Toen Lewin in de beste stemming zijn woning naderde, hoorde hij een
slede met schelletjes van den straatweg komen.
"He, daar komt iemand van den trein," dacht hij. "Om dezen tijd komt
de Moskouer trein aan.... Wie kan dat zijn?" Hij gaf zijn paard de
sporen en toen hij uit de acaciaboschjes van den tuin te voorschijn
trad, zag hij een met drie paarden bespannen voertuig, waarin een in
zijn pels gewikkeld heer zat, den straatweg afkomen.
"Ha! dat is een aangename gast, daar ben ik mede in mijn schik!" riep
hij uit, toen hij Stipan Arkadiewitsch herkende. "Nu zal ik ook stellig
vernemen, wanneer zij getrouwd is of trouwen zal," dacht hij. En op
dezen heerlijken lentedag veroorzaakte de herinnering aan haar hem
in het geheel geen smart.
"Nu had je me toch in het geheel niet verwacht, niet waar?" vroeg
Stipan en steeg uit de slede met een modderspatje op de wang en
boven de wenkbrauwen, maar overigens met een glans van frischheid en
genoegen op het gelaat. "In de eerste plaats brandde ik van verlangen
je eens weer te zien," sprak hij, en omhelsde Lewin; "ten tweede zou
ik wel eens met je willen jagen, en ten derde wil ik het bosch te
Egorschewo verkoopen."
"Nu, dat is heerlijk! Wat zeg je van zulk een lentedag? Hoe ben je
er nog met je slede doorgekomen?"
"Met het rijtuig zou het nog slechter gegaan zijn, Constantin
Dimitritsch," antwoordde de hem bekende koetsier.
Lewin bracht zijn gast naar de logeerkamer, waar de elegante bagage
van Stiwa, een reistasch, buks en sigarenkist, reeds gebracht waren en
terwijl hij hem alleen liet om zich te wasschen en te verkleeden, ging
hij zelf naar zijn kantoor om bestellingen voor zijn landbouwbedrijf
te doen, volgens de plannen, die hij zich onder het naar huis rijden
gevormd had.
Agasija Michailowna, die altijd zeer bezorgd was om de eer van het
huis op te houden, wachtte hem in de voorkamer op om met hem over
het middageten te beraadslagen.
"Kook wat ge wilt, maar vlug, hoor," antwoordde hij en ging door naar
den opzichter.
Toen hij terugkwam, verscheen Stipan Arkadiewitsch keurig gekleed en
gekapt in de deur. Beiden gingen naar boven.
"Wat ben ik blij, dat ik je gevonden heb. Nu zal ik toch eens achter
al die geheimen komen, die je hier bezig houden.--Neen, waarlijk! ik
benijd je.--Welk een huis! Hoe prettig is hier alles! Helder en
vriendelijk!" sprak Stipan, geheel vergetend, dat het niet altijd
lente en niet elken dag zoo helder en zonnig was. "En wat heb je een
beste huishoudster, ofschoon een aardig kamermeisje met een klein
schortje toch nog wel zoo verkieselijk zou zijn; maar bij je strenge
zeden en het kloosterleven, dat je leidt, is het zoo ook heel mooi."
Stipan vertelde hem vele belangrijke nieuwtjes, maar sprak met
geen enkel woord over Kitty Tscherbatzky. Alleen van zijn vrouw
bracht hij hem de groete over. Lewin was hem zeer dankbaar voor
die kieschheid en verheugde zich zeer over de aanwezigheid van zijn
gast. Gedurende den tijd zijner eenzaamheid hadden zich vele gedachten
en gewaarwordingen bij hem opgehoopt, die hij aan niemand had kunnen
mededeelen, en nu stortte hij die alle over Stipan Arkadiewitsch
uit: zijn poëtische lenteontboezemingen, zijn plannen en mislukte
uitkomsten op landhuishoudkundig gebied, zijn opmerkingen over de
door hem gelezen boeken en bovenal de gronddenkbeelden van zijn
eigen schriftelijke opstellen, welker hoofdinhoud, zonder dat hij
zelf daar het minste vermoeden van had, een uittreksel uit alle
mogelijke landhuishoudkundige boeken was. Stipan, die alles bij het
eerste woord terstond begreep, was bizonder voorkomend en luisterde
met een uitdrukking vol achting en ingenomenheid op het gelaat,
die Lewin kennelijk goed deed.
Door de vereenigde krachten van Agasija Michailowna en den kok konden
de beide hongerige vrienden zich weldra te goed doen aan boterhammen,
ganzebout en gezouten champignons. Hoewel Stipan Arkadiewitsch
andere diners gewoon was, vond hij alles voortreffelijk: den
kruidenbrandewijn, de boter, het brood, vooral den ganzebout, de
champignons, de soep met pastijtjes, het hoen in de witte sous en
den witten wijn uit de Krim.
"Heerlijk, overheerlijk!" zeide hij en stak na het gebraad een stevige
sigaar op. "'t Is of ik uit het geraas en gestommel van een stoomboot
hier aan een stillen oever...."
Op dat oogenblik trad Agasija Michailowna met ingemaakte vruchten
binnen.
"Ach, Agasija Michailowna," zeide Stipan en kuste de toppen zijner
dikke vingers, "wat hebt ge ons een heerlijken ganzebout gebracht! Welk
een brandewijn!... Maar zeg, Kostja," wendde hij zich tot Lewin,
"is het al niet zoo zachtjes aan tijd geworden?"
Lewin zag het venster uit naar de ondergaande zon, die achter de nog
kale toppen van het woud begon te verdwijnen.
"Ja waarlijk, het is tijd," riep hij uit en sprong op; "Kosma, laat
de lineika [9] inspannen," en toen ijlde hij naar beneden.
Toen Stipan Arkadiewitsch ook beneden gekomen was, nam hij eigenhandig
den doek van een gelakt kistje en, nadat hij dit geopend had, zette
hij zijn prachtig jachtgeweer van de nieuwste constructie in elkander.
Kosma, een goed drinkgeld in het geschiet ziende, week niet van
Stipans zijde en trok hem de laarzen en overschoenen aan, hetgeen
deze ook gewillig doen liet.
"Hoor eens, Kostja, als Rjäbinin de makelaar komt, laat hem dan
binnenkomen en op mij wachten."
"Wilt ge het bosch dan aan Rjäbinin verkoopen?"
"Ja kent gij hem?"
"Of ik hem ken! Ik heb ook al eens zaken met hem gedaan, positief
en definitief."
Stipan lachte. "Positief en definitief" waren lievelingsuitdrukkingen
van den handelsman.
"Ja, hij redeneert heel kluchtig. Kijk eens hier! Hij begrijpt,
waar zijn heer heen wil," voegde hij er bij en streelde Laska, die
zich zachtjes jankend tegen zijn heer aanvleide en nu eens zijn hand,
dan weer de laarzen en de buks besnuffelde.
De lineika hield reeds voor de deur stil, toen zij naar buiten gingen.
"Het is wel niet ver, we zouden hebben kunnen loopen, maar ik heb
toch maar laten inspannen."
"Ja, rijden is beter," sprak Stipan en nam plaats in het voertuig. Hij
wikkelde zijn voeten in een tijgervel en stak een sigaar op.
"Hoe is het toch mogelijk, dat ge niet rookt. Een sigaar is
niet slechts een genot, maar de kroon van het genot. Dit is een
leventje! Heerlijk! Zoo zou ik altijd willen leven!"
"En wat verhindert je het te doen?" vroeg Lewin glimlachend.
"Neen, gij zijt een gelukkig mensch. Ge hebt alles waar je van
houdt. Ge houdt van paarden en je hebt ze, ge hebt honden en een
jachtveld en je landgoed."
"Misschien ben ik slechts daarom gelukkig, omdat ik met hetgeen ik
heb tevreden ben en mij niet ongelukkig gevoel door het gemis van
hetgeen ik niet bezit," antwoordde Lewin en dacht daarbij aan Kitty.
Stipan bemerkte dit, zag hem aan, maar zeide niets.
Lewin was hem daar wel dankbaar voor, en toch had hij gaarne iets
van haar vernomen, maar durfde er niet over beginnen.
"Nu, hoe staat het toch met je eigen aangelegenheden, die van je hart,
wel te verstaan?" vroeg hij schertsend.
Stipans oogen glinsterden vroolijk.
"Gij wilt toch niet aannemen, dat men veel van een kalatsch kan
houden, als men zeker recht op iets anders heeft. Gij noemt dat een
vergrijp. Voor mij is een leven zonder liefde geen leven. Ik ben nu
eenmaal zoo geschapen. En men doet daar toch waarlijk niemand kwaad
mede, men doet zich zelf alleen goed...."
"Dus al weer een nieuwe liaison?" vroeg Lewin.
"Wat hebt gij daar mee noodig? Zeg, ken je de vrouwengestalten van
Ossian? Vrouwen, die men in den droom ziet.... Zulke vrouwen zijn
er.... Dat zijn verschrikkelijke vrouwen. Die vrouwen, ja, 't is wat
te zeggen, men vindt aan haar altijd weer wat nieuws en aantrekkelijks,
maar hoe meer men ze bestudeert...."
"Daarom is het beter, dat men ze niet bestudeert."
"Neen, ik weet niet, welk groot man eens gezegd heeft, dat het
eigenlijk levensgenot niet bestaat in het vinden van de waarheid,
maar in het zoeken daarnaar...."
Lewin zweeg. Met den besten wil van de wereld kon hij zich toch
niet genoeg in zijn vriends zielstoestand verplaatsen om diens
gewaarwordingen en diens genot in de studie der vrouwen te begrijpen.