III.

Kitty werd tengevolge van haar kennismaking ook met madame Stahl

nader bekend en deze verhouding zoowel als Warenka's vriendschap

oefende een heilzamen invloed op haar uit.

Kitty gevoelde zich ongelukkig, zij zocht troost en vond dien

nergens. Nu kwam die troost van zelf tot haar, doordat zich voor

haar een geheel nieuwe wereld opende, die niets met baar verleden

gemeen had; een schoone, verheven wereld, van welker hoogte af

men kalm op het verleden kon terugzien. Datgene "wat gewichtig

is" werd haar openbaar; het was datgene, wat zij vermoed had;

het gewichtigste was, dat er buiten het instinctive leven, waaraan

Kitty zich tot hiertoe uitsluitend had overgegeven, nog een ander,

geestelijk, voor Kitty begrijpelijk leven bestond. Dit leven ontsloot

de godsdienst, maar een godsdienst, die weinig met den aan Kitty van

jongs af bekenden gemeen had en die zich voor Kitty opende door de

huiselijke godsdienstoefeningen der weduwe, waarbij zich de nader

met haar bevrienden plachten te vereenigen om onder de leiding eens

leeraars bijbelplaatsen te verklaren en het toepasselijke daarvan

aan te wijzen; dat was een begrijpelijke, met het leven verbonden en

van leven doordrongen godsdienst, waaraan men niet slechts geloofde,

omdat het gevorderd werd, maar dien men ook kon liefhebben.

Madame Stahl sprak met Kitty als met een lief kind, dat men als de

herinnering aan zijn eigen jeugd bewondert. Slechts eenmaal had zij

er van gewaagd, dat in alle menschelijke kwellingen slechts het geloof

en de liefde troost aanbrengen en dat wij ons van Christus medelijden

met ons kleinst en nietigst leed verzekerd kunnen houden; toen had

zij terstond het gesprek op een ander onderwerp geleid. Maar uit elke

harer bewegingen, uit elk harer woorden, uit ieder harer, zooals Kitty

het noemde, "hemelsche" blikken, bovenal echter uit de geschiedenis

van haar leven, die zij door Warenka had leeren kennen, uit dat alles

vernam Kitty "wat gewichtig was," hetwelk zij tot hiertoe nog niet

gekend had. Kitty zag in madame Stahl den Christelijken ootmoed en de

zielegrootheid verpersoonlijkt. Maar hoe verheven ook haar karakter

was, hoe roerend haar levensgeschiedenis, hoe zacht en treffend haar

woorden waren en hoezeer ze Kitty ook in geestdrift brachten, deze

zou haar toch niet van harte hebben kunnen lief krijgen, als zij haar

niet al dien tijd met Warenka's oogen had aangezien. En voor Warenka

was haar mama het toppunt van volkomenheid. Kitty had onwillekeurig

in madame Stahl eenige trekken opgemerkt, die haar bevreemden. Zij

had, toen deze eens naar haar familie vroeg, een bijna spotachtigen

glimlach op haar gelaat bespeurd, die haar verwonderde en krenkte. Nog

meer echter was zij ontevreden, toen zij eens bij gelegenheid van een

bezoek bij madame Stahl een Catholieken priester aantrof en madame

den geheelen tijd haar gelaat in de schaduw van de lampekap trachtte

verborgen te houden. Van hoe weinig beteekenis deze kleine opmerkingen

ook waren, hadden zij Kitty toch in verwarring gebracht. Daarentegen

was Warenka in haar eenzaamheid, zonder vrienden en bloedverwanten,

terwijl zij na eene treurige teleurstelling in de liefde toch niets

wenschte, zich over niets beklaagde en zich slechts aan haar plichten

wijdde,--voor haar een schier volmaakt wezen, waarmede zij dweepte. In

Warenka had zij het gezien, dat men slechts zich zelf vergeten en als

anderen denken moet om kalm, goed en gelukkig te worden--en dat was

Kitty's doel. Nadat Kitty nu duidelijk begrepen had, wat gewichtig

was, vergenoegde zij zich er niet mede zich daarover te verheugen,

maar zij wijdde zich werkelijk aan dit voor haar nieuw geopend

leven. Na Warenka's mededeelingen over madame Stahls doen en laten,

vormde zij zich een bepaald levensplan. Waar zij ook mocht wonen,

wilde zij even als een nicht van mevrouw Stahl, van wie Warenka haar

verhaald had, overal de ongelukkigen opzoeken en helpen, waar zij

vermocht; zij wilde goede geschriften uitdeelen, de misdadigen en

gevangenen uit den bijbel voorlezen. Vooral het laatste was voor haar

een aanlokkelijke gedachte. Maar dit was een geheim, waarvan zij noch

met haar moeder noch met Warenka spreken wilde. Zij was overtuigd,

dat het goed en schoon was, dat men het doen moest, en toch zeide

een inwendige stem haar, dat zij niet in staat was het te doen.

De vorstin bemerkte, dat Kitty zich geheel onder den invloed en op

sleeptouw van mevrouw Stahl en nog meer van Warenka bevond. Niet alleen

dat zij de laatste in geheel haar bedrijvig streven en doen navolgde,

maar zij copiëerde haar onwillekeurig ook in haar manieren, zooals zij

ging, sprak en met de oogen pinkte. Maar spoedig bemerkte zij ook, dat

in Kitty's innerlijk leven een geheele omkeering had plaats gehad. Zij

ontdekte, dat zij nu 's avonds steeds in een Fransch evangelie las, dat

madame Stahl haar geschonken had, hetgeen zij vroeger niet had gedaan;

dat zij haar gewone kennissen vermeed en met de zieken verkeerde, die

onder Warenka's bescherming stonden en voornamelijk met de familie

van een armen Russischen schilder. Zij was er blijkbaar trotsch op,

in deze familie de plichten eener liefdezuster te vervullen. Dit alles

was nu recht mooi en de vorstin had er ook niets tegen in te brengen,

te minder daar de vrouw des schilders een zeer fatsoenlijke persoon

was en ook de Duitsche prinses Kitty's werkzaamheid met welgevallen

opgemerkt en Kitty den "engel der vertroosting" genoemd had; maar zij

vreesde, dat Kitty het te ver zou drijven. "Il ne faut jamais rien

outrer," had zij haar derhalve gezegd. Maar de dochter antwoordde

niets en dacht slechts in haar hart, dat men op godsdienstig gebied

van geen overdrijving kon spreken; want hoe kon van overdrijving sprake

zijn tegenover een gebod, dat beveelt: als iemand u op de rechterwang

slaat, keer hem ook de linker toe, en als iemand u den rok ontneemt,

laat hem ook den mantel?

Anna Karenina(#13214) · 第 61 / 196 题