VIII.

Omringd van haar kinderen met natte hoofdjes en zelf met een doek om

het hoofd gebonden, naderde Dolly haar huis, toen de koetsier zich

omkeerde en zeide: "Daar komt een heer aan. Ik geloof, dat het de heer

van Pokrowskaja is." Dolly zag naar buiten en was zeer verheugd, toen

zij Lewins haar zoo welbekende gestalte met grijzen hoed en jas haar te

gemoet zag komen. Zag zij hem altijd gaarne komen, van daag bizonder,

omdat zij hem nu in haar vollen roem en glorie ontmoette. Niemand

kon beter dan Lewin haar rijkdom begrijpen en datgene, waarin deze

rijkdom bestond.

"U zit daar als een klokhen, Darja Alexandrowna."

"O, hoe blijde ben ik," zeide zij en reikte hem de hand.

"Zoo, ge verheugt u en hebt mij toch uw komst niet laten weten. Van

Stiwa ontving ik een briefje, dat ge hier zijt."

"Van Stiwa?" vroeg Dolly verwonderd.

"Ja, hij schrijft mij, dat u reeds hier zijt, en meent dat ge mij wel

zult toestaan, hem een dienst te bewijzen," antwoordde Lewin. Maar

nauwelijks had hij dat gezegd, of hij brak verlegen zijn rede af

en ging zwijgend naast de laneika voort, terwijl hij nu en dan een

blad van de linden aftrok en met de tanden in stukken beet. Hij werd

verlegen door de gedachte, dat de hulp van een vreemde in een zaak,

die anders de man placht te bezorgen, niet aangenaam zou zijn. De

handeling van haar man beviel haar ook inderdaad niet, en zij begreep

Lewin dadelijk. Juist om dit fijn gevoel hield Dolly van hem.

"Ik heb het zoo verstaan," ging Lewin voort, "dat u mij wellicht

wenschte te zien en heb mij daarover zeer verheugd. Mij dunkt, er moet

u, een huisvrouw uit de stad, hier veel ruw en wild voorkomen. Als

u iets noodig heeft, gelief dan over mij te beschikken."

"O, neen, ik dank u," antwoordde Dolly. "In het begin haperde er wel

een en ander, maar nu hebben we alles behoorlijk ingericht. Wil u

niet instappen? Wij kunnen wel wat dichter bijeen gaan zitten."

"Neen, ik dank u, ik ga liever te voet. Kinderen, wie van jelui gaat

mede. Wij willen met de paarden om het hardst loopen."

Hoewel nu de kinderen Lewin maar weinig kenden, toonden zij toch

tegenover hem niet die eigenaardige verlegenheid, die hen anders zoo

dikwijls tegenover volwassenen beving, als deze veinsden. Het spelen

van een rol, dat ook den schrandersten en meest scherpzienden man

vermag te misleiden, wordt veelal door het eenvoudigst kind dadelijk

doorzien en dan keert het zich af. Welke gebreken Lewin ook mochten

aankleven, van geveinsdheid was bij hem geen spoor, en derhalve

betoonden de kinderen hem ook dadelijk dezelfde vriendschap, die zij

in het gelaat hunner moeder bespeurden. Op zijn uitnoodiging sprongen

de oudsten uit het rijtuig en liepen met hem zoo vertrouwelijk voort

als met hun moeder. Ook Lili wilde bij hem zijn en de moeder reikte

ze hem toe. Hij zette ze op zijn schouder en liep met haar voort.

"Wees gerust," riep hij, Dolly vroolijk toelachend, "ik zal haar niet

laten vallen."

Hier op het land, in tegenwoordigheid van de hem zoo sympathische

Dolly en in het midden der kinderen, geraakte Lewin in die

kinderlijk vergenoegde luim, waarvoor hij zich dikwijls schaamde

en die hij zorgvuldig voor vreemde oogen verloochende. Maar juist

om deze gemoedsstemming hield Dolly veel van hem. Hij speelde met

de kinderen, als huns gelijke, hij leerde hen gymnastische toeren,

liet miss Gull om zijn slecht Engelsch lachen en vertelde Dolly van

zijn oeconomische bezigheden.

Des namiddags, toen zij beiden alleen op het balkon zaten, bracht

Dolly het gesprek op Kitty.

"Kitty komt hierheen en zal den zomer bij ons doorbrengen."

"Inderdaad?" vroeg hij, en een licht rood kleurde zijn gelaat. Maar

tegelijk, om dit gesprek te vermijden, ging hij voort: "Ik zal u dus

twee koeien zenden, en als het u goed is, betaalt u me daarvoor vijf

roebels in de maand...."

"Och neen, ik dank u. Wij kunnen thans zoo tamelijk toekomen."

"Nu, dan wil ik uw koeien eens gaan zien en regelen, hoe zij gevoederd

moeten worden. Van de voedering hangt alles af." En slechts om

het gesprek af te leiden, zette hij haar nu de geheele theorie der

melkerij uiteen, waarbij de koe slechts voorkwam als een soort van

machine om het voeder te verwerken en winstgevend te maken.

Hoewel hij van deze dingen sprak, wenschte hij toch vurig iets van

Kitty te vernemen, maar hij vreesde, daardoor de rust, die nu zijn

deel was geworden, weer te verliezen.

"Ja, maar bij dit alles behoort toezicht, en wie zal dit

houden?" antwoordde Dolly moedeloos.

Zij had nu haar huishouding door Marie Filimonowna in zulk een

toestand gebracht, dat zij er niets aan wenschte te veranderen;

en, om de waarheid te zeggen, stelde zij ook in Lewins kennis der

landhuishoudkunde geen volkomen vertrouwen. Zijn uiteenzetting dat de

koe slechts een machine om melk te winnen was, scheen haar verdacht

en zijn redeneeren over de verschillende soorten van voeder begreep

zij niet, terwijl zij Marie's handelwijze om de bruine en de zwarte

koe wat meer te eten te geven duidelijk, eenvoudig en van goed gevolg

had bevonden. En wat de hoofdzaak was: zij wilde nu van Kitty spreken.

"Kitty schrijft, dat zij naar niets zoozeer verlangt, als naar

eenzaamheid en rust."

"Is het met haar gezondheid beter geworden?" vroeg Lewin opgewonden.

"Goddank! zij is geheel hersteld. Ik geloofde het ook niet, dat zij

door een borstkwaal was aangetast."

"O, dat verheugt mij zeer," antwoordde Lewin en, zooals het Dolly

toescheen, vertoonde zich terwijl hij dat zeide en haar daarop zwijgend

aanzag, op zijn gelaat iets van roerende hulpeloosheid.

"Hoor eens, Constantin Dimitritsch," zeide zij met haar goedhartig,

een weinig ironisch lachje: "Waarom zijt gij boos op Kitty?"

"Ik? Ik ben niet boos," antwoordde Lewin.

"Ja wel, gij zijt boos op haar. Waarom hebt ge ons bij uw laatste

aanwezigheid te Moskou niet bezocht."

"Darja Alexandrowna," antwoordde hij en werd rood tot over de ooren,

"ik verwonder mij, dat u, die zoo goed zijt, geen leedwezen over mij

gevoelt, daar u toch weet...."

"Wat weet ik?"

"Dat ik haar hand gevraagd heb en afgewezen ben geworden," zeide Lewin,

en al de teederheid voor Kitty, die hem zoo even nog had vervuld,

week uit zijn ziel voor het bitter gevoel van die beleediging.

"Waarom dacht ge, dat ik dat wist?"

"Omdat allen het weten...."

"Dan vergist ge u zeer. Ik heb er niets van geweten, hoewel ik zoo

iets vermoedde."

"Nu, dan weet u het thans."

"Ik wist slechts dit eene, dat er iets was, dat haar vreeselijk kwelde,

en dat zij mij verzocht heeft er niet over te spreken. En als zij

het mij niet gezegd heeft, dan heeft zij het ook aan niemand anders

gezegd. Wat is dan tusschen ulieden voorgevallen? Zeg het mij."

"Ik heb het u al gezegd."

"Wanneer is dat gebeurd?"

"Toen ik de laatste maal bij u was."

"Weet gij, wat ik u zeggen wil? Ik heb diep medelijden met haar. Gij,

gij lijdt slechts door beleedigden trots...."

"Wellicht," zeide Lewin, "maar...."

Zij viel hem in de rede: "Maar met haar, arm meisje, heb ik diep

medelijden. Nu begrijp ik alles."

"Nu, Darja Alexandrowna, verontschuldig mij," sprak hij en stond op:

"Vaarwel. Tot weerziens."

"Neen, wacht nog!" antwoordde zij en hield met haar magere hand zijn

arm vast. "Wacht nog. Ga zitten."

"Ja, maar ik bid u, spreken wij daar niet meer over," zeide hij en

ging weer zitten; daarbij gevoelde hij iets zonderlings in zijn hart,

alsof daarin een doode verrees, namelijk de zooals hij meende lang

begraven hoop.

"Als ik niet van u hield," zeide Dolly en de tranen drongen haar in

de oogen, "als ik u niet kende, zooals ik u ken...."

De herleefde doode bewoog zich sterker in Lewin en nam geheel zijn

hart gevangen.

"Ja, nu begrijp ik alles," hernam Dolly, "gij kunt dat niet begrijpen;

de mannen, die naar welgevallen kiezen en uitzoeken kunnen, zijn

altijd volkomen zeker, wie zij beminnen. Maar een jong meisje, dat

wachten en afwachten moet, een jong meisje met haar jonkvrouwelijke

zedigheid, dat u mannen slechts van verre ziet, schat niet alles naar

zijn waarde. Een jong meisje kan zulke gewaarwordingen en gevoelens

hebben, dat zij de ware beteekenis daarvan niet weet...."

"Dat is toch niet geheel zooals het behoort."

"Dit maakt geen verschil, het is eenmaal zoo. Gijlieden doet een

aanzoek, als ge omtrent uw neiging tot klaarheid en zekerheid zijt

gekomen, maar een meisje kan niet vragen en kiezen. Zij moet kiezen

en kan het soms nog niet, zij kan slechts ja of neen zeggen."

"Zoo koos zij tusschen mij en Wronsky!" dacht Lewin, en het tot leven

ontwaakte lichaam zonk weer dood terug en drukte kwellend zijn hart.

"Darja Alexandrowna," zeide hij, "zoo kiest men wel een kleed of

wat anders, maar met de liefde.... De keus is eenmaal gedaan--des te

beter.--Een herhaling kan niet zijn...."

"O, die trots! die trots!" zeide Dolly, alsof zij hem verachtte om de

kleinheid van dat gevoel. "Destijds, toen ge uw aanzoek deedt, was

zij juist in een toestand, dat zij geen antwoord kon geven; zij kon

nog niet kiezen tusschen u en Wronsky; dezen zag zij toen dagelijks,

maar u had zij in langen tijd niet gezien. Voorzeker, ware zij ouder

geweest, dan was zulk een twijfel niet mogelijk geworden. Ik zou in

haar plaats niet geaarzeld hebben. Hij was mij altijd onaangenaam,

en het heeft dan nu ook een einde genomen."

Lewin riep zich Kitty's antwoord voor den geest. Zij had gezegd:

"Neen, dat kan niet zijn...."

"Darja Alexandrowna," zeide hij koel, "ik weet uw vertrouwen in

mij hoog te waardeeren, maar ik geloof, dat u zich vergist. Ik mag

gelijk of ongelijk hebben, maar deze trots, dien u zoo afkeurt, maakt,

dat elke gedachte aan Catharina Alexandrowna voor mij onmogelijk is."

"Laat ik u nog dit ééne zeggen: gij begrijpt, ik spreek van mijn

zuster, die ik lief heb, alsof zij mijn kind was. Ik zeg niet, dat

zij u bemint; ik wilde maar zeggen, dat haar afwijzend woord van

toenmaals volstrekt niets beteekent."

"Dat weet ik niet," zeide Lewin en stond op: "Indien u wist, welke

smart u mij veroorzaakt! Het is, alsof iemand een kind is afgestorven

en men hem dan zegt: 'Het had kunnen blijven leven, het had zoo en zoo

kunnen worden en gij zoudt er uw vreugde aan beleefd hebben....' En

toch is het dood, dood, dood."

"Wat zijt ge dwaas!" zeide Dolly en lachte treurig in weerwil van

Lewins opgewondenheid; nadenkend liet zij toen volgen: "Maar nu begrijp

ik meer en meer.... Ge zult dus niet hier komen, als Kitty er is?"

"Neen, ik zal niet komen. 't Spreekt van zelf dat ik Catharina

Alexandrowna niet geheel zal vermijden, maar waar ik kan, zal ik haar

van mijn aanwezigheid bevrijden."

"Wezenlijk, dat is zeer dwaas en komiek," hernam Dolly, hem met een

uitdrukking van zachte genegenheid aanziende; "'t zij dan zoo! wij

hebben er niet van gesproken!--Wat wil je, Tania?" wendde zij zich

in het Fransch tot haar dochtertje, dat op dat oogenblik binnen kwam.

"Waar is mijn schoffel, mama?"

"Ik heb je in het Fransch aangesproken."

Het kind wilde haar antwoorden, maar was vergeten, hoe een schoffel

in het Fransch genoemd werd. De moeder moest het haar zeggen, en toen

zeide zij haar dan ook, waar de schoffel was te vinden.

Nu scheen Lewin alles in Dolly's huis en aan haar kinderen lang

zoo aantrekkelijk niet meer als te voren: "En waarom spreekt

zij Fransch met haar kinderen?" dacht hij. "Hoe onnatuurlijk en

gemaakt! En de kinderen gevoelen dat. Dit Fransch berooft hen van hun

ongedwongenheid." Hij wist niet, dat Dolly dat reeds twintig maal

tot zich zelf gezegd had, maar in weerwil van en ten koste van de

ongedwongenheid achtte zij het noodig, haar kinderen op deze wijze

te onderrichten.

"Waarom wilt ge nu al weg? Blijf toch nog wat."

Lewin bleef nog tot het theedrinken; maar zijn vroolijke luim was

verdwenen en hij gevoelde zich ontstemd.

Na de thee was Lewin naar de voorkamer gegaan om te bevelen, dat zijn

paarden werden aangespannen. Toen hij terug kwam, vond hij Dolly met

opgewonden, verstoord gelaat en met tranen in de oogen. In zijn korte

afwezigheid was iets voorgevallen, dat Dolly's vreugde en al haar trots

op haar kinderen geheel verstoorde. Grischa en Tania hadden om een bal

elkander geslagen. Dolly was op het geschreeuw naar buiten geloopen

en had hen in een verschrikkelijken toestand gevonden. Tania hield

Grischa bij het haar, maar deze, met het gezicht door woede ontsteld,

sloeg met de vuisten op haar los, waar hij ze maar trof. Toen was het

Dolly, of iets in haar hart scheurde; alsof een schaduw op haar leven

viel, en zij ondervond, dat deze kinderen, waarop zij zoo trotsch was,

niet slechts heel gewone, neen, slechte, slecht opgevoede kinderen

waren, booze kinderen vol grofheid en ruwen hartstocht. Zij kon

over niets anders meer denken of spreken en moest Lewin haar leed

klagen. Lewin zag, dat zij zich ongelukkig gevoelde en beijverde

zich haar te troosten, terwijl hij zeide, dat deze vechtpartij niets

slechts bewees en dat alle kinderen elkander wel eens sloegen. Maar

terwijl hij zoo sprak, dacht hij: "Nu, ik zou mijn kinderen Fransch

met mij laten spreken! Ik zou wel oppassen. Ik zou zulke kinderen

niet hebben! Men moet ze niet bederven, ze niet verwennen, dan zijn en

blijven ze lief en goed. Neen, ik zou zulke kinderen niet hebben!" Toen

nam hij afscheid; zij trachtte hem niet meer te houden en hij reed weg.

Anna Karenina(#13214) · 第 66 / 196 题