Des vorsten goede luim was voor al zijn huisgenooten, zijn kennissen
en ook voor den Duitschen hotelhouder aanstekelijk. Toen zij van de
bron waren teruggekeerd en Marie Eugenjewna den overste en Warenka
uitgenoodigd had zich bij haar te voegen, liet de vorst een tafel
en stoelen onder den kastanjeboom in den tuin brengen en daar het
ontbijt gereed zetten. De waard en zijn dienstpersoneel leefden op
onder den indruk zijner vroolijkheid. Zij kenden zijn edelmoedigheid,
en een half uur later zag de zieke Hamburger dokter, die boven
woonde, uit zijn venster met afgunst op dat gezelschap vroolijke,
gezonde Russische menschen onder den kastanjeboom neder. Onder de
spelende schaduw van den boom zat de vorstin aan een met een wit
servet bedekte tafel, die met koffieservies, brood, boter, kaas en
koud gebraad was beladen. Haar coiffure was versierd met lila lint;
zij gaf de kopjes rond en presenteerde het brood. Tegenover haar aan
het andere eind zat de vorst, duchtig smullend, terwijl hij luid en
levendig iets vertelde. Hij had al zijn inkoopen van de reis naast
zich gelegd; gesneden kastjes, vouwbeenen van allerlei soort en andere
kleinigheden, waarvan hij een menigte had aangekocht. Ieder gaf hij
wat, ook Liesje, de dienstmeid en den hotelhouder, met wien hij in
slecht Duitsch schertste, terwijl hij hun verzekerde, dat niet de
baden, maar de voortreffelijke gerechten, vooral de pruimensoep Kitty
gezond hadden gemaakt. De vorstin bespotte haar echtgenoot om zijn
Russische eigenaardigheden, maar zij was toch zoo opgewekt en vroolijk
als zij sedert haar verblijf in de badplaats nog niet geweest was. De
overste lachte als altijd bij het schertsen van den vorst, maar,
wat de Europeesche zeden betrof, die hij meende grondig bestudeerd
te hebben, helde hij geheel naar de beschouwing der gravin over. De
goedige Marie Eugenjewna stikte bijna van lachen om des vorsten
grappen, en Warenka werd, wat Kitty nog niet bij haar bemerkt had,
telkens door een zenuwachtig, aanstekend lachen, dat de potsen van
den vorst bij haar verwekte, geheel geschokt.
Dit alles wond ook Kitty wel op, maar zij kon toch niet geheel
onbekommerd zijn. Zij kon het raadsel, dat haar vaders ironische
beschouwingen van haar vrienden en van het leven, dat zij had lief
gekregen, voor haar deed ontstaan, niet dadelijk oplossen. Allen
waren vroolijk, slechts Kitty niet, en dat kwelde haar.
"Waarvoor heb je dat alles toch gekocht?" vroeg de vorstin haar man
lachende en reikte hem een kop koffie toe.
"Nu, als men zoo ronddrentelt en toevallig in de nabijheid van een
winkel komt, dan wordt men aangeroepen om iets te koopen.
"Doorluchtigheid! Excellentie! Doorluchtigheid!" Nu, als zij
Doorluchtigheid zeggen, dan kan men toch niet anders: tien thaler
zijn weg eer men 't weet."
"Dat komt slechts door de verveling," meende de vorstin.
"Zeker, de verveling! Zulk een verveling, moedertje, dat men niet
meer weet, wat men doen zal."
"Hoe kan men zich hier nog vervelen, vorst?" vroeg Maria Eugenjewna. Er
is toch zooveel belangwekkends in Duitschland."
"Ja, al dat belangwekkende ken ik al. Ik ken de pruimensoep, de
erwtenworst ken ik, alles ken ik."
"Neen, zeg, wat je wilt; maar de Duitsche inrichtingen zijn
interressant," zeide de overste.
"Wat is er interressants? Allen zijn tevreden als de koperen
groschen. Zij hebben allen wat zij wenschen. Moet ik daarom tevreden
zijn? Ik heb niet wat ik wensch en ik weet slechts, dat ik zelf mijn
laarzen uittrekken en ze zelf achter de deur zetten moet. 's Morgens
staat men vroeg op, kleedt zich dadelijk aan, gaat naar de zitkamer
en krijgt wat slechte thee te drinken. Dan is het toch te huis geheel
anders. Men wordt wakker op zijn gemak en men heeft geen haast: men
ergert zich over een of ander, men bromt een beetje, bezint zich dan
eerst ordentelijk, overlegt alles rijpelijk en men overijlt zich niet!"
"Tijd is geld! Dat vergeet u," zeide de overste.
"Welke tijd? Er zijn tijden, waarvan men een geheele maand voor een
halven roebel zou geven, en er zijn zulke, waarvan een half uur met
geen geld te betalen is. Is dat niet zoo, Kathinka? Waarom zie jij
er uit, alsof je de verveling beet heeft?"
"Ik? Volstrekt niet, papa."
"Ik moet naar huis," zeide Warenka en stond op. Zij nam afscheid en
ging in huis om haar hoed te halen.
Kitty volgde haar. Zelfs Warenka kwam haar nu anders voor. Zij
was geen slechtere, maar een andere, dan zij zich tot hiertoe had
voorgesteld. Met de aankomst haars vaders had zich de geheele wereld,
waarin zij tot hiertoe geleefd had veranderd. Zij kon haar eigen
ervaringen niet verloochenen, maar zij besefte, dat zij zich in
zich zelf had bedrogen, toen zij meende datgene te kunnen zijn en
worden, wat zij wilde. Zij kwam tot het besef, hoe zwaar het was,
zich zonder geveinsdheid en pronkerij op de hoogte te handhaven,
waartoe zij getracht had zich te verheffen; het kwam haar nu voor,
dat deze wereld van kommer, van zieken en stervenden, waarin zij hier
geleefd had, beangstigend en nederdrukkend was; en de inspanning,
die zij had aangewend om die wereld lief te hebben, kwam haar nu
kwellend en pijnlijk voor; zij verlangde van hier weg te komen,
op reis te zijn, snel voorwaarts in de frissche lucht, terug naar
Rusland, naar Klekotok, waarheen ook Dolly met haar kinderen, zooals
zij uit haar brieven wist, was verhuisd.
Slechts haar liefde voor Warenka was niet verzwakt geworden. Toen
zij van elkander afscheid namen, drong Kitty haar, haar in Rusland
te bezoeken.
"Ik zal komen, als je getrouwd zijt." zeide Warenka.
"Ik zal nooit trouwen."
"Nu, dan kom ik ook nooit."
"Nu goed, dan zal ik trouwen, alleen opdat gij komt," antwoordde Kitty.
De voorspelling van den dokter was vervuld; Kitty keerde geheel
genezen terug. Zij was niet meer zoo zorgeloos en vroolijk als te
voren, maar zij was kalm en rustig. De Moskousche kommer en smart
was voor haar een bloote herinnering geworden.