Nadat het gesprek over verscheiden onderwerpen had geloopen, was het
ook op het thema van vrouwen-emancipatie gekomen.
Alexei Alexandrowitsch had gezegd, dat men gewoon was een beschaafde
vrouw voor een vrijdenkende vrouw te houden, en dat dit volstrekt
niet was te billijken.
Hierop antwoordde Peszow: "Ik meen integendeel, dat deze beide vragen
niet van elkander zijn te scheiden. Het gebrek aan beschaving heeft de
vrouwen van haar rechten beroofd, en het ontbrak haar aan beschaving,
omdat zij die rechten misten."
"U spreekt van rechten," zeide Sergej Iwanowitsch, "derhalve zoo
wat rechten om gezworenen, leden der regeering, parlementsleden
te worden...?"
"Voorzeker!"
"Maar verondersteld, dat er bij zeldzame uitzondering eenige dames
waren, die deze plaatsen konden vervullen, dan schijnt mij daarvoor
de uitdrukking "rechten" niet geheel juist gekozen. Juister ware het
daar van "plichten" te spreken. Want als wij een derglijken post als
b.v. van telegraafbeambte of regeeringsraad bekleeden, dan zijn wij
ons bewust, dat wij daardoor een plicht vervullen. En dus zouden wij
juister zeggen: De vrouwen verlangen plichten op zich te nemen, en dat
zou volkomen rechtmatig zijn; want haar wensch om aan den algemeenen
menschelijken arbeid deel te nemen, kan men slechts billijken."
"Volkomen juist," bekrachtigde Alexei Alexandrowitsch; "het is
slechts de vraag, of zij de bekwaamheden bezitten om zulke plichten
te vervullen."
"Deze bekwaamheden zouden zij bepaald hebben," bracht Stipan nu in,
"als men haar de noodige opleiding liet te beurt vallen. Wij zien
dat...."
"Hoe zegt het spreekwoord?" viel de vorst hem in de rede, die reeds
lang met zijn kleine, spotachtig glinsterende oogen dit gesprek had
gehoord; "slechts in tegenwoordigheid mijner dochter durf ik het
zeggen: Haar haar is lang, maar kort is haar verstand...."
"Zoo heeft men ook van de negers tot aan hun bevrijding gedacht,"
zeide Peszow verdrietig.
"Ik moet mij slechts verwonderen, dat de vrouwen naar nieuwe plichten
verlangen, waaraan de mannen, zooals wij zien, zich somwijlen gaarne
onttrekken."
"Plichten zijn met rechten verbonden, met macht, geld en invloed;
daarnaar trachten ook de vrouwen," antwoordde Peszow.
"Dat is juist zoo, als dat ik trachten zou naar het recht om minne
te worden; het is een beleediging, dat men daarvoor slechts vrouwen
wil aannemen en betalen en niet mij," zeide de oude vorst.
Turowzin barstte in een luid gelach uit en Sergej Iwanowitsch betreurde
het, dat hij zelf dat niet gezegd had. Zelfs Alexei Alexandrowitsch
lachte.
"Ja, maar een man kan toch niet zoogen," zeide Peszow; daarentegen
vrouwen...."
"O jawel, een Engelschman heeft op een schip zijn eigen kind gezoogd,"
viel de oude vorst in, die zich zulk eene vrijheid in tegenwoordigheid
zijner dochter veroorloofde.
"En zooveel zulke Engelschen er zijn, even zooveel vrouwen zijn er,
die beambte zijn kunnen," sprak nu Sergej Iwanowitsch.
"Maar wat zal een meisje beginnen, dat geen familie heeft?" bracht
Stipan weder in het midden terwijl hij onder dit gesprek voortdurend
de danseres Tschibissow in het oog had.
"Maar wij komen voor het beginsel op, voor het ideaal," zeide Peszow
met zijn basstem. "De vrouw wil het recht hebben, vrij onafhankelijk
en goed ontwikkeld te kunnen zijn. Het bewustzijn, dit doel niet te
kunnen bereiken, benauwt haar en drukt haar neder."
"En ik voel mij benauwd en neergedrukt, dat men mij niet als minne
in het weeshuis wil aanstellen," hernam de oude vorst tot groote
blijdschap van Turowzin, die van lachen de asperge met het dikke
einde in de saus doopte.