De eerste, die haar thuis te gemoet kwam, was haar zoon. Ondanks
de vermaning zijner gouvernante was hij het bordes opgeloopen, riep
jubelende: "Mama, mama!" en wierp zich om haar hals.
Maar even als haar man, maakte ook haar zoon op haar een
teleurstellenden indruk. Zij had zich hem schooner voorgesteld
dan hij werkelijk was. Maar toch was hij, zooals hij daar stond,
met zijn blonden krulkop, blauwe oogen en gevulde beentjes in de
strak gespannen kousen, een allerliefste jongen. Het was voor Anna
een heerlijk genot hem bij zich te hebben en zijn liefkoozingen te
ontvangen, en zij gevoelde een zedelijke geruststelling, als zij zijn
blik vol liefde en vertrouwen tot haar zag opgeslagen en zijn naïve
vragen hoorde. Zij haalde de geschenken te voorschijn, die Dolly's
kinderen hem zonden en vertelde hem, welk een lief klein meisje die
Tania daar in Moskou was, hoe die Tania al kon lezen en haar kleine
broertjes en zusjes hielp bij het leeren.
"Is zij liever dan ik, mama?"
"Voor mij zijt gij het beste en liefste op de wereld."
"Dat wist ik wel," zeide Serëscha met een tevreden lachje.
Nauwelijks had Anna haar koffie gedronken, of Lydia Iwanowna werd
reeds aangediend. De gravin was een groote en corpulente vrouw, met
een ongezonde, geelachtige gelaatskleur, maar prachtige, dwepende,
zwarte oogen. Anna hield van haar, maar vandaag was het haar, alsof
zij voor het eerst al haar gebreken bemerkte.
"Nu, melieve? Gij hebt hun dus den olijftak gebracht?" vroeg de gravin,
toen zij nog nauwelijks de kamer was binnen gekomen.
"Alles is voorbij, maar 't was ook alles niet zoo erg als wij dachten,"
antwoordde Anna. "Overigens is mijn belle soeur vast besloten ..."
Maar de gravin, die zich voor al wat haar niet aanging interesseerde,
had de gewoonte naar datgene, wat haar interesseerde, niet te
luisteren, en daarom viel zij Anna in de rede:
"Ja, er is zooveel ellende en boosheid in de wereld, en ik gevoel me
vandaag ook zeer ontstemd."
"Hoe komt dat dan?" vroeg Anna met moeite een glimlach onderdrukkend.
"Och, ik begin het moede te worden altijd te vergeefs lansen te breken
voor de waarheid; het verlamt mij bijna geheel. Onze aangelegenheid met
de zusters" (het betrof eene godsdienstig-patriotische stichting) "ging
eerst wonderlijk goed vooruit, maar met die heeren is 't onmogelijk
klaar te komen," liet zij er met spotachtige berusting in haar lot
op volgen; "in het eerst vatten zij de gedachte goed op, maar toen
verminkten zij het plan en beoordeelden alles zoo kleingeestig. Twee
of drie van hen, waaronder uw man, hebben de zaak in haar geheele
beteekenis opgevat, maar de anderen willen ze nu opgeven. Gister
schreef Prawdin er mij over."
Prawdin was een bekende Panslavist, die in het buitenland woonde, en de
gravin vertelde, wat hij had geschreven. Daarop ging zij weer haastig
heen, want zij moest nog een Panslavistische vergadering bewonen.
"Zoo was het vroeger ook al," dacht Anna, "maar hoe komt het, dat mij
dat vroeger nooit is opgevallen? Of is zij vandaag nog opgewondener
dan anders? 't Is inderdaad toch belachelijk: haar doel is de deugd,
de Christelijke deugd en daarbij ergert zij zich aan alles en ziet
overal vijanden, vijanden van Christendom en deugd!"
Na gravin Lydia kwam een harer vriendinnen, de vrouw van een president,
en vertelde haar alle nieuwtjes uit de stad. Ten drie ure ging ook
deze heen, maar beloofde des middags weer te komen.
Toen Anna alleen was, besteedde zij den overigen tijd van den
voormiddag om haar zaken te ordenen en eenige brieven en briefjes,
die op haar tafel verzameld lagen, te lezen en te beantwoorden.
Het onbestemde gevoel van schaamte en de opgewondenheid, waardoor zij
onderweg was aangegrepen, waren geheel verdwenen. In de gewone omgeving
en de bezigheid van haar huiselijk leven had zij weldra haar kalmte,
zekerheid en gewetensrust terug gevonden.
Ten vier ure keerde Alexei Alexandrowitsch van het ministerie van
binnenlandsche zaken naar huis terug. Zooals meestal het geval was,
had hij ook nu geen tijd om eerst naar zijn vrouw te gaan. Hij ging
terstond naar zijn kabinet, waar eenige sollicitanten hem wachtten
en hij nog eenige stukken moest onderteekenen, die de chef de bureau
gebracht had.
Op het diner (bij de Karenins waren er steeds twee of drie gasten
genoodigd) verschenen een oude nicht van Alexei Alexandrowitsch,
de departementspresident met zijn vrouw en een jong mensch, die als
candidaat voor een opengevallen betrekking was aanbevolen.
Met klokslag vijf trad Alexei Alexandrowitsch de eetzaal binnen,
met witten das, zwarten rok en twee orderteekens op de borst; hij
moest terstond na het diner weer weg, want elke minuut van zijn
leven was bepaald en in beslag genomen. Om allen te voldoen, moest
hij de grootste stiptheid in acht nemen. Zijn leus was: "Zonder
haast, zonder rust." Hij trad alzoo de zaal binnen, groette allen,
nam dadelijk plaats, terwijl hij zijn vrouw toeknikte.
"Zie zoo, nu is mijn eenzaam leven weer voorbij. Gij kunt niet
gelooven, hoe ongezellig het is alleen te eten."
Onder het diner besprak hij Moskousche aangelegenheden en informeerde
met een ironisch lachje naar Stipan Arkadiewitsch; verder liep
het gesprek over ambtelijke en maatschappelijke zaken. Na het diner
bleef hij nog een half uur met zijn gasten saam, en daarop zijn vrouw
weer glimlachend de hand drukkend, stond hij op en ging heen om de
vergadering van den rijksraad bij te wonen.
Anna bleef heden, tegen haar vroegere gewoonte, te huis, had eene
conferentie met haar modemaakster en ging toen naar de kinderkamer,
waar zij den geheelen avond met haar zoontje doorbracht, legde hem zelf
te bed, bekruiste hem en dekte hem toe. Zij verheugde zich, niet te
zijn uitgegaan en den avond zoo goed doorgebracht te hebben. Het was
haar zoo licht om het hart, zij was zoo wel te moede en zij zag zoo
helder in, dat al wat haar onderweg zoo gewichtig was toegeschenen,
niets meer was dan een der gewone nietige toevalligheden des levens
en zij zich daarover noch voor zichzelf noch voor anderen behoefde
te schamen. Zij zette zich met een Engelschen roman voor den haard
neer en wachtte haar echtgenoot af. Precies om half tien ging de
schel over en een oogenblik daarna kwam hij de kamer binnen.
"Zijt gij daar eindelijk?" vroeg zij en stak hem de hand toe.
Hij kuste die en zette zich naast haar.
"Ik zie, dat je reis van goed gevolg geweest is."
"Ja, zeker," antwoordde zij en verhaalde hem alles van het begin af:
haar reis met gravin Wronsky, haar aankomst te Moskou, het ongeluk
bij het station en dan van haar verrichting in de treurige zaak haars
broeders met Dolly.
"Ik kan zulk een mensch niet verontschuldigen, al is hij ook je
broeder," zeide Alexandrowitsch gestreng.
Anna glimlachte. Zij begreep, dat hij slechts zoo sprak om te toonen,
dat zelfs geen familiebetrekking hem kon bewegen zijn oprechte
meening te verzwijgen. Zij kende deze eigenschap van haar echtgenoot
en waardeerde die.
"Maar ik verheug mij toch, dat alles zoo gelukkig is afgeloopen en
gij weer hier zijt," ging hij voort. "Maar wat zeiden ze daar ginds
van de nieuwe dienstregeling, die ik hier in den senaat heb doorgezet."
Anna had niets van deze dienstregeling gehoord en schaamde zich,
dat zij iets, dat voor hem zoo belangrijk was, zoo geheel had kunnen
ignoreeren.
"Hier is er integendeel veel over gesproken," zeide hij met een
glimlach van zelfvoldoening.
Zij bemerkte, dat hij naar een gelegenheid zocht om haar iets van
deze voor hem zoo aangename zaak te vertellen, en nu bracht zij er
hem door haar vragen toe haar met hetzelfde vergenoegde lachje de
ovaties te beschrijven, die men hem naar aanleiding van die hervorming
gebracht had.
"Dat heeft mij veel, zeer veel genoegen gedaan, want het bewijst,
dat men ook in dat opzicht tot een beter inzicht begint te komen."
Nadat hij een tweede glas thee had gedronken, stond hij op om zich naar
zijn kamer te begeven. "Gij zijt in het geheel niet uitgegaan? Hebt
ge u dan niet verveeld?" vroeg hij nog.
"O neen," antwoordde zij, eveneens opstaande en hem door de zaal naar
zijn kamer begeleidend. "Wat leest ge nu?" vroeg zij.
"Duc de Lille: Poésie des enfers," antwoordde hij: "een zeer goed
boek."
Anna glimlachte, zooals men om de zwakheden van een geliefd persoon
kan glimlachen. Zij kende zijne hem tot behoefte geworden gewoonte,
's avonds te lezen; zij wist, dat hij, hoewel zijne ambtsbezigheden
zijn geheele kracht in beslag namen, het zich ten plicht stelde,
al wat op geestelijk gebied verscheen te volgen en in het oog te
houden. Zij wist ook, dat hij slechts in wijsgeerige, staatkundige
en theologische geschriften belang stelde en dat hij uit zijn aard
weinig voor de kunst gevoelde; maar desniettemin of juist deswege
liet Alexei Alexandrowitsch niets voorbij gaan, wat op dat gebied
opgang maakte en achtte zich verplicht alles te lezen. Op wijsgeerig
en staatkundig gebied twijfelde en onderzocht Karenina, maar in kunst
en poëzie en vooral ten opzichte van muziek, waarvan hij volstrekt
geen begrip had, had hij zich bepaalde en onveranderlijke inzichten
eigen gemaakt. Hij hield er van over Shakespeare, Rafaël, Beethoven,
over de nieuwere richtingen in de kunst en poëzie en zoo al meer van
een bepaald standpunt uit logisch te redeneeren.
"Nu, God zij met u," zeide Anna aan de deur van zijn kabinet,
waar reeds een lamp met kap, een glas met water en een gemakkelijke
leunstoel voor hem gereed stonden. "En ik zal intusschen naar Moskou
schrijven." Hij drukte haar de hand en kuste ze.
"Hij is toch een goed man, een waarlijk goed, ja in zijn soort
zelfs veelbeteekenend man," zeide Anna, terwijl zij naar haar kamer
terugkeerde, bij zich zelf, alsof zij hem tegen iemand verdedigen
moest, die hem beschuldigde en beweerde, dat men hem niet kon
beminnen. "Maar waarom staan die ooren hem toch zoo ver van het
hoofd? Zou hij zich het haar ook hebben laten knippen."
Met klokslag twaalf uur, toen Anna nog aan haar schrijftafel zat en
juist haar brief aan Dolly sloot, deden zich gelijkmatige voetstappen
in pantoffels hooren en Alexei Alexandrowitsch naderde haar, gewasschen
en gekamd en met een boek onder den arm.
"Het is tijd, het is tijd," sprak hij met zijn eigenaardig lachje en
ging de slaapkamer binnen.
Terwijl Anna zich ontkleedde, dacht zij aan den blik, waarmede Wronsky
Karenin gemeten had: "Welk recht had hij hem zoo aan te zien?"
Toen zij het slaapvertrek binnen kwam, miste haar gelaat niet slechts
die opgewektheid, die gedurende haar verblijf te Moskou in haar
oogen en haar lachjes had getinteld, maar dit vuur scheen nu geheel
uitgebluscht of ergens diep verscholen te zijn.