XIV.

Op den terugweg vroeg Lewin naar alle bizonderheden van Kitty's ziekte

en de tegenwoordige plannen van de Tscherbatzky's, en al wilde hij

het zich zelf niet bekennen, het was toch een groote voldoening

voor hem, vooreerst omdat er nu eensklaps weer hoop voor hem was

ontstaan, en vervolgens, omdat zij, die hem zoo zeer gekwetst had,

nu ook leed. Toen echter Oblonsky over de oorzaak van haar ziekte

begon te spreken en Wronsky's naam noemde, viel Lewin hem in de rede:

"Ik heb geen recht die familieaangelegenheden te kennen, en oprecht

gesproken, ook in het geheel geen belang daarbij." Na een oogenblik

zwijgens ging hij voort: "Zijn je onderhandelingen met Rjäbinin over

den verkoop van het bosch al afgeloopen?"

"Ja, en ik vind zijn bod zeer billijk. Acht en dertig duizend roebels;

acht duizend dadelijk en het andere in zes termijnen te betalen. Ik

moest lang met hem handelen, wij wilden geen van beiden toegeven."

"Dus, dat wil zeggen, dat ge hem het bosch zoo goed als geschonken

hebt," sprak Lewin somber.

"En waarom dan geschonken, vriendje?" vroeg Stipan Arkadiewitsch met

een goedhartig lachje, want hij wist, dat Lewin nu in een stemming

was om alles af te keuren.

"Omdat het bosch op zijn minst vijf honderd roebels per desjatine

waard is," antwoordde Lewin.

"Oho, jelui landjonkers!" spotte Stipan. "Wat zijn wij stadslui toch

dwaze menschen! Maar als er van zaken doen sprake is, dan doen wij toch

altijd de beste. Geloof maar vrij, ik heb alles nauwkeurig overwogen,

het bosch is zeer voordeelig verkocht, zoo zelfs, dat ik vrees, dat

hij zich nog zal terug trekken. Timmerhout levert het in het geheel

niet op, alleen brandhout; dit is nu hoogstens honderd zeventig roebel

de desjatine waard en hij betaalt er tweehonderd roebels voor."

Lewin lachte ironisch. "Ik ken die manier van doen van die

stedelingen," dacht hij, "elke tien jaar komen zij eenmaal buiten,

vangen dan twee of drie landelijke uitdrukkingen op, gebruiken die

vandaag goed, morgen verkeerd, en meenen dan, dat zij er alles van

weten. _Geen timmerhout; is dus hoogstens honderdzeventig roebel

waard_! Dat spreekt over zaken, waar hij in 't geheel geen verstand

van heeft." Overluid voegde hij er bij: "Ik matig mij geen oordeel aan

over dat, wat jelui daar op het gerechtshof uitvoert; is het noodig,

dan kom ik tot jelui en vraag om raad. Gij echter zijt overtuigd alles

van het boschwezen te weten. Maar geloof mij, dat is zoo eenvoudig

niet. Hebt gij de boomen geteld?"

"De boomen? zou ik die tellen?" antwoordde Stipan lachend en hoopte

Lewins slechte luim te verdrijven:

"Kan het wel tellen, het grootste verstand

De stralen der zon, aan den oever het zand...."

"Nu, Rjäbinins groot verstand kan het. Geen handelaar koopt zonder te

tellen, tenzij het hem present gegeven wordt, gelijk gij nu doet. Ik

ken uw bosch. Ieder jaar jaag ik daar; vijfhonderd is het waard,

kontant uitbetaald, en hij geeft je tweehonderd in termijnen. Gij

kunt dus rekenen, dat ge hem dertig duizend geschonken hebt."

"Kom, kom, je overdrijft," zeide Stipan, ietwat terneer

geslagen. "Waarom heeft mij dan niemand meer geboden?"

"Omdat hij die anderen omgekocht heeft; die krijgen ieder hun deel er

van. Ik heb met allen gehandeld; ik ken ze. Dat zijn geen kooplui,

het zijn afzetters, woekeraars. Onder de vijftig procent winst doen

ze geen zaken, neen, uit twintig kopeken slaat hij een roebel."

"Ach kom, houd toch op! Ge zijt slecht gehumeurd!"

"Volstrekt niet!" antwoordde Lewin stroef, en de wagen hield voor

het huis stil.

Aan den oprit stond reeds een kleine met leder en ijzer overtrokken

telega met een vleezig paard. Daarop zat een forsche, breedgeschouderde

klerk van Rjäbinin, die tegelijkertijd voor koetsier diende. Rjäbinin

zelf was in huis en wachtte de vrienden in de voorkamer af. Hij

was een lang, mager man van middelbaren leeftijd, met een snor, een

gladgeschoren, vooruitstekende kin en starende, uitpuilende oogen. Hij

droeg een langen blauw-lakenschen jas en hooge laarzen, waar hij nog

groote overschoenen over heen getrokken had. Toen de vrienden binnen

kwamen, wischte hij het gelaat met zijn zakdoek af en trok zijn jas

terecht. Na de hand ook met den zakdoek afgewischt te hebben, stak

hij die zoo aan Oblonsky toe, alsof hij iets vangen wilde.

"Kom, zijt ge daar al," sprak Stipan. "Dat is goed."

"Ik durfde het niet wagen, de bevelen van Uw Doorluchtigheid

ongehoorzaam te zijn, ofschoon de weg zeer slecht is. Ik moest positief

den geheelen weg te voet afleggen en ben toch nog op het afgesproken

uur gekomen. Constantin Dimitritsch." wendde hij zich tot Lewin en

beproefde ook diens hand te vangen, "ik heb de eer...." Maar Lewin

deed, alsof hij de uitgestoken hand niet bemerkte en nam de houtsnippen

uit de weitasch.

"Heeft het u behaagd u met de jacht te verlustigen! Hoe heet die

vogel toch?" vroeg Rjäbinin en zag met verachtelijken blik naar

de snippen. "Zullen zeker wel goed smaken?" en daarbij schudde hij

afkeurend met het hoofd, als betwijfelde hij het, of het de moeite

en kosten waard was zulk gevogelte eetbaar te maken.

"Ga in mijn kabinet," zeide Lewin stroef, "daar kunt gij alles

bespreken."

"Zeer goed, zooals u beveelt," antwoordde Rjäbinin.

Bij het binnentreden van het kabinet zag hij om zich heen, alsof hij

het kruisbeeld zocht, doch bekruiste zich niet, toen hij het gevonden

had. Hij zag met denzelfden minachtenden blik, dien hij op de snippen

geworpen had, naar de planken en kasten vol boeken en schudde weer

afkeurend het hoofd; nu gaf hij echter reeds in het geheel niet meer

toe, dat dit bezit de kosten waard was.

"Welnu? brengt gij het geld?" vroeg Oblonsky. Neem plaats."

"Aan geld ontbreekt het niet. Om u te zien en met u te spreken ben

ik gekomen."

"Waarover wilt gij dan spreken?" Neem toch plaats."

"Dat kan ik wel doen," antwoordde Rjäbinin en nam plaats.

"U moet er nog wat af doen, vorst. Het is ongehoord. Het geld ligt

al tot de laatste kopeke gereed. Aan het geld ligt het dus niet."

Lewin, die inmiddels zijn buks in de kast gehangen had, wilde de kamer

weer verlaten, maar toen hij deze woorden van den handelaar hoorde,

bleef hij staan.

"Hij is ongelukkig te laat bij mij gekomen, anders had ik den prijs

bepaald," zeide hij.

Rjäbinin stond op en nam Lewin zwijgend en met een spottend lachje

van het hoofd tot de voeten op.

"Constantin Dimitritsch is zeer gierig," zeide hij tot Stipan

Arkadiewitsch. "Men kan definitief niets van hem koopen. Ik heb tarwe

van hem gekocht, maar een prachtig stuk geld er voor moeten betalen."

"Waarom zou ik ze ook voor niets geven? Ik heb ze ook niet op straat

gevonden of gestolen."

"God beware ons. In den tegenwoordigen tijd is het stelen positief

onmogelijk, er zijn tegenwoordig definitief overal gerechten van

gezworenen. Alles is heel voornaam ingericht, van stelen is geen

sprake meer. Maar zooals ik gezegd heb, op mijn eerewoord, u vordert

te veel. Dat is geen handel. Ik verzoek u dringend er iets af te doen,

al is het ook maar een kleinigheid."

"Hebt gij de zaak dan al beklonken of nog niet?" vroeg Lewin aan

Oblonsky; "indien gij het al eens zijt, is er niets meer aan te doen,

anders koop ik uw bosch."

De lach verdween van Rjäbinins gelaat, dat nu aan een havik, een

roofdier deed denken. Vlug knoopte hij met zijn knokkelige vingers den

jas los, zoodat de stalen knoopen van zijn vest en zijn horlogeketting

zichtbaar werden en haalde een oude, dikke brieventasch te voorschijn.

"Hier is het geld! Het bosch is mijn," sprak hij, terwijl hij snel een

kruis maakte en de hand uitstak. "Neem u het geld, het bosch behoort

mij. Zoo handelt Rjäbinin, hij kibbelt niet om kopeken," sprak hij

stroef en waaide met zijn brieventasch, alsof 't een waaier was.

"Ik zou me in je plaats niet overhaasten," sprak Lewin.

"Maar ik heb mijn woord al gegeven," antwoordde Oblonsky.

Lewin verliet het vertrek en sloeg de deur achter zich toe. Rjäbinin

zag hem na en schudde het hoofd. "Zoo is de jeugd! Definitief niets

als kinderwerk! Want ik, geloof mij, ik koop alleen om de eer, opdat

men zeggen zal, dat Rjäbinin en niemand anders het bosch van vorst

Oblonsky koopt. God weet, dat ik er geen voordeel bij heb. Bij God,

dat is de waarheid. En nu verzoek ik u beleefd, laat ons schrijven

het contract...."

Een uur later besteeg de handelaar met tot aan den hals toegeknoopten

jas en het contract in den zak zijn met ijzer en leder beslagen

wagentje en reed naar huis.

"Ach, die heeren!" zeide hij tot den klerk, "de een is al even lastig

als de ander!"

"Ja, zeker," antwoordde de klerk, terwijl hij zijn heer de

teugels overgaf: "Kan ik u met deze zaak geluk wenschen, Michael

Ignatjewitsch?"

"Zoo zoo! La la!"

Anna Karenina(#13214) · 第 44 / 196 题