XII.

Toen Lewin in de beste stemming zijn woning naderde, hoorde hij een

slede met schelletjes van den straatweg komen.

"He, daar komt iemand van den trein," dacht hij. "Om dezen tijd komt

de Moskouer trein aan.... Wie kan dat zijn?" Hij gaf zijn paard de

sporen en toen hij uit de acaciaboschjes van den tuin te voorschijn

trad, zag hij een met drie paarden bespannen voertuig, waarin een in

zijn pels gewikkeld heer zat, den straatweg afkomen.

"Ha! dat is een aangename gast, daar ben ik mede in mijn schik!" riep

hij uit, toen hij Stipan Arkadiewitsch herkende. "Nu zal ik ook stellig

vernemen, wanneer zij getrouwd is of trouwen zal," dacht hij. En op

dezen heerlijken lentedag veroorzaakte de herinnering aan haar hem

in het geheel geen smart.

"Nu had je me toch in het geheel niet verwacht, niet waar?" vroeg

Stipan en steeg uit de slede met een modderspatje op de wang en

boven de wenkbrauwen, maar overigens met een glans van frischheid en

genoegen op het gelaat. "In de eerste plaats brandde ik van verlangen

je eens weer te zien," sprak hij, en omhelsde Lewin; "ten tweede zou

ik wel eens met je willen jagen, en ten derde wil ik het bosch te

Egorschewo verkoopen."

"Nu, dat is heerlijk! Wat zeg je van zulk een lentedag? Hoe ben je

er nog met je slede doorgekomen?"

"Met het rijtuig zou het nog slechter gegaan zijn, Constantin

Dimitritsch," antwoordde de hem bekende koetsier.

Lewin bracht zijn gast naar de logeerkamer, waar de elegante bagage

van Stiwa, een reistasch, buks en sigarenkist, reeds gebracht waren en

terwijl hij hem alleen liet om zich te wasschen en te verkleeden, ging

hij zelf naar zijn kantoor om bestellingen voor zijn landbouwbedrijf

te doen, volgens de plannen, die hij zich onder het naar huis rijden

gevormd had.

Agasija Michailowna, die altijd zeer bezorgd was om de eer van het

huis op te houden, wachtte hem in de voorkamer op om met hem over

het middageten te beraadslagen.

"Kook wat ge wilt, maar vlug, hoor," antwoordde hij en ging door naar

den opzichter.

Toen hij terugkwam, verscheen Stipan Arkadiewitsch keurig gekleed en

gekapt in de deur. Beiden gingen naar boven.

"Wat ben ik blij, dat ik je gevonden heb. Nu zal ik toch eens achter

al die geheimen komen, die je hier bezig houden.--Neen, waarlijk! ik

benijd je.--Welk een huis! Hoe prettig is hier alles! Helder en

vriendelijk!" sprak Stipan, geheel vergetend, dat het niet altijd

lente en niet elken dag zoo helder en zonnig was. "En wat heb je een

beste huishoudster, ofschoon een aardig kamermeisje met een klein

schortje toch nog wel zoo verkieselijk zou zijn; maar bij je strenge

zeden en het kloosterleven, dat je leidt, is het zoo ook heel mooi."

Stipan vertelde hem vele belangrijke nieuwtjes, maar sprak met

geen enkel woord over Kitty Tscherbatzky. Alleen van zijn vrouw

bracht hij hem de groete over. Lewin was hem zeer dankbaar voor

die kieschheid en verheugde zich zeer over de aanwezigheid van zijn

gast. Gedurende den tijd zijner eenzaamheid hadden zich vele gedachten

en gewaarwordingen bij hem opgehoopt, die hij aan niemand had kunnen

mededeelen, en nu stortte hij die alle over Stipan Arkadiewitsch

uit: zijn poëtische lenteontboezemingen, zijn plannen en mislukte

uitkomsten op landhuishoudkundig gebied, zijn opmerkingen over de

door hem gelezen boeken en bovenal de gronddenkbeelden van zijn

eigen schriftelijke opstellen, welker hoofdinhoud, zonder dat hij

zelf daar het minste vermoeden van had, een uittreksel uit alle

mogelijke landhuishoudkundige boeken was. Stipan, die alles bij het

eerste woord terstond begreep, was bizonder voorkomend en luisterde

met een uitdrukking vol achting en ingenomenheid op het gelaat,

die Lewin kennelijk goed deed.

Door de vereenigde krachten van Agasija Michailowna en den kok konden

de beide hongerige vrienden zich weldra te goed doen aan boterhammen,

ganzebout en gezouten champignons. Hoewel Stipan Arkadiewitsch

andere diners gewoon was, vond hij alles voortreffelijk: den

kruidenbrandewijn, de boter, het brood, vooral den ganzebout, de

champignons, de soep met pastijtjes, het hoen in de witte sous en

den witten wijn uit de Krim.

"Heerlijk, overheerlijk!" zeide hij en stak na het gebraad een stevige

sigaar op. "'t Is of ik uit het geraas en gestommel van een stoomboot

hier aan een stillen oever...."

Op dat oogenblik trad Agasija Michailowna met ingemaakte vruchten

binnen.

"Ach, Agasija Michailowna," zeide Stipan en kuste de toppen zijner

dikke vingers, "wat hebt ge ons een heerlijken ganzebout gebracht! Welk

een brandewijn!... Maar zeg, Kostja," wendde hij zich tot Lewin,

"is het al niet zoo zachtjes aan tijd geworden?"

Lewin zag het venster uit naar de ondergaande zon, die achter de nog

kale toppen van het woud begon te verdwijnen.

"Ja waarlijk, het is tijd," riep hij uit en sprong op; "Kosma, laat

de lineika [9] inspannen," en toen ijlde hij naar beneden.

Toen Stipan Arkadiewitsch ook beneden gekomen was, nam hij eigenhandig

den doek van een gelakt kistje en, nadat hij dit geopend had, zette

hij zijn prachtig jachtgeweer van de nieuwste constructie in elkander.

Kosma, een goed drinkgeld in het geschiet ziende, week niet van

Stipans zijde en trok hem de laarzen en overschoenen aan, hetgeen

deze ook gewillig doen liet.

"Hoor eens, Kostja, als Rjäbinin de makelaar komt, laat hem dan

binnenkomen en op mij wachten."

"Wilt ge het bosch dan aan Rjäbinin verkoopen?"

"Ja kent gij hem?"

"Of ik hem ken! Ik heb ook al eens zaken met hem gedaan, positief

en definitief."

Stipan lachte. "Positief en definitief" waren lievelingsuitdrukkingen

van den handelsman.

"Ja, hij redeneert heel kluchtig. Kijk eens hier! Hij begrijpt,

waar zijn heer heen wil," voegde hij er bij en streelde Laska, die

zich zachtjes jankend tegen zijn heer aanvleide en nu eens zijn hand,

dan weer de laarzen en de buks besnuffelde.

De lineika hield reeds voor de deur stil, toen zij naar buiten gingen.

"Het is wel niet ver, we zouden hebben kunnen loopen, maar ik heb

toch maar laten inspannen."

"Ja, rijden is beter," sprak Stipan en nam plaats in het voertuig. Hij

wikkelde zijn voeten in een tijgervel en stak een sigaar op.

"Hoe is het toch mogelijk, dat ge niet rookt. Een sigaar is

niet slechts een genot, maar de kroon van het genot. Dit is een

leventje! Heerlijk! Zoo zou ik altijd willen leven!"

"En wat verhindert je het te doen?" vroeg Lewin glimlachend.

"Neen, gij zijt een gelukkig mensch. Ge hebt alles waar je van

houdt. Ge houdt van paarden en je hebt ze, ge hebt honden en een

jachtveld en je landgoed."

"Misschien ben ik slechts daarom gelukkig, omdat ik met hetgeen ik

heb tevreden ben en mij niet ongelukkig gevoel door het gemis van

hetgeen ik niet bezit," antwoordde Lewin en dacht daarbij aan Kitty.

Stipan bemerkte dit, zag hem aan, maar zeide niets.

Lewin was hem daar wel dankbaar voor, en toch had hij gaarne iets

van haar vernomen, maar durfde er niet over beginnen.

"Nu, hoe staat het toch met je eigen aangelegenheden, die van je hart,

wel te verstaan?" vroeg hij schertsend.

Stipans oogen glinsterden vroolijk.

"Gij wilt toch niet aannemen, dat men veel van een kalatsch kan

houden, als men zeker recht op iets anders heeft. Gij noemt dat een

vergrijp. Voor mij is een leven zonder liefde geen leven. Ik ben nu

eenmaal zoo geschapen. En men doet daar toch waarlijk niemand kwaad

mede, men doet zich zelf alleen goed...."

"Dus al weer een nieuwe liaison?" vroeg Lewin.

"Wat hebt gij daar mee noodig? Zeg, ken je de vrouwengestalten van

Ossian? Vrouwen, die men in den droom ziet.... Zulke vrouwen zijn

er.... Dat zijn verschrikkelijke vrouwen. Die vrouwen, ja, 't is wat

te zeggen, men vindt aan haar altijd weer wat nieuws en aantrekkelijks,

maar hoe meer men ze bestudeert...."

"Daarom is het beter, dat men ze niet bestudeert."

"Neen, ik weet niet, welk groot man eens gezegd heeft, dat het

eigenlijk levensgenot niet bestaat in het vinden van de waarheid,

maar in het zoeken daarnaar...."

Lewin zweeg. Met den besten wil van de wereld kon hij zich toch

niet genoeg in zijn vriends zielstoestand verplaatsen om diens

gewaarwordingen en diens genot in de studie der vrouwen te begrijpen.

Anna Karenina(#13214) · 第 42 / 196 题