Na dit gesprek met Karenin verliet Wronsky langs de achtertrap
diens huis. Buiten gekomen stond hij stil en kon zich nauwelijks
voorstellen, waar hij zich bevond en waarheen hij zich begeven
wilde. Hij gevoelde zich beschaamd, vernederd, schuldig en van de
mogelijkheid beroofd deze vernedering van zich af te wijzen. Hij zag
zich uit het spoor geworpen, waarin hij tot hiertoe zoo licht en veilig
was voortgereden. Alle gewoonten en regels van zijn leven, die hem tot
nu toe zoo vast en onomstootelijk hadden geschenen, waren plotseling
valsch en ontoereikend gebleken. De bedrogen echtgenoot, die hem een
beklagenswaardig wezen had geschenen, een toevallige en belachelijke
verstoring van zijn geluk, had zich plotseling, en wel door toedoen
van Anna zelf, tot een hoogte verheven, die achting afdwong, en deze
echtgenoot deed zich op deze hoogte niet kennen als kwaadwillig,
valsch en belachelijk, maar als goed, eenvoudig en edelmoedig. Dat
gevoelde Wronsky. De rollen waren plotseling verwisseld. De man was
hooghartig in zijn ongeluk hij echter klein en nietig in zijn bedrog.
Maar dit bewustzijn van zijn eigen verachtelijkheid tegenover dien man,
dien hij zoo ten onrechte had geminacht, maakte slechts het kleinste
gedeelte van zijn leed uit. Hij gevoelde zich onuitsprekelijk ellendig,
omdat hij gevoelde, dat zijn in den laatsten tijd schijnbaar afgekoelde
hartstocht voor Anna thans, nu hij haar voor immer meende verloren te
hebben, sterker dan te voren ontwaakte. Thans, nu hij in haar ziekte
haar hart geheel had leeren kennen, geloofde hij haar vroeger niet
recht bemind te hebben. En nu, nu hij haar beminde, zooals zij bemind
moest worden, was hij voor haar vernederd en had haar voor immer
verloren. Het meest vernederend oogenblik was het voor hem geweest,
toen Karenin zijn handen van zijn beschaamd gelaat had getrokken. Zoo
stond hij bij de trap als een verlorene en wist niet, wat te doen.
"Beveelt u een droschke?" vroeg de portier.
"Ja, een droschke!"
Toen hij te huis was gekomen, legde Wronsky zich, na drie slapelooze
nachten, in zijn kleederen en met het gezicht naar beneden op de
sopha. Zijn hoofd was woest. De zonderlingste beelden, herinneringen en
gedachten wisselden met vreeselijke snelheid elkander af voor de oogen
zijns geestes. Nu goot hij voor de zieke medicijn in den lepel en liet
hem overloopen, dan zag hij de witte handen der baker of de zonderlinge
stelling van Alexei Alexandrowitsch op den vloer voor het bed.
"Slapen en alles vergeten!" zeide hij bij zich zelf met het rustig
vertrouwen van een gezond mensch, die, als hij vermoeid is, dadelijk
inslaapt, en inderdaad, aanstonds warrelde in zijn hoofd alles dooreen
en begon in den afgrond der bewusteloosheid te verzinken; de golven
der vergetelheid sloegen reeds over hem te zamen, toen plotseling in
hem als ware het een electrische ontploffing plaats greep. Hij kromp
verschrikt ineen en sprong op de knieën omhoog. Zijn oogen waren wijd
geopend, de zwaarte van het hoofd en de afmatting der leden waren
plotseling verdwenen.
"Gij kunt mij in het slijk treden," hoorde hij Karenin zeggen en
zag hem duidelijk voor zich, hij zag Anna's koortsig rood gelaat,
haar schitterende oogen, die met teederheid en liefde niet hem, maar
Alexei Alexandrowitsch aanzagen, hij zag zijn eigen ellendige houding,
toen Karenin hem de handen voor het gelaat wegtrok.--Hij rekte zich
uit, wierp zich weer als te voren op de sopha en sloot de oogen.
"Slapen, slapen!" zeide hij.
Doch met gesloten oogen zag hij nu Anna's gelaat nog duidelijker,
maar zooals op dien gedenkwaardigen avond voor den wedren. Hij lag
daar en trachtte in te slapen; hij herhaalde halfluid eenige uit hun
verband gerukte woorden uit de een of andere stelling, met den wensch
daardoor het ontstaan van andere voorstellingen te verhinderen, maar
daarbij hoorde hij en luisterde naar een zonderling, geheimzinnig
gefluister en herhaalde de woorden: "Verstond niet te waardeeren,
wist niet te genieten."
"Wat is dat? Word ik waanzinnig?" vroeg hij zich
zelf. "Wellicht. Waardoor wordt men anders waanzinnig? Om welke
reden anders schiet men zich dood?" antwoordde hij zich zelf. "Neen,
ik moet inslapen."
Hij rukte het kussen terecht en drukte er het voorhoofd in, maar
het kostte hem inspanning slechts de oogen gesloten te houden. Hij
sprong op en ging zitten. "Het is met mij voorbij," zeide hij. "Ik
moet overleggen, wat mij overblijft te doen."
Zijn gedachten doorvlogen zijn geheele leven, slechts niet den tijd
zijner liefde voor Anna. Eerzucht ...? Serzuchowsky? De wereld? Het
hof? Op niets van dit alles bleven zijn gedachten zich hechten. Dat
alles had vroeger een beteekenis voor hem, nu bestond het voor hem
niet meer.
Hij stond van de sopha op, maakte zijn kleederen los, ontblootte zijn
borst om vrijer te kunnen ademhalen en ging eenige malen zijn kamer
op en neder.
"Zoo wordt men krankzinnig," herhaalde hij, "en zoo komt men er toe
zich dood te schieten ... om zich niet te schamen!" liet hij er zacht
op volgen.
Hij ging naar de deur en sloot ze; toen ging hij met starren blik
en de tanden op elkander geklemd naar de tafel, nam zijn revolver,
onderzocht hem, laadde hem en dacht na.
"Het spreekt van zelf! Altijd dezelfde herinneringen aan een verloren
geluk, dezelfde ijdelheid van alles wat nu nog overblijft, steeds
hetzelfde vernederend bewustzijn.... Het spreekt van zelf!" hernam
hij andermaal, en terwijl zich zijn gedachten in denzelfden kring
bewogen, hief hij zijn revolver op en richtte hem tegen de linkerzijde
van zijn borst en haalde, met de geheele hand, alsof hij ze tot een
vuist wilde ballen, de haan over. Hij hoorde geen schot, maar een
hevige slag tegen zijn borst deed hem tuimelen; hij wilde zich aan
de tafel vasthouden, liet den revolver vallen en zat op den vloer,
terwijl hij verwonderd rond zag. Hij herkende zijn kamer niet; hij zag
den gebogen tafelpoot, de papiermand, het tijgervel.... De haastige,
krakende schreden van zijn dienaar, die door het salon ging, deden
hem weer tot zich zelf komen. Hij spande zijn gedachten in en zag,
dat hij op den vloer lag, hij zag bloed op het tijgervel en op zijn
hand en begreep, dat hij op zich zelf geschoten had.
"Dom! ik heb slecht getroffen!" zeide hij en tastte met de hand naar
het wapen. Het lag naast hem. Hij zocht het verder af en zich daarbij
ter zijde keerend, verloor hij het evenwicht, viel neer en zijn bloed
stroomde te voorschijn.
De elegante dienaar, die bij zijn kennissen altijd over zwakke zenuwen
geklaagd had, verschrok, toen hij zijn heer in dien toestand op den
vloer zag liggen, zoodanig, dat hij hem liet bloeden en wegliep om
hulp te halen.
Een uur later kwam Warja, de vrouw van Wronky's broeder, aangereden
en met hulp van eenige haastig er bij geroepen dokters, legde zij
den zwaar gewonde op zijn bed en bleef bij hem om hem te verplegen.