Toen Anna des Dinsdags vroegtijdig met den trein in Petersburg aankwam,
werd zij door haar man niet verwacht. Men zeide haar, dat hij met
den chef zijner kanselarij werkte. Zij liet hem zeggen, dat zij was
aangekomen en begaf zich naar haar kamer, waar zij haar zaken in orde
schikte en afwachtte, dat haar man haar zou komen opzoeken. Maar hij
kwam niet. Zij hoorde, hoe hij den kanselarij-chef zijn afscheid gaf
en wist, dat hij spoedig weer voor dienstzaken moest heengaan. Zij
wilde hem nog vooraf gesproken hebben om met hem in het reine te
komen. Zij ging de zaal door en trad vast besloten naar hem toe.
Toen zij zijn kabinet binnentrad, zat hij, gereed om weg te rijden,
in zijn uniform voor een kleine tafel, waarop hij leunde, en zag
treurig voor zich heen. Zij zag hem eer, dan hij haar, en zij bemerkte,
dat hij aan haar dacht.
Toen hij haar zag, wilde hij opstaan, maar bedacht zich een oogenblik;
zijn gelaat begon te gloeien, wat Anna anders nog nooit bij hem bemerkt
had, en hij stond driftig op en ging haar te gemoet. Hij zag haar aan,
doch zag haar niet in de oogen, maar hooger, naar haar voorhoofd en
frisuur. Hij reikte haar de hand en noodigde haar te gaan zitten. Anna
zag, dat hij zeer bleek was en dat zijn handen sidderden.
Dat was niet, wat zij had verwacht. Toen zij zich voor deze bijeenkomst
voorbereidde, had zij zich voorgenomen hem aan te klagen en zich te
rechtvaardigen, maar toen zij hem aanschouwde, had zij medelijden
en zij besefte, dat zij dit gevoel noch aan zich zelf noch aan hem
mocht bekennen of doen blijken.
"Ik verheug mij, dat ge gekomen zijt," zeide hij eindelijk, toen hij
zijn bedaardheid herwonnen had en nam aan haar zijde plaats. Toen
wilde hij een paar maal beginnen te spreken, maar nog hield hij zijn
woorden terug. Zij wist niet, wat zij zeggen zoude. En zoo duurde
het zwijgen tamelijk lang.
"Hoe gaat het Serëscha?" vroeg hij ten laatste, maar zonder een
antwoord af te wachten, liet hij er dadelijk op volgen: "Ik zal van
daag niet te huis eten; ik moet dadelijk wegrijden."
"Ik wilde eigenlijk naar Moskou vertrekken...." zeide zij.
"Neen, het is zeer goed gedaan, dat ge hier gekomen zijt."
Andermaal ontstond een stilzwijgen. Overtuigd, dat zij over niets
konden spreken, voor zij tot een verklaring waren gekomen, begon
zij eindelijk:
"Alexei Alexandrowitsch," zeide zij, zonder de oogen voor zijn op haar
coiffure gevestigden blik neer te slaan. "Ik ben een schuldige vrouw,
een slechte vrouw, maar ik ben wat ik was, wat ik u onlangs gezegd heb,
en ik ben gekomen om u te zeggen, dat daaraan niets te veranderen is."
"Ik heb u daarnaar niet gevraagd," zeide hij plotseling met beslistheid
en zag haar vol haat recht in de oogen: "Dat heb ik zelf reeds
vermoed."
Onder den invloed van zijn toorn herwon hij al zijn kracht en
beradenheid.
"Maar wat ik u reeds gezegd heb," ging hij met zijn scherpe stem
voort, "dat herhaal ik nog eens: ik acht mij niet verplicht, dat te
weten. Ik wil het ignoreeren. Niet alle vrouwen zijn zoo goed als
gij om zulk een haast te maken met zulk een aangename mededeeling
aan haar man. Ik ignoreer het, zoolang de wereld het niet weet en
mijn naam niet beschimpt wordt. En daarom zeg ik u nu reeds, dat de
verhoudingen tusschen ons dezelfde blijven zullen als tot hiertoe,
en slechts in geval ge u mocht compromitteeren, zou ik maatregelen
moeten nemen om mijn eer te beschermen."
"Maar onze betrekking kan niet de vroegere blijven...." bracht zij
op schuchteren toon in en zag hem verschrikt aan.
Toen zij zijn kalme rustigheid bemerkte en zijn schelle kinderstem
hoorde, kreeg haar afkeer over het eerste gevoel van medelijden
de overhand, en hoezeer zij er ook tegen op zag, was zij nu toch
besloten, tot elken prijs haar verdere verhouding tot hem in helder
licht te stellen.
"Ik kan uw vrouw niet zijn, als ik...."
Hij lachte koel en boosaardig.
"Het schijnt, dat de levenswijs, die ge nu gekozen hebt, ook op uw
begrippen invloed heeft. Ik acht het eene zoozeer, als ik het andere
veracht. Uw verleden acht ik, uw heden veracht ik. Van de beteekenis,
die ge aan mijn woorden geeft, was ik steeds ver verwijderd."
Anna zuchtte en boog het hoofd.
"Overigens begrijp ik niet," ging hij zich meer opwindend voort, "hoe
gij, die zulk een onafhankelijken zin hebt om juist uw echtgenoot
uw ontrouw mede te deelen, zonder daarin iets aanstootelijks te
zien,--hoe gij, zeg ik, in de vervulling uwer uitwendige plichten
tegenover uw man iets aanstootelijks kunt zien."
"Alexei Alexandrowitsch, wat wilt gij van mij?"
"Ik wil, dat ik dien mensch hier niet weer ontmoet, en dat gij u
zoo gedraagt, dat niet de _wereld_, niet de _dienstboden_ u kunnen
aanklagen. Dit is wel niet te veel geëischt. En daarvoor zult
gij de rechten eener eerbare vrouw genieten, zonder haar plichten
te betrachten. Dit is alles, wat ik u te zeggen hebt. Nu moet ik
wegrijden. Ik zal vandaag niet te huis eten."
Hij stond op en ging naar de deur.