Tegen het midden van Juli kwam de dorpsoudste van het goed zijner
zuster, dat ongeveer twintig werst van Pekrowskaja lag, naar Lewin met
een bericht omtrent den hooioogst van dit jaar. De daar gelegen weiden
waren het meest rentegevend gedeelte der bezitting en waren voor een
derde van het gewas aan de boeren verpacht. Nu kwam de dorpsoudste
om te berichten, dat men uit vrees voor regen het hooi al opgetast
en verdeeld had en dat voor het heerschap als zijn aandeel elf oppers
waren afgezonderd. Uit de onnauwkeurige opgaaf op Lewins vraag, hoeveel
hooi de grootste weide had opgeleverd, en uit de voorbarigheid der
boeren, die zonder tijdige kennisgeving den oogst reeds gedeeld hadden,
leidde Lewin af, dat het daarbij wellicht niet recht was toegegaan, en
daarom besloot hij, zelf er heen te rijden om de zaak te onderzoeken.
Tegen den middag kwam hij aan. Hij stalde zijn paard bij zijn goeden
vriend, den boer Parmenitsch, die met de minne van zijn broeder was
getrouwd. Toen zocht hij den oude op zijn hoeve op, wenschende van
hem iets van den hooioogst te vernemen. De anders praatzieke oude
ontving Lewin vriendelijk, maar beantwoordde zijn vragen over het
hooi ontwijkend en terughoudend. Dit bevestigde Lewins verdenking
nog meer. Hij begaf zich derhalve naar de weiden en nam de oppers in
oogenschouw. Elke opper kon onmogelijk vijftig voer bevatten, en om nu
de boeren te ontmaskeren, liet Lewin een opper opladen en in de schuur
rijden. Uit dezen opper kwamen maar twee en dertig voer. In weerwil
van de verzekering van den dorpsoudste, dat alles op godvruchtige
en eerlijke wijze was verdeeld en dat het hooi in de oppers moest
zijn ingekrompen, verklaarde Lewin nu beslist, te meer daar het hooi
zonder zijn voorkennis was verdeeld, dat hij zulke oppers niet voor
vijftig voer aannam. Na langen strijd werd besloten, dat de boeren de
elf oppers voor hun deel zouden nemen, terwijl het aandeel voor het
heerschap opnieuw afgezonderd zou worden. Deze onderhandeling en de
verdeeling van het hooi duurden tot over den namiddag. Nu liet Lewin
het verder opzicht aan zijn klerk over en klom zelf op een hooiwagen
om de drukke bezigheid van het volk op de weiden aan te zien.
Het laatste voer was geladen en zij reden er mede den weg op. De
vrouwen gingen, met de harken op den schouder, achter den wagen;
de heldere kleuren harer doeken staken in het oog en haar vroolijke
stemmen klonken luidruchtig. Een ruwe, ongeoefende, maar bizonder
zuivere en krachtige vrouwenstem hief een lied aan, zong tot aan het
refrein en toen vielen tegelijk een half honderd verschillende grove
en fijne, zwakke en sterke stemmen in, en het scheen Lewin toe, alsof
ook de hoop hooi, waarop hij lag, de aarde en de hemel, alles zich
bewoog en wankelde onder den schal van dit wild en grenzenloos lustig
gezang. Het koor kwam nader en het kwam Lewin voor, als naderde hem
onophoudelijk eene met vroolijken lust geladen donderende wolk; de wolk
bedekte hem, omringde hem en begon zich toen weer te verwijderen. Lewin
zag hen na en luisterde, en toen het volk uit zijn gezicht en gehoor
was verdwenen, beving hem een sterk gevoel van droefheid over zijn
eenzaamheid, zijn physische werkeloosheid en zijn verachting van
de wereld.
Lewin bewonderde dikwijls het leven dezer menschen, hij benijdde hen en
nu kwam voor de eerste maal de gedachte bij hem tot volle klaarheid,
dat het toch slechts van hem zelf afhing, het zelfzuchtige leven,
dat hij tot hiertoe geleid had, met een reiner, werkzamer leven in
gemeenschap met anderen te verwisselen.
De menigte had zich reeds verwijderd. Het waren lieden, die in de
nabijheid woonden, en zij waren naar huis gereden. Maar die van verre
waren gekomen, hadden zich voor het avondeten en de nachtrust op de
weide verzameld. Lewin lag, door hen niet bemerkt, op een hoop hooi
en sloeg hen gade, luisterde en dacht na. De lieden, die op de weide
wilden overnachten, sliepen gedurende dezen korten zomernacht bijna
in het geheel niet. Eerst hoorde men hun vroolijk gebabbel onder
het avondeten en toen weer zingen en lachen. De geheele lange en
zware arbeidsdag had bij hen geen spoor achtergelaten, dan slechts
vroolijkheid. Eerst kort voor het morgenrood werd het stil; men vernam
nog slechts het nachtgezang der in het moeras kwakende kikvorschen,
het geschreeuw van een vogel ergens boven in de hoogte op een tak,
het snuiven der paarden op de weide in den morgennevel en het stampen
hunner aaneengekoppelde pooten op den vochtigen grond. Lewin rees op
van zijn hooi, zag omhoog naar de sterren en bespeurde, dat de nacht
ten einde was.
"Ja, maar hoe moet ik het aanvangen?" zeide hij tot zich zelf en
trachtte over alles, waarover hij in dezen beslissenden nacht had
nagedacht, tot klaarheid te komen. Zijn gedachten hadden zich vooral
naar drie richtingen bewogen; de eerste was, dat hij zich van zijn
tot hiertoe geleid leven moest losmaken, van deze doellooze bezigheid,
deze nuttelooze verstandsbeschaving en dan vooral van zijn droomerijen
van een familieleven, zooals hij het zich tot hiertoe voorgesteld
had. Deze losmaking van zijn oud leven was hem licht en verschafte
hem zelfs een genot. Anderzijds richtten zich zijn gedachten en
voorstellingen op het nieuwe leven, dat hij nu zich voorgenomen had
te leiden. Hij was overtuigd, dat hij in de eenvoudigheid, onschuld,
natuurlijkheid en zekerheid van hetzelve die rust en zelfvoldoening zou
vinden, welker gemis hij nu zoo ziekelijk gevoelde. Een derde richting
zijner gedachten betrof de vraag, hoe den overgang van het oude tot het
nieuwe leven te bewerkstelligen. En in dit opzicht was hem nog niets
helder geworden. "Een vrouw--dat is het eerste en belangrijkste--den
arbeid en de noodzakelijkheid om te werken.... Moet ik Pokrowskaja
opgeven? Nog wat land koopen? Mij in een dorpsgemeenschap laten
opnemen? Een boerenmeisje trouwen? Hoe dat nu te maken?"
Hij vond geen antwoord.
"Overigens heb ik den geheelen nacht niet geslapen en kan mij derhalve
van alles geen volle rekenschap geven. Het zal mij later wel helder
worden. Maar mijn vroegere droomerijen van familieleven zijn onzin. Dat
alles is veel eenvoudiger en beter...."
Hij ging van de weide over den landweg naar het dorp. Een zachte wind
was opgekomen; het werd nevelachtig en de lucht betrok.
Lewin was wat koud geworden en drukte de armen tegen het lichaam,
terwijl hij snel voortging met den blik op den grond gevestigd. "Wat
is dat? Daar rijdt iemand!" dacht hij, toen hij schelgeluid hoorde,
en zag op. Nauwelijks veertig schreden van hem verwijderd kwam hem op
den breeden landweg een met vier paarden bespannen en met koffers en
doozen beladen voertuig tegen rijden. Zonder er aan te denken, wie
daar in kon zitten, keek Lewin in het rijtuig. In een hoek zat een
oude dame te slapen en voor het venster een jong meisje, dat blijkbaar
pas ontwaakt was. Zij zag, terwijl haar gelaat in het morgenlicht
duidelijk zichtbaar was en zij in gedachten scheen verzonken, over hem
heen naar de opgaande zon. Op het oogenblik, dat die verschijning al
haast weer voorbij was, richtte zij eindelijk haar nu wakkere oogen
op hem. Zij had hem herkend en een glans van blijde verrassing ging
over haar gelaat. Hij kon zich nu niet meer vergissen. Er waren maar
twee zulke oogen op de wereld. Slechts één wezen was er, dat voor
hem het kort begrip van alle leven en geluk was. Dat was zij, dat was
Kitty. Hij begreep dadelijk, dat zij juist van het spoor was gekomen
en naar Klekotok reed. En plotseling was alles, wat Lewin in dezen
slapeloozen nacht gevoeld en gedacht had, verdwenen. Slechts daar, in
dien wegsnellenden wagen bevond zich de oplossing van alle raadselen
des levens, die hem kwelden! Zij zag hem niet meer aan. Het geluid
van het rijtuig was niet meer te hooren, het geluid der schellen nog
slechts even. Hondengeblaf duidde aan, dat het rijtuig door het dorp
reed en voor hem bleven slechts de ledige, doode velden terug en het
dorp voor hem; hij zelf was verlaten en voor allen een vreemdeling.
Hij zag weer naar den hemel, die, ofschoon de helft daarvan met
kleine, witte wolkjes was bedekt, meer en meer blauw en helder werd,
maar even ver en ongenaakbaar was als vroeger. "Neen, alles was
dwaasheid! Slechts in gemeenschap met haar kan ik mij denken! Ik heb
niet opgehouden en zal niet ophouden haar te beminnen."