Allen, behalve Lewin en Kitty, hadden aan dit algemeen gesprek
deelgenomen. Deze beiden echter voerden een eigen gesprek met elkander
of ten minste een geheimzinnige wisseling van gedachten, die hen
elke minuut elkander nader bracht en in beiden het gevoel van een
vroolijken schrik voor iets onbekends, welks oplossing zij naderden,
te voorschijn riep.
Het eerst moest Lewin haar van de ontmoeting op de landstraat, toen
hij haar des morgens had gezien, vertellen.
"Het was vroeg, zeer vroeg in den morgen. Het scheen, dat u zooeven was
ontwaakt. Uw mama sliep nog in den hoek. Het was een zeldzaam schoone
morgen. Ik ga daar heen en denk: Wie rijdt daar met dat vierspan? En
in het zelfde oogenblik zweefde u mij voorbij, ik keek het venster
in en u zat daar, hield met de handen de banden van uw mutsje vast
en scheen in nadenken verzonken," zeide hij lachend. "Hoe gaarne had
ik geweten, waaraan u dacht. Was het iets gewichtigs?"
"Wat moet ik er verwaaid hebben uitgezien!" dacht zij, maar toen zij
zijn gelukkig lachje zag, bemerkte zij, dat zij integendeel een goeden
indruk op hem moest gemaakt hebben. Zij bloosde even en glimlachte
blijmoedig. "Waarlijk ik weet het niet."
"Hoe lustig lacht die Turowzin," zeide Lewin en bewonderde Turowzins
vroolijke oogen en huppelende houding.
"Kent u hem al lang?" vroeg Kitty.
"Wie kent hem niet?" vroeg Lewin.
"Ik zie echter, dat u hem voor een verkeerd mensch houdt."
"Niet voor een verkeerd, maar voor een onbeduidend mensch."
"Dat is echter niet zoo en spoedig zal u anders over hem denken,"
zeide Kitty; "ik had eerst ook geringe gedachten van hem, maar hij is
een zeer aangenaam en goedhartig mensch. Zijn hart is uitmuntend. Den
vorigen winter, kort nadat--u by ons was," zeide zij met een beschaamd,
maar vertrouwend lachje, "werden Dolly's kinderen aangetast door
het roodvonk en hij bezocht ze eens. En denk eens," sprak zij zacht,
"hij had zulk een medelijden, dat hij er bleef en haar hielp in de
oppassing der kinderen; ja, drie weken bleef hij in haar huis en
verpleegde de kinderen als een dienstmeid."
Lewin zag Turowzin nog eens aan en verwonderde zich, dat hij tot
hiertoe de deugd van dezen mensch nog niet opgemerkt had.
"Vergeef mij, ik zal voortaan over niemand meer ongunstig denken,"
zeide hij vroolijk en hij gevoelde, dat hij zijn oprechte meening
uitsprak.