VII.

Het gesprek over vrouwenrechten had intusschen een voor de

tegenwoordigheid der dames kritieke wending genomen; het had zich

namelijk gericht op de ongelijkheid der rechten in het huwelijk. Peszow

had reeds herhaalde aanduidingen in deze richting gedaan, die

Sergej Iwanowitsch en Alexei Alexandrowitsch steeds voorzichtig

hadden weten af te leiden. Nu wendde Peszow zich rechtstreeks tot

Alexei Alexandrowitsch en voerde als bewijs der grootste ongelijkheid

tusschen de mannelijke en vrouwelijke rechten de daadzaak aan, dat de

ontrouw van den man en die der vrouw verschillend werden beoordeeld,

zelfs zoowel van de zijde der wetten als van die der openbare meening.

Stipan naderde snel zijn zwager en bood hem aan te rooken.

"Neen, ik rook niet," zeide Karenin kalm, alsof hij uitdrukkelijk

toonen wilde, dat hij het gesprek niet vreesde en wendde zich toen

met een koelen lach tot Peszow:

"Mij dunkt, dat de grond daarvoor in de gesteldheid der dingen zelf

is te zoeken," zeide hij en wilde tot iets anders overgaan. Maar

plotseling zeide Turowzin tot hem:

"Heeft u reeds van Wassja Priasnitschnikow gehoord? Men heeft mij

vandaag verteld, dat hij een duel met Kritschky gehad en hem gedood

heeft."

"Het schijnt dat men altijd de gewonde plek moet aanraken," dacht

Stipan. Hij wilde zijn zwager ter zijde voeren, maar deze vroeg

nieuwsgierig, waarom Priasnitschnikow dan geduelleerd had.

"Wegens zijn vrouw. Hij heeft recht gehandeld, hij daagde den ander

uit en doodde hem."

"Zoo!" zeide Alexei Alexandrowitsch onverschillig en ging met

opgetrokken wenkbrauwen het salon in.

"Wat ben ik blijde, dat ge gekomen zijt," zeide Dolly hier tot hem

met een verlegen lachje; "ik moet eenige woorden tot u spreken. Laat

ons gaan zitten."

"Ik wilde u juist verzoeken mij te verontschuldigen, daar ik afscheid

moet nemen. Ik moet morgen verder reizen."

Darja Alexandrowna was vast van Anna's onschuld overtuigd; zij voelde

dat zij verbleekte en dat haar lippen uit verontwaardiging tegen dien

kouden, gevoelloozen man, die zoo bedaard haar onschuldige vriendin

wilde te gronde richten, begonnen te trillen.

"Alexei Alexandrowitsch," zeide zij en zag hem vastberaden in de

oogen. "Ik heb u eerst naar Anna gevraagd en ge hebt mij geen antwoord

gegeven. Hoe gaat het haar?"

"Ik geloof, dat zij gezond is, Darja Alexandrowna," antwoordde hij,

zonder op te zien.

"Alexei Alexandrowitsch, vergeef mij, ik heb geen recht ... maar ik

heb liefde en achting voor Anna; ik bid en bezweer u, zeg mij, wat er

tusschen u is voorgevallen? Waarom beschuldigt ge haar?" Zijn voorhoofd

rimpelde zich, en terwijl hij de oogen sloot, boog hij het hoofd.

"Ik veronderstel, dat uw echtgenoot u de reden zal medegedeeld

hebben, waarom ik het noodig acht mijn tegenwoordige betrekking tot

Anna Arkadiewna te veranderen," zeide hij, zonder haar in de oogen

te zien, terwijl hij intusschen ontevreden naar Tscherbatzky zag,

die door het salon ging.

"Dat geloof ik niet, dat kan ik niet gelooven," riep Dolly met een

afwijzend gebaar en wrong haar magere handen. Zij stond haastig op

en legde haar hand op zijn arm. "Men zal ons hier storen; ik smeek u,

kom mede."

Haar opgewondenheid deelde zich ook aan hem mede. Hij stond op en

volgde haar gewillig naar de leerkamer. Zij zette zich aan de tafel,

die met wasdoek was bedekt, dat door pennemessneden was doorkorven.

"Neen, dat geloof ik niet," sprak Dolly en trachtte hem in de oogen

te zien.

"Men moet daadzaken toch geloof schenken, Darja Alexandrowna," zeide

hij, op het woord "daadzaken" den nadruk leggende.

"Wat heeft zij dan gedaan? Wat eigenlijk?"

"Zij heeft haar plicht vergeten en haar man bedrogen. Dat heeft

zij gedaan."

"Neen, neen! dat is niet mogelijk! Om Godswil, neen! Ge hebt u

vergist!" riep Dolly uit, terwijl zij met de handen de slapen bedekte

en de oogen sloot.

Alexei Alexandrowitsch lachte koel, maar deze warme verdediging

opende de wonde weder, zonder hem echter in zijn besluit te doen

wankelen. Hij begon nu met meer levendigheid te spreken.

"Aan een dwaling is wel moeielijk te denken, als de vrouw zelf haar

man verklaart, dat acht jaren vereenigd leven, dat zoon en familie,

dat alles slechts een dwaling was en dat zij beginnen wil van voren

af aan te leven," zeide hij heftig door den neus ademend.

"Anna en misdrijf! Hoe voegt dat samen? Dat kan ik niet gelooven!"

"Darja Alexandrowna," zeide hij en zag haar nu rechtstreeks in het

opgewonden, goedhartig gelaat; hij voelde zijn tong ontbloeid. "Ik

had er veel voor gegeven, als nog een twijfel mogelijk was. Toen ik

nog twijfelde, was het mij zwaar, doch lichter dan nu. Toenmaals had

ik nog hoop, maar nu ook dat niet meer; nu twijfel ik aan alles zoo,

dat ik zelfs mijn zoon haat en somwijlen niet geloof, dat hij werkelijk

mijn zoon is. Ik ben zeer ongelukkig."

Dat behoefde hij niet te zeggen; dat begreep Darja Alexandrowna

terstond, toen hij haar in het gelaat zag en zij had medelijden en

was in haar geloof aan de onschuld harer vriendin geschokt. "Och,

dat is verschrikkelijk, ontzettend! Maar is het werkelijk waar,

dat ge besloten zijt, van haar te scheiden?"

"Ik ben tot dezen laatsten stap besloten. Er blijft niets anders

meer over."

"Niets anders over?" vroeg zij met tranen in de oogen. Zij wist, dat

er nog een zaak overbleef, datgene, wat zij zelf gedaan had--haar kruis

op zich te nemen. "Neen, er blijft toch nog iets over!" zeide zij.

"Het ergste is, dat men in zulk een ongeluk niet zoo doen kan, als

bij iets anders. Bij verlies door den dood moet men zijn kruis dragen,

maar hier moet men handelen," zeide hij, alsof hij haar gedachten wilde

raden. "Uit zulk een vernederenden toestand moet men zich bevrijden;

het is niet mogelijk met drieën te leven."

"Ik begrijp dat," zeide Dolly en boog het hoofd. Zij zweeg en dacht aan

haar eigen leed, maar plotseling hief zij met een gevoel van energie

het hoofd op en legde de handen als bezwerend ineen. "Maar bedenkt,

dat gij een Christen zijt! Denk aan haar; wat zal er van haar worden,

als gij haar verlaat?"

"Ik heb daaraan gedacht, Darja Alexandrowna, en wel veel

gedacht." Roode vlekken bedekten zijn gelaat. Met buitengewoon

schitterende oogen staarde hij haar aan. Dolly had hartelijk medelijden

met hem. "Ik heb dat gedaan, juist destijds, toen zij mij haar schande

beleed, en ik wilde alles bij het oude laten. Maar wat is daaruit

geworden? Zij heeft niet eens de geringste voorwaarde vervuld om ten

minste de welvoeglijkheid te bewaren," sprak hij opgewonden. "Een

mensch, die niet te gronde wil gaan, kan men wel redden, maar als de

natuur reeds zoo bedorven is, dat hem zelfs de ondergang als redding

voorkomt, wat kan men dan doen?"

"Alles, slechts geen scheiding!" antwoordde Dolly.

"Maar wat noemt gij alles?"

"Neen, dat is ontzettend. Zij zou de vrouw noch van den een noch van

den ander zijn! Zij zou te gronde gaan!"

"Derhalve, wat kan ik doen?" vroeg Karenin de schouders en de

wenkbrauwen optrekkend. De herinnering aan de laatste overtreding

zijner vrouw vertoornde hem zoodanig, dat hij weer koel en bezonnen

werd als bij het begin van het gesprek. "Ik ben u voor uw deelneming

zeer dankbaar,--maar ik moet nu vertrekken," zeide hij en stond op.

"Neen, wacht nog een weinig? Ge moogt haar niet te gronde

richten. Wacht nog, ik wil u wat zeggen. Ook ik ben gehuwd en mijn

man heeft mij bedrogen; uit toorn en ijverzucht wilde ik ook alles

verlaten, alles opgeven, maar ik kwam tot bezinning en wie, wie heeft

mij gered? Anna! En ik leef, de kinderen groeien voorspoedig op, mijn

man behoort zijn familie weer toe en heeft berouw over zijn onrecht,

wel niet altijd, maar hij gevoelt het, hij wordt reiner en beter, en

ik leef niet ongelukkig.... Ik heb vergeven en gij moet ook vergeven."

Alexei Alexandrowitsch luisterde, maar haar woorden oefenden op hem

geen invloed uit. In zijn ziel was al de toorn van den dag, toen hij

tot de scheiding besloten had, opgehoopt. Hij bewoog zich heen en weer

en zeide met zijn doordringende, scherpe stem: "Vergeven?" Ik kan en

wil niet vergeven, ik houd dat voor onrechtmatig. Voor deze vrouw heb

ik alles gedaan, maar zij heeft alles, wat haar eigen is, in het slijk

vertreden. Tk ben geen boos mensch: ik heb nimmer iemand gehaat, maar

haar haat ik met alle krachten mijner ziel en ik kan haar onmogelijk

vergeven, omdat ik haar te zeer haat om al het kwaad, dat zij mij

heeft aangedaan." Dit sprak hij met tranen des toorns in zijn stem.

"Doe wel degenen, die u haten," fluisterde Darja Alexandrowna verlegen.

Alexei Alexandrowitsch lachte verachtelijk. Hij kende dat schriftwoord

lang genoeg, maar in dit geval was het niet te passen.

"Ja, maar hen, die men niet liefhebben kan, omdat zij iemand het hart

verscheuren, omdat zij voortgaan zijn geheele menschelijke natuur

te tergen en in oproer te brengen.... Vergeef mij, dat ik u ontroerd

heb. Ieder heeft zijn eigen leed...."

En terwijl hij zijn bedaardheid herwon, nam Karenin kalm afscheid en

reed naar zijn hotel terug.

Anna Karenina(#13214) · 第 92 / 196 题