De zakken wel gevuld met bankbiljetten, begaf Stipan Arkadiewitsch
zich naar boven. Hij was in de beste stemming en wilde Lewins slechte
luim ook verdrijven. Hij wenschte, dat de dag met het avondeten even
prettig eindigde als hij begonnen was.
Lewin was echter slecht gestemd, hoeveel moeite hij zich ook gaf
vriendelijk en voorkomend jegens zijn gast te zijn. De tijding, dat
Kitty nog niet getrouwd was, verbijsterde en overweldigde hem. De
dwaze verkoop van het bosch, het bedrog, waarvan Oblonsky de dupe
was geweest, en de gedachte, dat dit juist in zijn huis had moeten
gebeuren, verdroten hem.
"Zoo, ben je klaar?" sprak hij den binnentredenden Oblonsky aan:
"zoudt ge nu het avondeten niet willen gebruiken?"
"Dat lijkt mij goed toe! 't Is verwonderlijk, welk een eetlust ik
hier buiten heb! Waarom heb je Rjäbinin niets gepresenteerd?"
"De duivel hale hem!"
"'t Is erg zooals ge met hem omgaat! ge hebt hem niet eens de hand
gereikt. Waarom zou men hem de hand niet geven?"
"Ik steek ze mijn knecht ook niet toe, en die is honderd maal beter
dan hij."
"Gij zijt een reactionnair! Waar blijft dan de gelijkstelling van
alle standen?"
"Wie dat gaarne wil, mag zich gelijk stellen, wel bekome het hem! Mij
stuit het tegen de borst."
"Ik zeg, dat ge een volbloed reactionnair zijt."
"Zoo? waarlijk? Ik heb er nooit over nagedacht, wat ik ben. Ik ben
Constantin Lewin, verder niets."
"Constantin Lewin, die slecht geluimd is," antwoordde Oblonsky
glimlachend.
"Nu ja, ik ben een beetje korzelig, maar waarom? Neem mij niet kwalijk:
om je dommen verkoop...."
Stipan Arkadiewitsch maakte een gebaar, als iemand, die onschuldig
beleedigd is geworden.
"Laat dat nu maar rusten!" sprak hij. "Wanneer is dat ooit anders
geweest? Heeft men iets verkocht, dan is het altijd: 'Het was veel
meer waard geweest,' en toch wilde niemand er meer voor geven.... Nu,
ik begrijp het wel, je hebt iets tegen dien armen Rjäbinin."
"Wel mogelijk. Maar waarom? Gij zult mij misschien een reactionnair
of iets dergelijks noemen--maar het doet mij pijnlijk aan, als ik de
allerwege om zich grijpende verarming van den adel zie, waartoe ook
ik behoor, en waartoe te behooren ik mij, ondanks alle gelijkstelling
der standen, zeer verheug. En deze verarming is geen gevolg van te
groote weelde--dan was het niets, want het is een plicht van den
adel voornaam te leven en adellijken alleen kunnen dat. Alom koopen
de boeren veel goederen op. Daar zie ik ook niets in. De voorname
heer acht zich te hoog iets te doen, de boer werkt en verdringt
den luiaard. Dat is juist zooals het behoort. Maar het grieft mij,
wanneer ik zie, dat de verarming dikwijls het gevolg is van, nu, ik
zal maar zeggen: onnoozelheid. Hier koopt een Poolsche pachter van
een dame, die te Nizza leeft, een prachtig landgoed voor den halven
prijs; ginds wordt een akker, die tien roebels waard is, voor een
roebel verpacht, en gij schenkt vandaag hier, zonder eenigen grond,
dertigduizend aan een aartsschelm...."
"Ja nu! moet men dan elken boom rekenen?"
"Zeer zeker moet men rekenen. Gij deedt het niet, maar Rjäbinin
heeft het wel gedaan. Zijn kinderen zullen de middelen voor een
goede opvoeding en een zorgeloos leven bezitten, terwijl de uwen dat
misschien niet zullen hebben...."
"Nu, nu! Neem me niet kwalijk, maar rekenen is een miserabel
werk. Wij hebben onze bezigheden, zij de hunne. Zij moeten ook wat
verdienen. Maar kom! de zaak is bovendien nu uitgemaakt. Ha! daar zijn
spiegeleieren, mijn lievelingskostje! En nu zal Agasija Michailowna
ons ook nog wel wat van haar overheerlijken kruidendrank geven...."
Stipan Arkadiewitsch zette zich aan tafel en begon met Agasija te
schertsen, terwijl hij haar verzekerde, dat hij zulk een souper in
lang niet genoten had.
"U prijst ten minste nog eens iets," sprak Agasija, "maar Constantin
Dimitritsch, dien kan men geven, wat men wil, al was het een droge
korst brood: hij eet ze op en gaat weer weg."
Hoeveel moeite Lewin zich ook gaf om zich te beheerschen, het gelukte
hem niet; hij bleef stroef en stil. Hij wilde Stipan iets vragen, maar
kon er niet toe komen; hij vond misschien geen geschikt oogenblik
of geen passenden vorm. Stipan Arkadiewitsch was reeds weer naar
beneden gegaan, had zich gewasschen, omgekleed en te bed gelegd,
terwijl Lewin nog steeds bij hem bleef, het vertrek op en neer liep
en over allerlei onverschillige dingen met hem sprak, maar nog altijd
niet in staat was hem datgene te vragen, wat hij op het hart had.
"Wat maakt men die zeep tegenwoordig toch mooi!" zeide hij een
pakket welriekende zeep loswikkelend; "zie, dat is toch waarlijk
een kunstwerk!"
"Ja, tegenwoordig is alles volmaakt!" antwoordde Stipan, sterk
en tevreden geeuwend. "Daar heb je bij voorbeeld de schouwburgen
en ontspanningslokalen.... Ah, ha, ha!" geeuwde hij:... "Overal
electrische verlichting ... ah, ha, ha!"
"Ja, electrisch licht...." zeide Lewin. "Ja.... Maar zeg mij eens, waar
is Wronsky tegenwoordig?" vroeg hij plotseling en legde de zeep neder.
"Wronsky?" vroeg Oblonsky, zijn geeuwen inhoudend, "die is te
Petersburg. Is spoedig na je vertrek afgereisd en was sinds dien tijd
geen enkele maal te Moskou. Weet je, Kostja, ik wil je de waarheid
zeggen." voegde hij er bij zich half oprichtend en op het bedtafeltje
leunend en Lewin met zijn goedige oogen slaperig aanstarende: "Gij
hebt het je zelf te wijten. Ge hadt alle hindernissen het hoofd moeten
bieden.... Ik heb je toen al gezegd...." Hij geeuwde zonder den mond
te openen, alleen met de kinnebakken.
"Zou hij wat van mijn aanzoek weten of niet?" dacht Lewin hem
scherp waarnemend. "Er ligt iets schuws, iets diplomatisch in zijn
gezicht!" en gevoelend, dat hij rood werd, zag hij Stipan zwijgend
en openhartig in de oogen.
"Als er destijds iets met haar bestond," ging Oblonsky voort "dan was
het eigenlijk maar zeer oppervlakkig. Zijn innemende aristocratische
persoonlijkheid en zijn toekomstige positie in de wereld werkten niet
zoozeer op haar, als wel op moeder...."
Lewins gelaat betrok. De oude wond in zijn hart deed hem weer
even veel pijn, als toen hij ze pas had ontvangen. "Wacht eens,
wacht eens!" zeide hij, Oblonsky in de rede vallend, "gij zegt
zijn aristocratische persoonlijkheid. Met je verlof, waarin vindt
gij dat aristocratische van Wronsky of iemand anders, dat hun het
recht kon geven mij lager te stellen? Gij houdt Wronsky voor een
aristocraat. Een man, wiens vader zich alleen door intrigues in de
hoogte gewerkt heeft, en wiens moeder God weet met wie al liaisons
gehad heeft.... Neen, neem mij niet kwalijk! Tot de aristocraten
reken ik mij zelf en mijns gelijken, die tot drie of vier generaties
in hun geslacht kunnen terugzien, die zich nooit voor iemand hebben
vernederd, die nooit iemand noodig hadden, menschen, zooals mijn
vader en mijn grootvader. Gij acht het beneden je om, zooals ik doe,
de boomen in het bosch te tellen en gij schenkt dertigduizend aan
Rjäbinin, maar gij zult een vast jaargeld en ik weet niet wat nog al
meer ontvangen. Daar heb ik niet op te rekenen en daarom houd ik dat,
wat ik geërfd heb en dat, wat ik daarbij verwerf, beide evenzeer in
waarde.... Wij zijn de aristocraten, maar niet diegenen, die niet
zonder de aalmoezen van de grooten der wereld kunnen bestaan en die
men voor twintig kopeken overal kan koopen."
"Van wie spreekt ge toch eigenlijk? Ik ben het immers geheel met je
eens!" zeide Stipan vroolijk en oprecht, hoewel hij gevoelde, dat Lewin
ook hem onder diegenen telde, die voor twintig kopeken te koop waren,
maar Lewins opbruisende natuur maakte werkelijk indruk op hem. "Op
wien scheldt ge toch eigenlijk? Al is ook veel, van wat ge van Wronsky
zegt, niet waar, zoo spreek ik het tóch in het geheel niet tegen. Ik
zeg je echter ronduit, dat ik in je plaats naar Moskou zou gaan en...."
"Neen, neen! Ik weet niet, of gij er iets van weet of niet--dat is
mij ook onverschillig; zie, ik heb haar gevraagd en ben afgewezen, en
Catharina Alexandrowna is nu niets meer voor mij als een beschamende
herinnering."
"Waarom? Onzin!"
"Laat ons daar niet meer over spreken." verzocht Lewin; "vergeef mij,
indien ik grof tegen je was. Ge zijt toch niet boos, Stiwa? Kom, wees
niet boos op me," zeide hij vriendelijk en drukte hem de hand. Nu hij
zijn hart eens lucht had gegeven, was hij weer in dezelfde stemming
als des voormiddags.
"Ik ben in het geheel niet boos, in het minst niet; ik heb daar ook
geen reden voor. Ik ben blijde, dat we eens vertrouwelijk gesproken
hebben. Maar weet je, die plaats in het bosch moet 's morgens vroeg
al zeer goed zijn. Zullen we er heen rijden? Dan zou ik vroeg opstaan
en van het jachtterrein onmiddellijk naar het station kunnen rijden."
"Dat is best!"