XV.

De zakken wel gevuld met bankbiljetten, begaf Stipan Arkadiewitsch

zich naar boven. Hij was in de beste stemming en wilde Lewins slechte

luim ook verdrijven. Hij wenschte, dat de dag met het avondeten even

prettig eindigde als hij begonnen was.

Lewin was echter slecht gestemd, hoeveel moeite hij zich ook gaf

vriendelijk en voorkomend jegens zijn gast te zijn. De tijding, dat

Kitty nog niet getrouwd was, verbijsterde en overweldigde hem. De

dwaze verkoop van het bosch, het bedrog, waarvan Oblonsky de dupe

was geweest, en de gedachte, dat dit juist in zijn huis had moeten

gebeuren, verdroten hem.

"Zoo, ben je klaar?" sprak hij den binnentredenden Oblonsky aan:

"zoudt ge nu het avondeten niet willen gebruiken?"

"Dat lijkt mij goed toe! 't Is verwonderlijk, welk een eetlust ik

hier buiten heb! Waarom heb je Rjäbinin niets gepresenteerd?"

"De duivel hale hem!"

"'t Is erg zooals ge met hem omgaat! ge hebt hem niet eens de hand

gereikt. Waarom zou men hem de hand niet geven?"

"Ik steek ze mijn knecht ook niet toe, en die is honderd maal beter

dan hij."

"Gij zijt een reactionnair! Waar blijft dan de gelijkstelling van

alle standen?"

"Wie dat gaarne wil, mag zich gelijk stellen, wel bekome het hem! Mij

stuit het tegen de borst."

"Ik zeg, dat ge een volbloed reactionnair zijt."

"Zoo? waarlijk? Ik heb er nooit over nagedacht, wat ik ben. Ik ben

Constantin Lewin, verder niets."

"Constantin Lewin, die slecht geluimd is," antwoordde Oblonsky

glimlachend.

"Nu ja, ik ben een beetje korzelig, maar waarom? Neem mij niet kwalijk:

om je dommen verkoop...."

Stipan Arkadiewitsch maakte een gebaar, als iemand, die onschuldig

beleedigd is geworden.

"Laat dat nu maar rusten!" sprak hij. "Wanneer is dat ooit anders

geweest? Heeft men iets verkocht, dan is het altijd: 'Het was veel

meer waard geweest,' en toch wilde niemand er meer voor geven.... Nu,

ik begrijp het wel, je hebt iets tegen dien armen Rjäbinin."

"Wel mogelijk. Maar waarom? Gij zult mij misschien een reactionnair

of iets dergelijks noemen--maar het doet mij pijnlijk aan, als ik de

allerwege om zich grijpende verarming van den adel zie, waartoe ook

ik behoor, en waartoe te behooren ik mij, ondanks alle gelijkstelling

der standen, zeer verheug. En deze verarming is geen gevolg van te

groote weelde--dan was het niets, want het is een plicht van den

adel voornaam te leven en adellijken alleen kunnen dat. Alom koopen

de boeren veel goederen op. Daar zie ik ook niets in. De voorname

heer acht zich te hoog iets te doen, de boer werkt en verdringt

den luiaard. Dat is juist zooals het behoort. Maar het grieft mij,

wanneer ik zie, dat de verarming dikwijls het gevolg is van, nu, ik

zal maar zeggen: onnoozelheid. Hier koopt een Poolsche pachter van

een dame, die te Nizza leeft, een prachtig landgoed voor den halven

prijs; ginds wordt een akker, die tien roebels waard is, voor een

roebel verpacht, en gij schenkt vandaag hier, zonder eenigen grond,

dertigduizend aan een aartsschelm...."

"Ja nu! moet men dan elken boom rekenen?"

"Zeer zeker moet men rekenen. Gij deedt het niet, maar Rjäbinin

heeft het wel gedaan. Zijn kinderen zullen de middelen voor een

goede opvoeding en een zorgeloos leven bezitten, terwijl de uwen dat

misschien niet zullen hebben...."

"Nu, nu! Neem me niet kwalijk, maar rekenen is een miserabel

werk. Wij hebben onze bezigheden, zij de hunne. Zij moeten ook wat

verdienen. Maar kom! de zaak is bovendien nu uitgemaakt. Ha! daar zijn

spiegeleieren, mijn lievelingskostje! En nu zal Agasija Michailowna

ons ook nog wel wat van haar overheerlijken kruidendrank geven...."

Stipan Arkadiewitsch zette zich aan tafel en begon met Agasija te

schertsen, terwijl hij haar verzekerde, dat hij zulk een souper in

lang niet genoten had.

"U prijst ten minste nog eens iets," sprak Agasija, "maar Constantin

Dimitritsch, dien kan men geven, wat men wil, al was het een droge

korst brood: hij eet ze op en gaat weer weg."

Hoeveel moeite Lewin zich ook gaf om zich te beheerschen, het gelukte

hem niet; hij bleef stroef en stil. Hij wilde Stipan iets vragen, maar

kon er niet toe komen; hij vond misschien geen geschikt oogenblik

of geen passenden vorm. Stipan Arkadiewitsch was reeds weer naar

beneden gegaan, had zich gewasschen, omgekleed en te bed gelegd,

terwijl Lewin nog steeds bij hem bleef, het vertrek op en neer liep

en over allerlei onverschillige dingen met hem sprak, maar nog altijd

niet in staat was hem datgene te vragen, wat hij op het hart had.

"Wat maakt men die zeep tegenwoordig toch mooi!" zeide hij een

pakket welriekende zeep loswikkelend; "zie, dat is toch waarlijk

een kunstwerk!"

"Ja, tegenwoordig is alles volmaakt!" antwoordde Stipan, sterk

en tevreden geeuwend. "Daar heb je bij voorbeeld de schouwburgen

en ontspanningslokalen.... Ah, ha, ha!" geeuwde hij:... "Overal

electrische verlichting ... ah, ha, ha!"

"Ja, electrisch licht...." zeide Lewin. "Ja.... Maar zeg mij eens, waar

is Wronsky tegenwoordig?" vroeg hij plotseling en legde de zeep neder.

"Wronsky?" vroeg Oblonsky, zijn geeuwen inhoudend, "die is te

Petersburg. Is spoedig na je vertrek afgereisd en was sinds dien tijd

geen enkele maal te Moskou. Weet je, Kostja, ik wil je de waarheid

zeggen." voegde hij er bij zich half oprichtend en op het bedtafeltje

leunend en Lewin met zijn goedige oogen slaperig aanstarende: "Gij

hebt het je zelf te wijten. Ge hadt alle hindernissen het hoofd moeten

bieden.... Ik heb je toen al gezegd...." Hij geeuwde zonder den mond

te openen, alleen met de kinnebakken.

"Zou hij wat van mijn aanzoek weten of niet?" dacht Lewin hem

scherp waarnemend. "Er ligt iets schuws, iets diplomatisch in zijn

gezicht!" en gevoelend, dat hij rood werd, zag hij Stipan zwijgend

en openhartig in de oogen.

"Als er destijds iets met haar bestond," ging Oblonsky voort "dan was

het eigenlijk maar zeer oppervlakkig. Zijn innemende aristocratische

persoonlijkheid en zijn toekomstige positie in de wereld werkten niet

zoozeer op haar, als wel op moeder...."

Lewins gelaat betrok. De oude wond in zijn hart deed hem weer

even veel pijn, als toen hij ze pas had ontvangen. "Wacht eens,

wacht eens!" zeide hij, Oblonsky in de rede vallend, "gij zegt

zijn aristocratische persoonlijkheid. Met je verlof, waarin vindt

gij dat aristocratische van Wronsky of iemand anders, dat hun het

recht kon geven mij lager te stellen? Gij houdt Wronsky voor een

aristocraat. Een man, wiens vader zich alleen door intrigues in de

hoogte gewerkt heeft, en wiens moeder God weet met wie al liaisons

gehad heeft.... Neen, neem mij niet kwalijk! Tot de aristocraten

reken ik mij zelf en mijns gelijken, die tot drie of vier generaties

in hun geslacht kunnen terugzien, die zich nooit voor iemand hebben

vernederd, die nooit iemand noodig hadden, menschen, zooals mijn

vader en mijn grootvader. Gij acht het beneden je om, zooals ik doe,

de boomen in het bosch te tellen en gij schenkt dertigduizend aan

Rjäbinin, maar gij zult een vast jaargeld en ik weet niet wat nog al

meer ontvangen. Daar heb ik niet op te rekenen en daarom houd ik dat,

wat ik geërfd heb en dat, wat ik daarbij verwerf, beide evenzeer in

waarde.... Wij zijn de aristocraten, maar niet diegenen, die niet

zonder de aalmoezen van de grooten der wereld kunnen bestaan en die

men voor twintig kopeken overal kan koopen."

"Van wie spreekt ge toch eigenlijk? Ik ben het immers geheel met je

eens!" zeide Stipan vroolijk en oprecht, hoewel hij gevoelde, dat Lewin

ook hem onder diegenen telde, die voor twintig kopeken te koop waren,

maar Lewins opbruisende natuur maakte werkelijk indruk op hem. "Op

wien scheldt ge toch eigenlijk? Al is ook veel, van wat ge van Wronsky

zegt, niet waar, zoo spreek ik het tóch in het geheel niet tegen. Ik

zeg je echter ronduit, dat ik in je plaats naar Moskou zou gaan en...."

"Neen, neen! Ik weet niet, of gij er iets van weet of niet--dat is

mij ook onverschillig; zie, ik heb haar gevraagd en ben afgewezen, en

Catharina Alexandrowna is nu niets meer voor mij als een beschamende

herinnering."

"Waarom? Onzin!"

"Laat ons daar niet meer over spreken." verzocht Lewin; "vergeef mij,

indien ik grof tegen je was. Ge zijt toch niet boos, Stiwa? Kom, wees

niet boos op me," zeide hij vriendelijk en drukte hem de hand. Nu hij

zijn hart eens lucht had gegeven, was hij weer in dezelfde stemming

als des voormiddags.

"Ik ben in het geheel niet boos, in het minst niet; ik heb daar ook

geen reden voor. Ik ben blijde, dat we eens vertrouwelijk gesproken

hebben. Maar weet je, die plaats in het bosch moet 's morgens vroeg

al zeer goed zijn. Zullen we er heen rijden? Dan zou ik vroeg opstaan

en van het jachtterrein onmiddellijk naar het station kunnen rijden."

"Dat is best!"

Anna Karenina(#13214) · 第 45 / 196 题