De bizonderheden, die vorstin Tscherbatzky omtrent madame Stahl en
Warenka, alsmede omtrent haar wederzijdsche verhouding vernomen had,
waren ongeveer de volgende. Madame Stahl, van wie de een beweerde dat
zij haar man, de ander daarentegen dat hij haar bij zijn leven door
een onzedelijken levenswandel gekweld had, was immer een ziekelijke
opgewonden tot dweperij overhellende vrouw geweest. Haar eerste kind,
dat na de scheiding van haar man geboren werd, was terstond na de
geboorte gestorven. De bloedverwanten van mevrouw Stahl, die haar
prikkelbaarheid kenden en vreesden, dat de smart over het verlies
van haar kind haar zou dooden, verruilden het met een in denzelfden
nacht geboren kind van een kok, die in hetzelfde huis woonde. En dat
kind was Warenka. Toen mevrouw Stahl nu later vernam, dat Warenka
haar eigen dochter niet was, beschouwde zij haar toch als zoodanig,
te meer daar Warenka's bloedverwanten kort daarna allen stierven.
Nu vertoefde madame Stahl reeds sedert tien jaren bestendig in het
buitenland, zonder het bed weer te hebben kunnen verlaten. Sommigen
zeiden, dat madame zich in de samenleving kunstmatig de positie
eener eerzame, zeer godsdienstige vrouw had weten te verwerven,
terwijl anderen beweerden, dat zij ook werkelijk die hoogzedelijke
persoon was, die zij scheen en dat zij slechts het welzijn harer
medemenschen beoogde. Niemand kon zeggen tot welke kerk zij behoorde,
tot de Catholieke, de Protestantsche of de Grieksche; maar het was
zonder twijfel, dat zij met de aanzienlijkste hoofden en geestelijken
van alle belijdenissen in vriendschappelijke betrekking stond. Warenka
had steeds met haar in het buitenland gewoond, en allen, die madame
Stahl kenden, kenden en beminden ook mademoiselle Warenka.
Nadat de vorstin dit alles was te weten gekomen, vond zij in de
kennismaking harer dochter met Warenka niets bedenkelijks, te meer
daar deze de beste opvoeding had ontvangen; zij sprak uitmuntend
Fransch en Engelsch, en wat de hoofdzaak was, zij had de vorstin
van mevrouw Stahl een compliment overgebracht, met de betuiging,
dat deze het betreurde door haar ziekelijkheid verhinderd te zijn met
de vorstin nader bekend te worden. Kitty werd met elken dag meer met
haar vriendin ingenomen en ontdekte in haar steeds meer deugden.
Toen de vorstin vernam, dat Warenka een fraaie stem had, drong zij haar
op een avond haar te bezoeken en iets voor haar te zingen. Warenka
kwam en bracht een muziekblad mede. De vorstin had ook den overste
en Marie Eugenjewna met haar dochter uitgenoodigd. Het scheen Warenka
weinig te hinderen, dat zij hier bijna alleen onbekenden aantrof; zij
ging terstond naar de piano. Zij kon zich zelf niet accompagneeren,
maar zij zong zeer goed van het blad. Kitty, die zeer goed speelde,
moest haar begeleiden.
"Gij hebt een buitengewoon talent," zeide de vorstin, toen Warenka
het eerste lied zeer goed had gezongen. Ook Maria Eugenjewna en haar
dochter dankten en prezen haar.
"Zie eens," zeide de overste en wees naar het venster, "welk een
publiek zich daar heeft verzameld."
"Het doet me pleizier, dat het u genoegen geeft," antwoordde Warenka
eenvoudig.
Kitty zag haar vriendin met trotschheid aan. Zij was verrukt over haar
voordracht, haar stem, haar gelaat, maar vooral over haar eenvoudige
nederigheid, waardoor zij zich niets liet voorstaan op haar gave en
volkomen onverschillig scheen voor den toegedeelden lof. Zij scheen
slechts te vragen, of zij nog meer zou zingen, of dat het reeds
genoeg was.
"Was ik in haar plaats," dacht Kitty, "hoe trotsch zou ik er op zijn,
hoe zou ik me over de menigte daar voor de vensters hebben verheugd! En
zij wenschte slechts, niet te mishagen en mama genoegen te doen. Welk
een geest woont er in haar? Wat geeft haar deze kracht om steeds
zoo vrij en rustig te zijn? Dat wilde ik wel eens weten en van haar
leeren," dacht Kitty, terwijl zij Warenka's kalm gelaat beschouwde.
De vorstin verzocht Warenka nog iets te zingen, en Warenka hief een
ander lied aan; zij deed dit even kalm, juist en schoon, terwijl zij
in rechte houding met de magere, ietwat bruine hand de maat aangaf.
Het stuk, dat in het muziekboek volgde, was een Italiaansch lied. Kitty
speelde de inleiding en zag toen vragend Warenka aan. Deze bloosde
en zeide: "Dit willen we overslaan."
Kitty zag haar verwonderd aan. "Nu dan een ander," zeide zij en sloeg
haastig de bladen om. Zij had dadelijk begrepen, dat aan dit lied
een bizondere herinnering was verbonden.
"Neen," antwoordde Warenka en legde lachend haar hand op de noten,
"laten wij het maar zingen." En zij zong het even rustig vast en goed
als de andere.
Toen zij dit lied had gezongen, dankten allen haar nogmaals en toen
werd er thee gedronken. Kitty en Warenka echter gingen naar den
kleinen tuin bij het huis.
"Aan dit lied is zeker een herinnering verbonden?" vroeg Kitty. "Gij
behoeft mij niets te zeggen," haastte zij zich er bij te voegen,
"maar zeg mij slechts, of ik juist heb gegist."
"Neen, waarom zou ik het je niet vertellen?" antwoordde Warenka: "Ja,
er is een herinnering aan verbonden en die was eenmaal treurig. Ik
beminde iemand en heb het dikwijls voor hem gezongen."
Kitty zag haar zwijgend en ontroerd, met groote oogen aan.
"Ik beminde hem en hij mij, maar zijn moeder was er tegen en hij
trouwde een ander. Hij woont thans niet ver van ons en ik zie
hem somtijds. Gij hadt wel niet gedacht, dat ik ook een roman heb
gehad?" vroeg zij, en nauwelijks zichtbaar ontglom in haar schoon
gezichtje dat vuur, dat, zooals Kitty besefte, haar vroeger eenmaal
geheel moest doorgloeid hebben.
"Waarom zou ik dat niet gedacht hebben? Als ik een man was, zou ik,
als ik u eens had leeren kennen, niemand meer kunnen beminnen. Ik
begrijp maar niet, hoe hij u om zijn moeder heeft kunnen verlaten en
ongelukkig maken. Hij heeft geen hart gehad."
"O, zeg dat niet! Hij is een goed mensch en ik ben niet ongelukkig,
in tegendeel, ik ben zeer gelukkig. Maar vandaag willen we niet meer
zingen," voegde zij er bij en wendde zich naar het huis toe.
"Hoe goed zijt gij, hoe goed!" riep Kitty uit, hield haar terug en
kuste haar. "Als ik toch een beetje op u kon gelijken!"
"Waarom moet gij op iemand gelijken? Zóó als gij zijt, met uw zacht
en weemoedig lachje, zijt gij beminnelijk," antwoordde Warenka.
"Neen, ik ben nergens goed voor. Nu, ik smeek u, zeg mij ... Wacht,
laat ons gaan zitten," zeide Kitty en zette zich op een bank neder;
"zeg mij, vindt ge niets beleedigends in de gedachte, dat een man uw
liefde versmaad heeft, dat hij met ..."
"Hij heeft ze in het geheel niet versmaad; ik ben overtuigd, dat hij
mij heeft bemind, maar hij was een gehoorzame zoon...."
"Als hij nu evenwel niet uit gehoorzaamheid aan zijn moeder, maar
uit eigen aandrift ..." zeide Kitty en besefte te gelijk, dat zij
haar geheim had verraden, ten minste, dat haar schaamrood gelaat haar
nu verried.
"Dan zeker had hij slecht gehandeld en ik zou in 't geheel niets meer
voor hem gevoeld hebben," antwoordde Warenka, die begreep, dat er nu
geen sprake meer was van haar, maar van Kitty.
"Maar de beleediging," bracht Kitty in, "de beleediging kan men niet
vergeten." De herinnering aan het laatste bal, aan de pauze voor den
cotillon kwam haar weer voor oogen.
"Welke beleediging? Gij hebt toch niet slecht gehandeld?"
"O, erger dan slecht,--beschamend."
"Wat noemt gij beschamend?" vroeg zij. "Gij hebt toch niet een man,
dien gij onverschillig waart, beleden, dat ge hem bemindet!"
"Zeker niet. Ik heb geen woord daarvan gezegd, maar hij wist het
toch. Neen, neen, er zijn blikken ... er bestaat zulk een manier.... En
als ik honderd jaren leef, zal ik dat niet vergeten...."
"Hoe zit dat dan in elkander? Ik begrijp dat niet. De hoofdzaak is,
of gij hem nog bemint of niet," zeide Warenka, alles rechtuit bij
zijn naam noemende.
"Ik haat hem en zal het mij zelf niet vergeven...."
"Wat?"
"Den smaad, de beleediging."
"Ach, als allen eens zoo overgevoelig waren als gij!" zeide
Warenka. "Er is bijna geen meisje, dat zoo iets niet ondervonden
heeft. En dat alles is van zoo weinig gewicht."
"Wat is dan gewichtig?" vroeg Kitty en zag haar met nieuwsgierige
verwondering aan.
"Ach, er is zooveel meer gewichtigs," antwoordde Warenka lachend.
"Ach, zeer veel," hernam Warenka, die niet wist wat zij zeggen zoude.
Op dit oogenblik deed zich uit het venster de stem der gravin hooren:
"Kitty, het is koel! Sla een doek om of kom in huis."
"Dat is waar. Het is tijd," zeide Warenka en stond op: "Ik moet ook
madame Berthe nog bezoeken. Zij hoeft mij dit verzocht."
Kitty hield haar hand vast en met een blik van hartstochtelijk
smeeken en van nieuwsgierigheid vroeg zij: "Wat is het gewichtige,
dat ons rust geeft? Gij weet het, zeg het mij!"
Maar Warenka begreep de vraag in Kitty's blik niet. Zij was zich
slechts bewust, dat zij nog naar madame Berthe gaan en om twaalf uur
bij haar moeder voor de thee zijn moest. Zij keerde derhalve naar de
kamer terug, legde haar muziekbladen bijeen en wilde gaan.
"Mag ik u begeleiden?" vroeg de overste.
"Ja, want ge kunt in het donker toch niet alleen gaan," voegde de
vorstin er bij: "Of zal ik je de meid medegeven?"
Kitty zag, dat Warenka nauwelijks een lach kon weerhouden, omdat
iemand haar zou begeleiden.
"Neen, ik dank u; ik ga altijd alleen, en nimmer overkomt mij iets,"
antwoordde zij, terwijl zij haar hoed opzette. Toen kuste zij Kitty nog
eens, en zonder haar gezegd te hebben wat het gewichtigste is, verdween
zij met haar muziek onder den arm in de schemering van den zomeravond.