XVIII.

Toen Anna des Dinsdags vroegtijdig met den trein in Petersburg aankwam,

werd zij door haar man niet verwacht. Men zeide haar, dat hij met

den chef zijner kanselarij werkte. Zij liet hem zeggen, dat zij was

aangekomen en begaf zich naar haar kamer, waar zij haar zaken in orde

schikte en afwachtte, dat haar man haar zou komen opzoeken. Maar hij

kwam niet. Zij hoorde, hoe hij den kanselarij-chef zijn afscheid gaf

en wist, dat hij spoedig weer voor dienstzaken moest heengaan. Zij

wilde hem nog vooraf gesproken hebben om met hem in het reine te

komen. Zij ging de zaal door en trad vast besloten naar hem toe.

Toen zij zijn kabinet binnentrad, zat hij, gereed om weg te rijden,

in zijn uniform voor een kleine tafel, waarop hij leunde, en zag

treurig voor zich heen. Zij zag hem eer, dan hij haar, en zij bemerkte,

dat hij aan haar dacht.

Toen hij haar zag, wilde hij opstaan, maar bedacht zich een oogenblik;

zijn gelaat begon te gloeien, wat Anna anders nog nooit bij hem bemerkt

had, en hij stond driftig op en ging haar te gemoet. Hij zag haar aan,

doch zag haar niet in de oogen, maar hooger, naar haar voorhoofd en

frisuur. Hij reikte haar de hand en noodigde haar te gaan zitten. Anna

zag, dat hij zeer bleek was en dat zijn handen sidderden.

Dat was niet, wat zij had verwacht. Toen zij zich voor deze bijeenkomst

voorbereidde, had zij zich voorgenomen hem aan te klagen en zich te

rechtvaardigen, maar toen zij hem aanschouwde, had zij medelijden

en zij besefte, dat zij dit gevoel noch aan zich zelf noch aan hem

mocht bekennen of doen blijken.

"Ik verheug mij, dat ge gekomen zijt," zeide hij eindelijk, toen hij

zijn bedaardheid herwonnen had en nam aan haar zijde plaats. Toen

wilde hij een paar maal beginnen te spreken, maar nog hield hij zijn

woorden terug. Zij wist niet, wat zij zeggen zoude. En zoo duurde

het zwijgen tamelijk lang.

"Hoe gaat het Serëscha?" vroeg hij ten laatste, maar zonder een

antwoord af te wachten, liet hij er dadelijk op volgen: "Ik zal van

daag niet te huis eten; ik moet dadelijk wegrijden."

"Ik wilde eigenlijk naar Moskou vertrekken...." zeide zij.

"Neen, het is zeer goed gedaan, dat ge hier gekomen zijt."

Andermaal ontstond een stilzwijgen. Overtuigd, dat zij over niets

konden spreken, voor zij tot een verklaring waren gekomen, begon

zij eindelijk:

"Alexei Alexandrowitsch," zeide zij, zonder de oogen voor zijn op haar

coiffure gevestigden blik neer te slaan. "Ik ben een schuldige vrouw,

een slechte vrouw, maar ik ben wat ik was, wat ik u onlangs gezegd heb,

en ik ben gekomen om u te zeggen, dat daaraan niets te veranderen is."

"Ik heb u daarnaar niet gevraagd," zeide hij plotseling met beslistheid

en zag haar vol haat recht in de oogen: "Dat heb ik zelf reeds

vermoed."

Onder den invloed van zijn toorn herwon hij al zijn kracht en

beradenheid.

"Maar wat ik u reeds gezegd heb," ging hij met zijn scherpe stem

voort, "dat herhaal ik nog eens: ik acht mij niet verplicht, dat te

weten. Ik wil het ignoreeren. Niet alle vrouwen zijn zoo goed als

gij om zulk een haast te maken met zulk een aangename mededeeling

aan haar man. Ik ignoreer het, zoolang de wereld het niet weet en

mijn naam niet beschimpt wordt. En daarom zeg ik u nu reeds, dat de

verhoudingen tusschen ons dezelfde blijven zullen als tot hiertoe,

en slechts in geval ge u mocht compromitteeren, zou ik maatregelen

moeten nemen om mijn eer te beschermen."

"Maar onze betrekking kan niet de vroegere blijven...." bracht zij

op schuchteren toon in en zag hem verschrikt aan.

Toen zij zijn kalme rustigheid bemerkte en zijn schelle kinderstem

hoorde, kreeg haar afkeer over het eerste gevoel van medelijden

de overhand, en hoezeer zij er ook tegen op zag, was zij nu toch

besloten, tot elken prijs haar verdere verhouding tot hem in helder

licht te stellen.

"Ik kan uw vrouw niet zijn, als ik...."

Hij lachte koel en boosaardig.

"Het schijnt, dat de levenswijs, die ge nu gekozen hebt, ook op uw

begrippen invloed heeft. Ik acht het eene zoozeer, als ik het andere

veracht. Uw verleden acht ik, uw heden veracht ik. Van de beteekenis,

die ge aan mijn woorden geeft, was ik steeds ver verwijderd."

Anna zuchtte en boog het hoofd.

"Overigens begrijp ik niet," ging hij zich meer opwindend voort, "hoe

gij, die zulk een onafhankelijken zin hebt om juist uw echtgenoot

uw ontrouw mede te deelen, zonder daarin iets aanstootelijks te

zien,--hoe gij, zeg ik, in de vervulling uwer uitwendige plichten

tegenover uw man iets aanstootelijks kunt zien."

"Alexei Alexandrowitsch, wat wilt gij van mij?"

"Ik wil, dat ik dien mensch hier niet weer ontmoet, en dat gij u

zoo gedraagt, dat niet de _wereld_, niet de _dienstboden_ u kunnen

aanklagen. Dit is wel niet te veel geëischt. En daarvoor zult

gij de rechten eener eerbare vrouw genieten, zonder haar plichten

te betrachten. Dit is alles, wat ik u te zeggen hebt. Nu moet ik

wegrijden. Ik zal vandaag niet te huis eten."

Hij stond op en ging naar de deur.

Anna Karenina(#13214) · 第 80 / 196 题