Nog voor het sluiten van het badseisoen keerde vorst Tscherbatzky bij
de zijnen terug. Van Karlsbad was hij nog naar Baden-Baden en Kissingen
getrokken om daar eenige kennissen te begroeten, en weer, zooals
hij zeide, volop Russischen geest in te ademen. De beschouwingen van
den ouden vorst en van de vorstin omtrent het leven in het buitenland
stonden geheel tegenover elkander. De vorstin prees en bewonderde alles
en trachtte, in weerwil dat zij in het Russische leven was geworteld,
in het buitenland op een West-Europeesche dame te gelijken, wat zij
toch niet was. Zij was een Russische barina, en derhalve moest zij zich
eenigszins geweld aandoen, wat haar dikwijls lastig viel. De vorst
daarentegen vond alles in het buitenland afschuwelijk, hem was het
Europeesche leven een gruwel; hij behield zijn Russische gewoonten
en trachtte in het buitenland nog minder Europeesch te schijnen,
dan hij in werkelijkheid was.
Hij kwam mager, met hangende wangen, maar in de beste luim terug. Deze
verbeterde nog meer, toen hij zag, dat Kitty weer geheel hersteld
was. Evenwel werd hij eenigszins verontrust door het bericht van
Kitty's vriendschap met Warenka en madame Stahl en door de mededeeling
der gravin over de omkeering, die in des meisjes gemoed had plaats
gehad; dit wekte in zijn binnenste weer dat gevoel van ijverzucht op
alles, wat zijn dochter buiten hem belang inboezemde; er beving hem
eenige vrees, dat zijn dochter naar hooger sferen kon ontvlieden,
waar zijn invloed haar niet meer kon bereiken. Maar deze bekommering
versmolt in de zee van goedigheid en vroolijke luim, die steeds zijn
hart vervulde en die nu door het Karlsbader water nog was vergroot.
Daags na zijn aankomst ging de vorst in zijn langen jas en met zijn
Russische rimpels en hangende wangen, die door den stijven halsboord
werden gesteund, met Kitty naar de bron. Het was een bizonder
schoone morgen; de bevallige, vroolijke huizen met tuintjes er voor,
de aanblik der dienstmeiden met roode wangen en roode armen, die
vroolijk haar werk verrichtten, en de heldere zonneschijn stemden
hem blijmoedig. Maar hoe meer hij de bron naderde, des te talrijker
werden de zieken, die hij tegenkwam; hun voorkomen scheen hem nog
beklagenswaardiger toe in deze omgeving. De glans en het licht van
dezen Junimorgen, de tonen van het orkest en vooral de aanblik der
gezonde dienstmeiden waren voor hem een droevig contrast met de uit
alle hoeken van Europa hier saamgekomen en zich treurig voortsleepende
lichamen. In weerwil van zijn zelfbewustzijn en een gevoel alsof hij
weer jong was geworden, was het hem toch, toen hij aan den arm van
zijn geliefd kind daarheen stapte, als moest hij zich geneeren om
zijn krachtigen gang en sterke leden.
"Breng mij met uw nieuwe vrienden in kennis," zeide hij tot zijn
dochter. "Ik heb dit afschuwelijk Soden bijna lief gekregen, omdat
het u de gezondheid heeft weergegeven. Maar hoe treurig, hoe treurig
is het hier? Wie is dat?"
Kitty noemde hem alle met haar bekende en onbekende personen, die zij
ontmoetten. Aan den ingang van den tuin kwam de blinde mevrouw Berthe
met haar geleidster hun tegen, en de vorst verheugde zich over de
uitdrukking van teedere ontroering op het gelaat der oude Française,
toen deze Kitty's stem herkende. Zij begon hem dadelijk met haar
oneindige Gallische beminnenswaardigheid te overstroomen en hem te
loven, dat hij zulk een prachtige dochter had, die zij een schat,
een parel, een engel noemde.
"Nu, dan is zij de engel nummer twee," zeide de vorst lachend,
"want volgens haar eigen verklaring is mademoiselle Warenka de engel
nummer één."
In de galerij troffen zij Warenka aan, die hen met een rood taschje
in de hand haastig te gemoet kwam.
"Papa is gekomen," zeide Kitty.
Warenka maakte een natuurlijke en eenvoudige beweging, half buiging
half groet, en begon dadelijk vrij en eenvoudig, zooals zij met allen
deed, met den vorst te spreken.
"O zeker ken ik u al, ik ken u zeer goed," zeide hij tot haar met een
lachje, waaraan Kitty met blijdschap bemerkte, dat haar vriendin een
goeden indruk op hem gemaakt had. "Waar gaat dat nu zoo haastig heen?"
"Mama is hier," antwoordde zij tot Kitty gekeerd; "zij heeft den
geheelen nacht niet geslapen, en de dokter heeft haar aangeraden een
rit te doen. Ik breng haar nu haar handwerkje."
"Dus dat is de engel nummer één," zeide de vorst, toen
Warenka zich verwijderde.
Kitty bemerkte, dat hij met Warenka een weinig den spot wilde
drijven, maar dat hem dat niet recht gelukken wilde, omdat zij hem
goed bevallen was.
"Nu zal ik al uw vriennen wel leeren kennen," voegde hij er bij;
"ook uw madame Stahl, als zij zich vernederen wil zich mijner te
herinneren."
"U heeft haar dus gekend, papa?" vroeg Kitty met een zekeren angst,
daar zij bij het noemen van madame Stahl in haar vaders oogen iets
spotachtigs zag opflikkeren.
"Ik heb haar man en ook haar oppervlakkig gekend, voor zij zich onder
de piëtisten had begeven."
"Piëtisten, wat zijn dat, papa?" vroeg Kitty, zeer verschrikt, wijl
datgene, wat zij in mevrouw Stahl vereerde, een naam had.
"Dat weet ik zelf niet zoo precies. Ik weet slechts, dat zij God voor
alles dankt, voor ieder ongeluk, en ook daarvoor, dat haar man is
gestorven. Nu, dit kon belachelijk schijnen, want zij hebben slecht
genoeg met elkander geleefd."
"Daar is zij," zeide Kitty en wees op een rolwagen, waarin, van
alle zijden door kussens ondersteund, iets van grauwblauwe kleur
onder een zonnescherm lag. Dat was mevrouw Stahl. Achter haar stond
een sombere Duitsche arbeider, die den wagen schoof; naast haar een
blonde Zweedsche graaf, dien Kitty slechts bij naam kende. Eenige
zieken bleven aarzelend bij het ziekenwagentje staan en staarden de
daarin gezeten dame als een wonder aan.
De vorst naderde met Kitty en deze zag dadelijk weer in zijn oogen
die spottende uitdrukking. Hij trad op madame Stahl toe en sprak
haar recht hoffelijk en vriendelijk in dat uitgezochte Fransch aan,
dat tegenwoordig nog slechts zoo weinigen in staat zijn te spreken.
"Ik weet niet, of u zich mijner nog zal herinneren, maar ik moet mij
u weer in het geheugen terug roepen om u te danken voor de aan mijn
dochter bewezen goedheid," zoo sprak hij, terwijl hij zijn hoed afnam
en niet weer opzette.
"Vorst Alexander Tscherbatzky," antwoordde mevrouw Stahl, terwijl
zij haar hemelsche oogen tot hem ophief, waarin Kitty nu een zekere
ontevredenheid meende te bespeuren: "ik verheug mij u te zien. Ik
heb uw dochter zeer lief gekregen."
"En met uw toestand gaat het nog steeds niet beter."
"Ik heb mij daaraan reeds gewend," antwoordde madame Stahl en maakte
den vorst met den Zweedschen graaf bekend.
"U is anders weinig veranderd," zeide de vorst. "Het moet tien of
elf jaar geleden zijn, dat ik het laatst de eer had u te zien."
"Ja, als God een kruis oplegt, geeft hij ook de kracht om het te
dragen. Men vraagt zich zelf wel eens, waarom het leven zoo lang
is.... De andere zijde!" voegde zij er tot Warenka gekeerd bij,
die bezig was haar voeten in een plaid te wikkelen.
"Wel, om goed te doen!" antwoordde de vorst met de oogen lachend.
"Wij mogen ons geen oordeel daarover aanmatigen," meende madame Stahl,
die de verdachte uitdrukking in zijn oogen bespeurd had. "Derhalve,
u zal me dat boek toezenden, lieve graaf? Ik zal u daarvoor zeer
dankbaar zijn," sprak zij tot den jongen Zweed gekeerd.
"Ah!" riep de vorst uit, daar hij in de nabijheid den Moskouer overste
zag. Hij boog zich voor mevrouw Stahl en ging met zijn dochter en de
overste, die zich bij hen aansloot, verder.
"Dat is onze aristocratie, vorst," zeide de Moskouer overste, die
zich sarcastisch wilde uitdrukken, daar hij het madame Stahl zeer
kwalijk had genomen, dat zij met hem niet bekend was geworden.
"Zij is altijd dezelfde," antwoordde de vorst.
"U heeft haar nog voor haar ziekte gekend, vorst? Men zegt, dat zij
in tien jaren niet heeft geloopen."
"Zij loopt niet, omdat zij een kort been heeft...."
"Papa, dat is niet mogelijk!" meende Kitty.
"Booze tongen beweren het, lieveling. Uw Warenka heeft ook een
pleizierige taak," voegde hij er bij. "O, die zieke dames!"
"Ach neen, papa," wederlegde Kitty, "Warenka vergoodt haar. En dan doet
zij ook zooveel goeds. Vraag, wie u wil. Allen kennen haar!" "'t Is
mogelijk, 't is mogelijk!" antwoordde hij en drukte haar arm tegen
zich aan. "Maar beter is het nog, dat men het zoo doet, dat, wie men
ook vragen mag, niemand het weet."
Kitty zweeg, niet omdat zij niets wist te antwoorden, maar omdat zij
haar geheimste gedachten niet aan haar vader wilde verraden. Maar
zonderling! Ofschoon zij zich voorgenomen had, niet in het oordeel
haars vaders te deelen en hem niet in haar heiligdom te laten
indringen, besefte zij toch, dat het hemelsch beeld van mevrouw
Stahl, dat zij een geheele maand lang in haar hart had gedragen,
spoorloos verdween. Er bleef slechts een vrouw met een kort been
over, die niet loopt om haar mankheid te verbergen, en die Warenka
kwelt, omdat ze niet geheel naar haar wensch den plaid had terecht
gestoken. Met alle inspanning harer verbeelding vermocht zij niet,
zich de vroegere madame Stahl voor te stellen.