XIII.

Aan het bosch gekomen, bracht Lewin zijn vriend Oblonsky naar een

moerassige, geheel met mos begroeide, open plaats, liet hem daar op

den uitkijk staan, begaf zich zelf naar de overzijde van die open

plek, plaatste zich achter den stam van een berk en hield zijn geweer

gereed. De oude geoefende Laska, die hem op de hielen gevolgd was,

zette zich met gespitste ooren voor hem neder. De zon verdween achter

het bosch. In den weerschijn van het avondrood teekenden zich de

berken met hangende takken en zwellende knoppen scherp af tegen de

donkere elzen.

Uit het dichte, nog geheel met sneeuw bedekte woud kwam het water

zacht murmelend in kleine kronkelende beekjes te voorschijn. De

vogels kweelden en fladderden van den eenen boom op den anderen. Op

de niet verafgelegen hofstede van den boschwachter sloeg, bij

het rollen der wegrijdende lineika, een kleine hond aan, bleef

onophoudelijk doorkeffen en stoorde hen bij het luisteren. Als het

enkele oogenblikken stil was, vernam het ingespannen luisterend oor

het zachte ritselen van het voorjaarsloover, dat zich door het wasemen

van den grond en het groeien van het gras bewoog.

"Zie eens aan," sprak Lewin bij zich zelf, "hier hoort en ziet men

het gras groeien." Hij stond onbewegelijk stil, ving elk geluid op,

zag beurtelings naar den vochtigen, bemosten grond, naar de luisterende

Laska, naar de boomtoppen die hem omgaven en naar den met witte wolken

bedekten hemel. Een havik stond met nauwelijks merkbaren vleugelslag

hoog boven het woud, een andere vloog hem van ter zijde voorbij en

verdween. De vogels kweelden luider en luider. Niet ver van daar

schreeuwde de uil en Laska rees plotseling overeind, ging voorzichtig

een paar schreden vooruit en luisterde met zijwaarts gebogen kop. Van

over de rivier klonk de roep van den koekoek.

"Hoor, al een koekoek!" zeide Stipan van achter een struik te

voorschijn tredend.

"Ja, ik hoor het wel," antwoordde Lewin, wien het hinderlijk was de

rust van het woud met zijn eigen hem zelf onaangenaam in de ooren

klinkende stem te verstoren. "Nu zullen ze spoedig komen." Stipan

Arkadiewitsch trad weer achter de struiken terug en Lewin zag terstond

daarop een lucifer flikkeren, toen den rooden gloed van een sigaar en

een omhoog dwarrelend blauw rookwolkje. Daarna hoorde hij tweemaal

achter elkander een knik, knak: Stipan had den haan van zijn geweer

gespannen.

"Wat schreeuwt daar zoo?" vroeg Oblonsky en richtte Lewins

opmerkzaamheid op een lang gerekten, gedempten toon, die aan het

gieren van een fijne kinderstem deed denken.

"Dat kent ge niet? Wel dat is immers mijnheer Cuwaert [10]....

"Maar nu niet meer gesproken! Hoor! daar komt er al een aangevlogen,"

riep Lewin luid en legde zijn geweer aan. In de verte weerklonk een

herhaald schril geluid en na een korte, den jager zoo goed bekende

pauze, hoorde men duidelijk het krijschen. Lewin keek links en rechts

en zag plotseling recht voor zich uit, boven den top van een populair,

een vliegenden vogel. Schreeuwend vloog die recht op hem toe; hij

herkende den langen hals en snavel, en terwijl Lewin nog mikte,

flikkerde het eensklaps achter de struiken waar Oblonsky stond,

de vogel vloog als een pijl naar beneden, om terstond weer omhoog

te stijgen; weer flikkerde een straal en weerklonk een schot en

klapwiekend viel de vogel zwaar en kletsend op den vochtigen grond.

"Is het mogelijk! Misgeschoten?" riep Oblonsky, die door den rook

niet kon zien.

"Daar is hij," zeide Lewin op Laska wijzend, die met gespitste ooren

en kwispelstaartend langzaam met afgemeten schreden, als wilde hij

het genot verlengen, zijn meester de doode snip kwam brengen.

"Nu, het verheugt mij, dat het je gelukt is," voegde hij er bij,

en toch benijdde hij Oblonsky, die hem voor geweest was.

"Dat uit den rechter loop was een slecht schot," beweerde Stipan,

terwijl hij de buks op nieuw laadde.

"St. st. Daar vliegt weer wat!" En werkelijk daar weerklonk weer schel

en snel op elkander volgend geschreeuw. Twee spelende houtsnippen,

die elkander vervolgden, streken krijschend boven de hoofden der

jagers heen. Vier schoten knalden, maar vlug als de wind keerden de

vogels om en verdwenen uit het oog....

De jagers hadden een goede plaats gekozen. Stipan Arkadiewitsch velde

nog twee stuks, Lewin even zoo, maar kon een er van niet vinden. Het

werd donker. De snippen vlogen niet langer rond. Lewin echter vertoefde

nog steeds, hij wilde wachten tot Venus, die hem door de twijgen van

een berkenboom tegenblonk, boven dien boom gerezen en het sterrebeeld

van den Grooten Beer duidelijk te zien zoude zijn. Maar Venus straalde

reeds hoog boven den top uit en de Groote Beer schitterde reeds helder

aan den donkeren heuvel en nog toefde Lewin.

"Nu is het toch zeker tijd om te gaan?" vroeg Stipan Arkadiewitsch.

"Laat ons nog even wachten."

"Zooals ge wilt."

Zij stonden ongeveer vijftien schreden van elkander.

"Stiwa!" zeide Lewin eensklaps, geheel onverwacht: "Waarom vertel

je mij niet eens, of je schoonzuster al getrouwd is of wanneer ze

trouwen zal?"

Hij gevoelde zich kalm en sterk genoeg om elk antwoord te kunnen

verdragen. Maar Stipans antwoord had hij toch in het geheel niet

vermoed.

"Zij denkt en zij dacht volstrekt niet aan trouwen, maar zij is ernstig

ziek en de dokters hebben haar naar het buitenland gezonden. Men

vreest zelfs voor haar leven...."

"Wat zeg je?" riep Lewin uit: "ernstig ziek? Wat scheelt haar? Hoe

is...."

Op dat oogenblik zag Laska, de ooren spitsend, naar den hemel en

daarna keek zij haar meester verwijderd aan. "Die hebben ook den

rechten tijd tot praten uitgezocht," dacht zij. "Daarboven vliegt

ze--daar, daar is ze, waarlijk ze vergeten haar...!"

Maar plotseling weerklonk een schelle schreeuw. De beide vrienden

richtten tegelijkertijd hun buksen, twee schoten knalden en de

hoogvliegende snip streek terstond de vleugels en viel tusschen de

takken van het kreupelhout neder.

"Dat is mooi! Die komt ons allebei toe!" riep Lewin en snelde met

Laska de struiken in om de snip te zoeken. "Ja, van welk ongeluk

spraken wij daar even?" dacht hij. "Ja, Kitty is ziek.... Maar wat

er aan te doen? 't Is treurig, erg treurig.... Aha! Laska heeft

ze gevonden! Beste hond!" sprak hij den warmen vogel uit den muil

nemend. "Hij heeft ze gevonden, Stiwa," riep hij en legde de snip in

zijn bijna geheel gevulde weitasch.

Anna Karenina(#13214) · 第 43 / 196 题