Het gesprek over vrouwenrechten had intusschen een voor de
tegenwoordigheid der dames kritieke wending genomen; het had zich
namelijk gericht op de ongelijkheid der rechten in het huwelijk. Peszow
had reeds herhaalde aanduidingen in deze richting gedaan, die
Sergej Iwanowitsch en Alexei Alexandrowitsch steeds voorzichtig
hadden weten af te leiden. Nu wendde Peszow zich rechtstreeks tot
Alexei Alexandrowitsch en voerde als bewijs der grootste ongelijkheid
tusschen de mannelijke en vrouwelijke rechten de daadzaak aan, dat de
ontrouw van den man en die der vrouw verschillend werden beoordeeld,
zelfs zoowel van de zijde der wetten als van die der openbare meening.
Stipan naderde snel zijn zwager en bood hem aan te rooken.
"Neen, ik rook niet," zeide Karenin kalm, alsof hij uitdrukkelijk
toonen wilde, dat hij het gesprek niet vreesde en wendde zich toen
met een koelen lach tot Peszow:
"Mij dunkt, dat de grond daarvoor in de gesteldheid der dingen zelf
is te zoeken," zeide hij en wilde tot iets anders overgaan. Maar
plotseling zeide Turowzin tot hem:
"Heeft u reeds van Wassja Priasnitschnikow gehoord? Men heeft mij
vandaag verteld, dat hij een duel met Kritschky gehad en hem gedood
heeft."
"Het schijnt dat men altijd de gewonde plek moet aanraken," dacht
Stipan. Hij wilde zijn zwager ter zijde voeren, maar deze vroeg
nieuwsgierig, waarom Priasnitschnikow dan geduelleerd had.
"Wegens zijn vrouw. Hij heeft recht gehandeld, hij daagde den ander
uit en doodde hem."
"Zoo!" zeide Alexei Alexandrowitsch onverschillig en ging met
opgetrokken wenkbrauwen het salon in.
"Wat ben ik blijde, dat ge gekomen zijt," zeide Dolly hier tot hem
met een verlegen lachje; "ik moet eenige woorden tot u spreken. Laat
ons gaan zitten."
"Ik wilde u juist verzoeken mij te verontschuldigen, daar ik afscheid
moet nemen. Ik moet morgen verder reizen."
Darja Alexandrowna was vast van Anna's onschuld overtuigd; zij voelde
dat zij verbleekte en dat haar lippen uit verontwaardiging tegen dien
kouden, gevoelloozen man, die zoo bedaard haar onschuldige vriendin
wilde te gronde richten, begonnen te trillen.
"Alexei Alexandrowitsch," zeide zij en zag hem vastberaden in de
oogen. "Ik heb u eerst naar Anna gevraagd en ge hebt mij geen antwoord
gegeven. Hoe gaat het haar?"
"Ik geloof, dat zij gezond is, Darja Alexandrowna," antwoordde hij,
zonder op te zien.
"Alexei Alexandrowitsch, vergeef mij, ik heb geen recht ... maar ik
heb liefde en achting voor Anna; ik bid en bezweer u, zeg mij, wat er
tusschen u is voorgevallen? Waarom beschuldigt ge haar?" Zijn voorhoofd
rimpelde zich, en terwijl hij de oogen sloot, boog hij het hoofd.
"Ik veronderstel, dat uw echtgenoot u de reden zal medegedeeld
hebben, waarom ik het noodig acht mijn tegenwoordige betrekking tot
Anna Arkadiewna te veranderen," zeide hij, zonder haar in de oogen
te zien, terwijl hij intusschen ontevreden naar Tscherbatzky zag,
die door het salon ging.
"Dat geloof ik niet, dat kan ik niet gelooven," riep Dolly met een
afwijzend gebaar en wrong haar magere handen. Zij stond haastig op
en legde haar hand op zijn arm. "Men zal ons hier storen; ik smeek u,
kom mede."
Haar opgewondenheid deelde zich ook aan hem mede. Hij stond op en
volgde haar gewillig naar de leerkamer. Zij zette zich aan de tafel,
die met wasdoek was bedekt, dat door pennemessneden was doorkorven.
"Neen, dat geloof ik niet," sprak Dolly en trachtte hem in de oogen
te zien.
"Men moet daadzaken toch geloof schenken, Darja Alexandrowna," zeide
hij, op het woord "daadzaken" den nadruk leggende.
"Wat heeft zij dan gedaan? Wat eigenlijk?"
"Zij heeft haar plicht vergeten en haar man bedrogen. Dat heeft
zij gedaan."
"Neen, neen! dat is niet mogelijk! Om Godswil, neen! Ge hebt u
vergist!" riep Dolly uit, terwijl zij met de handen de slapen bedekte
en de oogen sloot.
Alexei Alexandrowitsch lachte koel, maar deze warme verdediging
opende de wonde weder, zonder hem echter in zijn besluit te doen
wankelen. Hij begon nu met meer levendigheid te spreken.
"Aan een dwaling is wel moeielijk te denken, als de vrouw zelf haar
man verklaart, dat acht jaren vereenigd leven, dat zoon en familie,
dat alles slechts een dwaling was en dat zij beginnen wil van voren
af aan te leven," zeide hij heftig door den neus ademend.
"Anna en misdrijf! Hoe voegt dat samen? Dat kan ik niet gelooven!"
"Darja Alexandrowna," zeide hij en zag haar nu rechtstreeks in het
opgewonden, goedhartig gelaat; hij voelde zijn tong ontbloeid. "Ik
had er veel voor gegeven, als nog een twijfel mogelijk was. Toen ik
nog twijfelde, was het mij zwaar, doch lichter dan nu. Toenmaals had
ik nog hoop, maar nu ook dat niet meer; nu twijfel ik aan alles zoo,
dat ik zelfs mijn zoon haat en somwijlen niet geloof, dat hij werkelijk
mijn zoon is. Ik ben zeer ongelukkig."
Dat behoefde hij niet te zeggen; dat begreep Darja Alexandrowna
terstond, toen hij haar in het gelaat zag en zij had medelijden en
was in haar geloof aan de onschuld harer vriendin geschokt. "Och,
dat is verschrikkelijk, ontzettend! Maar is het werkelijk waar,
dat ge besloten zijt, van haar te scheiden?"
"Ik ben tot dezen laatsten stap besloten. Er blijft niets anders
meer over."
"Niets anders over?" vroeg zij met tranen in de oogen. Zij wist, dat
er nog een zaak overbleef, datgene, wat zij zelf gedaan had--haar kruis
op zich te nemen. "Neen, er blijft toch nog iets over!" zeide zij.
"Het ergste is, dat men in zulk een ongeluk niet zoo doen kan, als
bij iets anders. Bij verlies door den dood moet men zijn kruis dragen,
maar hier moet men handelen," zeide hij, alsof hij haar gedachten wilde
raden. "Uit zulk een vernederenden toestand moet men zich bevrijden;
het is niet mogelijk met drieën te leven."
"Ik begrijp dat," zeide Dolly en boog het hoofd. Zij zweeg en dacht aan
haar eigen leed, maar plotseling hief zij met een gevoel van energie
het hoofd op en legde de handen als bezwerend ineen. "Maar bedenkt,
dat gij een Christen zijt! Denk aan haar; wat zal er van haar worden,
als gij haar verlaat?"
"Ik heb daaraan gedacht, Darja Alexandrowna, en wel veel
gedacht." Roode vlekken bedekten zijn gelaat. Met buitengewoon
schitterende oogen staarde hij haar aan. Dolly had hartelijk medelijden
met hem. "Ik heb dat gedaan, juist destijds, toen zij mij haar schande
beleed, en ik wilde alles bij het oude laten. Maar wat is daaruit
geworden? Zij heeft niet eens de geringste voorwaarde vervuld om ten
minste de welvoeglijkheid te bewaren," sprak hij opgewonden. "Een
mensch, die niet te gronde wil gaan, kan men wel redden, maar als de
natuur reeds zoo bedorven is, dat hem zelfs de ondergang als redding
voorkomt, wat kan men dan doen?"
"Alles, slechts geen scheiding!" antwoordde Dolly.
"Maar wat noemt gij alles?"
"Neen, dat is ontzettend. Zij zou de vrouw noch van den een noch van
den ander zijn! Zij zou te gronde gaan!"
"Derhalve, wat kan ik doen?" vroeg Karenin de schouders en de
wenkbrauwen optrekkend. De herinnering aan de laatste overtreding
zijner vrouw vertoornde hem zoodanig, dat hij weer koel en bezonnen
werd als bij het begin van het gesprek. "Ik ben u voor uw deelneming
zeer dankbaar,--maar ik moet nu vertrekken," zeide hij en stond op.
"Neen, wacht nog een weinig? Ge moogt haar niet te gronde
richten. Wacht nog, ik wil u wat zeggen. Ook ik ben gehuwd en mijn
man heeft mij bedrogen; uit toorn en ijverzucht wilde ik ook alles
verlaten, alles opgeven, maar ik kwam tot bezinning en wie, wie heeft
mij gered? Anna! En ik leef, de kinderen groeien voorspoedig op, mijn
man behoort zijn familie weer toe en heeft berouw over zijn onrecht,
wel niet altijd, maar hij gevoelt het, hij wordt reiner en beter, en
ik leef niet ongelukkig.... Ik heb vergeven en gij moet ook vergeven."
Alexei Alexandrowitsch luisterde, maar haar woorden oefenden op hem
geen invloed uit. In zijn ziel was al de toorn van den dag, toen hij
tot de scheiding besloten had, opgehoopt. Hij bewoog zich heen en weer
en zeide met zijn doordringende, scherpe stem: "Vergeven?" Ik kan en
wil niet vergeven, ik houd dat voor onrechtmatig. Voor deze vrouw heb
ik alles gedaan, maar zij heeft alles, wat haar eigen is, in het slijk
vertreden. Tk ben geen boos mensch: ik heb nimmer iemand gehaat, maar
haar haat ik met alle krachten mijner ziel en ik kan haar onmogelijk
vergeven, omdat ik haar te zeer haat om al het kwaad, dat zij mij
heeft aangedaan." Dit sprak hij met tranen des toorns in zijn stem.
"Doe wel degenen, die u haten," fluisterde Darja Alexandrowna verlegen.
Alexei Alexandrowitsch lachte verachtelijk. Hij kende dat schriftwoord
lang genoeg, maar in dit geval was het niet te passen.
"Ja, maar hen, die men niet liefhebben kan, omdat zij iemand het hart
verscheuren, omdat zij voortgaan zijn geheele menschelijke natuur
te tergen en in oproer te brengen.... Vergeef mij, dat ik u ontroerd
heb. Ieder heeft zijn eigen leed...."
En terwijl hij zijn bedaardheid herwon, nam Karenin kalm afscheid en
reed naar zijn hotel terug.