon overwinnen, in

de rede. "Niet noodig!" dacht zij. "Voor een man, die afscheid wil

nemen van de vrouw, die hij bemint, voor wie hij zich dooden wilde

en zouder wie hij niet leven kan--niet noodig!"

Zij drukte de lippen opeen en zag met haar schitterende oogen op zijn

met gezwollen aderen bedekte handen neer, die hij in elkander wreef.

"Wij willen daar niet meer van spreken," liet zij er kalmer op volgen.

"Ik heb het u overgelaten deze vraag te beslissen en het verheugt

mij te zien ..."

"Dat mijn wensch met den uwen overeenstemt," voltooide zij haastig,

geërgerd dat hij zoo langzaam sprak, waarbij zij toch al vooruit wist,

wat hij zou zeggen.

"Ja," bevestigde hij, "en de vorstin mengt zich op ongepaste wijze

in deze familiezaken. En zij nog wel ..."

"Ik geloof niets van hetgeen men van haar zegt," viel zij hem snel

in de rede. "Ik weet slechts, dat zij mij oprecht lief heeft."

Karenin zuchtte en zweeg. Zij speelde opgewonden met de kwasten

van haar nachtkleed en zag hem aan met het kwellend gevoel van een

physieken afkeer van hem, wegens welk gevoel zij zich wel beschuldigde,

maar dat zij niet kon overwinnen. Zij had nu slechts één wensch:

van zijn haar zoo hinderlijke tegenwoordigheid bevrijd te zijn.

"Ik heb juist om den dokter gezonden," zeide hij.

"Ik ben gezond. Waartoe heb ik een dokter noodig?"

"Neen, maar de kleine schreit, en men zegt, dat de minne te weinig

voedsel heeft."

"Waarom hebt gij mij niet toegestaan haar zelf te zoogen? Ik heb er

u om gesmeekt! Maar dat is hetzelfde (Karenin begreep de beteekenis

van dit: "dat is hetzelfde",) het is een kind, dat in den weg is. Ik

had het zelf willen zoogen, maar men veroorloofde het niet en nu doet

men mij verwijten."

"Ik doe geen verwijten."

"Ja wel, u doet mij verwijten. Mijn God, waarom ben ik niet

gestorven?" En zij begon te snikken, uitroepende: "vergeef mij,

ik ben zenuwachtig, ik ben onrechtvaardig! Maar ga nu...."

"Neen, dat kan zoo niet blijven," zeide Karenin vastbesloten bij

zich zelf, toen hij van het bed zijner vrouw in zijn kabinet was

teruggekeerd. Nog nimmer was hem de onhoudbaarheid zijner positie

in de oogen der wereld, de afkeer zijner vrouw van hem en bovenal

die macht, die geheime, ruwe macht, die, in strijd met zijn eigen

wenschen, een verandering in zijn echtelijke verhoudingen gebood, zoo

verschrikkelijk duidelijk geworden als dezen dag. En hij gevoelde zich

machteloos. Hij wist vooruit, dat allen tegen hem waren en dat zij

datgene, wat hem als het natuurlijkste en plichtmatigste toescheen,

niet toelaten, maar hem dwingen zouden datgene te doen, wat hij niet

wilde, wat hij voor onrechtmatig, zij echter voor rechtmatig hielden.

Anna Karenina(#13214) · 第 101 / 196 题