Het was ongeveer zes uur, toen Wronsky Anna's brief ontving. Om ter
rechtertijd daar te zijn en om niet met zijn eigen paarden, die aan
ieder bekend waren, te rijden, gebruikte hij Jawschins droschke en liet
de paarden aandrijven tot een snellen rit. Op eenigen afstand van het
huis liet hij stil houden, sprong uit het rijtuig en ging de laan in,
die naar Wrede's woning leidde. In de laan zelf was niemand te zien,
maar toen hij omzag, bespeurde hij Anna aan de rechter zijde van den
tuin. Haar gelaat was door een sluier bedekt, maar zijn verheugde blik
zag en omvatte alles op eens: de haar alleen eigen wijze van gaan,
haar eigenaardige schouders, de houding van haar hoofd--en als een
electrische stroom voer door zijn lichaam. Zij ging hem te gemoet en
gaf hem een stevigen handdruk.
"Ge zijt toch niet boos, omdat ik u geroepen heb? Ik moest je zeer
noodig spreken."
De vastberaden en ernstige uitdrukking van haar gelaat, die hij zelfs
door den sluier opmerkte, veranderde dadelijk zijn stemming.
"Ik boos op je zijn? Maar hoe komt ge juist hierheen? Waarom...?"
"Dat is hetzelfde," zeide zij en legde haar arm in den zijnen; "kom,
ik moet je spreken."
Hij bemerkte, dat er iet was voorgevallen en dat deze bijeenkomst
geen verblijdende oorzaak had. In haar tegenwoordigheid had hij geen
eigen wil. Zonder nog de reden van haar onrust te kennen, gevoelde
hij reeds, dat zich deze onrust ook aan hem mededeelde.
"Nu? Wat is er dan?" vroeg hij en trachtte op haar gelaat te lezen.
Na eenige schreden gedaan te hebben stond zij plotseling stil.
"Ik heb je gisteren niet verteld," begon zij haastig en diep
ademhalend, "dat ik bij het terugkeeren Alexei Alexandrowitsch alles
heb bekend.... Ik heb hem gezegd, dat ik zijn vrouw niet meer zijn
kon ... dat.... Ik heb hem alles gezegd."
Terwijl zij sprak, had hij zich onwillekeurig voorover gebogen, maar
zoodra zij had uitgesproken, richtte hij zich weder hoog op en zijn
gelaat nam een trotsche en sombere uitdrukking aan.
"Ja, ja, zoo is het beter, honderdmaal beter; ik begrijp, hoe zwaar
het zijn moest," antwoordde hij; doch niet op zijn woorden, maar
slechts op de uitdrukking van zijn gelaat sloeg zij acht. Zij wist
niet, dat deze uitdrukking werd veroorzaakt door zijn eerste gedachte,
dat nu een duel onvermijdelijk was. Want de gedachte aan een duel was
niet bij haar opgekomen en derhalve verklaarde zij die uitdrukking
van sombere vastberadenheid op een andere wijze.
Dit rendez-vous was voor haar van het grootst belang; zij hoopte daar
een verandering van en redding uit haar toestand. Was Wronsky bij haar
mededeeling dadelijk vast besloten geweest en had hij zonder aarzelen
hartstochtelijk gezegd: "Laat alles achter en vluchten wij!" dan
had zij haar zoon verlaten en was met hem gegaan. Maar nu bespeurde
zij bij hem een opwellende gewaarwording, die haar beleedigde en hij
scheen haar te wankelen.
"Het was mij volstrekt niet zwaar.... Het ging van zelf," zeide
zij geraakt. "En hier!"--zij haalde den brief van haar man uit haar
handschoen te voorschijn.
"Ik begrijp, ik begrijp!" trachtte hij haar neder te zetten en nam
den brief, maar las hem niet: "Ik heb slechts één wensch en ééne bede
... deze toestand moet ophouden en ik moet mijn leven geheel aan uw
geluk kunnen wijden."
"Waarom zegt ge mij dat? Heb ik daaraan dan getwijfeld? Had ik daaraan
kunnen twijfelen...."
"Wie gaat daar?" vroeg Wronsky plotseling; hij zag twee dames naderen:
"wellicht zijn het bekenden!" En hij sloeg haastig met haar een
zijpad in.
"Och, mij is dat geheel onverschillig!" zeide zij. Haar lippen beefden
en het kwam hem voor, alsof haar oogen met een geheel bizondere
verstoordheid van achter haar sluier hem aanstaarden. "Derhalve,
zooals ik gezegd heb, dat is het niet, daaraan valt in het geheel
niet te twijfelen. Maar zie toch, wat hij schrijft. Lees het!"
Zij bleef staan. Toen hij den brief had gelezen, zag hij tot haar op,
maar in zijn blik ontbrak de vastberadenheid. Zij leidde daaruit af,
dat hij reeds vooraf bij zich zelf deswege zijn overleggingen gemaakt
had; zij wist, dat hij, wat hij haar ook zeggen mocht, toch niet
alles zou zeggen, wat hij dacht, en zij besefte, dat zij in haar
laatste hoop was bedrogen. En dat had zij niet verwacht.
"Gij ziet, welk een soort van mensch hij is," zeide zij met bevende
stem.--"Hij...."
"Vergeef mij," viel Wronsky haar in de rede: "Ik verheug me daarover
... om Godswil, laat mij toch eerst uitspreken," voegde hij er bij,
haar een bezorgden blik toewerpend. "Ik verheug me er over, omdat
het niet zijn kan, omdat het onmogelijk zoo blijven kan, als hij het
zich denkt...."
"Waarom toch kan het niet?" vroeg Anna, haar tranen nog terughoudend;
zij hechtte reeds aan hetgeen hij antwoorden zou volstrekt geen waarde
meer. Zij besefte, dat haar noodlot was beslist.
Wronsky wilde zeggen, dat na het duel, dat naar zijn meening
onvermijdelijk was, de zaak zich geheel anders kon ontwikkelen, maar
hij zeide wat anders. "Het kan zoo niet blijven! Ik hoop, dat ge
nu vrij van hem worden zult.--Ik hoop het...." Hij werd verlegen en
bloosde--"en hoop, dat ge mij zult veroorloven dan ons verder leven
in te richten en daarover na te denken. Morgen...."
Maar zij liet hem niet uitspreken.
"En mijn zoon?" riep zij uit, "gij ziet toch, wat hij schrijft;
ik moet hem verlaten en dat wil en kan ik niet!"
"Maar om Godswil, wat is dan beter, den zoon opgeven of in dezen
vernederenden toestand blijven?"
"Vernederend? Voor wien?"
"Voor ons allen, het meest voor u."
"Vernederend zegt gij? Zeg dat niet. Zulke woorden hebben voor mij
geen zin," zeide zij met bevende stem. Hij moest nu geen onwaarheid
spreken. Slechts zijn liefde bleef haar over en zij wilde hem
beminnen. "Gij begrijpt, dat zich voor mij van den dag af, dat ik u
lief had, alles heeft veranderd. Ik heb slechts nog dit ééne over:
uwe liefde. Ben ik van deze zeker, dan gevoel ik mij zoo vast en zoo
hoog, dat niets voor mij vernederend kan zijn. Ik ben trotsch op mijn
toestand, want.... Ik ben er trotsch op, dat...." Zij kwam er niet
toe uit te spreken, waarop zij trotsch was, want tranen van schaamte
en vertwijfeling verstikten haar stem. Zij was blijven staan en snikte.
Ook hij gevoelde, dat hem iets in de keel omhoog drong; voor de eerste
maal in zijn leven gevoelde hij zich op het punt om te weenen. Hij
wist niet te zeggen, wat hem eigenlijk ontroerde. Hij had medelijden
met haar en hij was zich bewust, haar niet te kunnen helpen, alsmede
dat hij schuldig was aan haar ongeluk en dat hij slecht had gehandeld.
"Is dan een scheiding niet mogelijk?" vroeg hij op zwakken toon.
Zonder te antwoorden schudde zij het hoofd.
"Kan men dan het kind niet behouden en _hem_ toch verlaten?"
"Ja, maar dat hangt alles van hem af. Ik moet nu naar hem heenrijden,"
antwoordde zij droog. Haar vermoeden, dat alles bij het oude zou
blijven, had haar niet bedrogen.
"Dinsdag moet ik in Petersburg zijn en dan zal alles beslist worden."
"Ja, maar spreken wij er niet meer van," antwoordde Anna.
Anna nam afscheid, klom in haar rijtuig en reed naar huis.