Eerst tegen den morgen sliep Anna zittend in. Toen zij ontwaakte,
was alles om haar heen wit en licht, en de trein naderde Petersburg.
Terstond bestormden haar de gedachten aan haar huis, haar echtgenoot en
haar zoon en de zorgen voor deze en volgende dagen. Met verwondering
dacht zij aan haar toestand van gisteren terug. Wat was er toch
gebeurd? In het geheel niets! Wronsky had onzin gesproken en daar
kon kort en goed een eind aan gemaakt worden!
"En ik heb hem geantwoord, zooals ik doen moest! Of ik het mijn man
vertellen zal? Maar wat moet ik hem dan zeggen? Daarover te spreken
zou een schijn van gewicht aan iets geven, dat in het geheel niet
van beteekenis is."
Zij dacht er aan, dat zij gedurende haar huwelijk driemaal in
dezelfde positie verkeerd had. Zij herinnerde zich, dat, toen zij haar
echtgenoot eens van een liefdesverklaring verteld had, die een jong
ambtenaar haar had gedaan, hij hierop antwoordde: dat elke vrouw in
de groote wereld aan zoo iets was blootgesteld, dat hij echter geheel
op haar tact vertrouwde en noch zich zelf noch haar door ijverzucht
zou beleedigen.
"Dus heb ik niets te vertellen! Het is ook, God zij dank, niets,"
sprak zij voor zich heen en stond op om den wagen te verlaten.
De eerste, dien zij te Petersburg, toen de trein stil hield, opmerkte,
was haar echtgenoot.
"Mijn hemel, hoe komt hij toch aan zulke ooren?" dacht zij toen
zij zijn koele en voorname houding beschouwde, waarbij haar de ver
uitstaande ooren, die tot steun voor den rand van den hoed schenen
te dienen, bizonder opvielen.
Toen hij haar gewaar werd, ging hij haar te gemoet, terwijl hij zijn
lippen tot het gewone spotachtig lachje samenkneep en de groote, matte
oogen op haar vestigde. Een onaangename gewaarwording beklemde haar
het hart, toen zij dien flauwen blik ontmoette, alsof zij verwacht
had hem anders te vinden! maar het meest werd zij getroffen door de
ontevredenheid met zich zelf, die zij bij zijn ontmoeting gevoelde. Het
was een haar onbekende gewaarwording, een gevoel van veinzerij in de
verhouding tot haar echtgenoot.
"Zie nu eens welk een teeder echtgenoot gij hebt--teeder als in het
tweede jaar van ons huwelijk! Hij brandt van verlangen u weer te
zien!" sprak hij met zijn bedachtzame, fijne stem en op den toon,
waarop hij gewoonlijk tot haar sprak, namelijk alsof hij spotte over
iemand, die werkelijk zoo zou spreken.
"Is Serëscha gezond?" vroeg zij.
"En dat is nu al het loon voor mijn ijver?" zeide hij. "Gezond,
gezond!" en haar den arm aanbiedende geleidde hij haar naar het
rijtuig.
Ook Wronsky had dien nacht niet getracht te slapen. Hij zat daar, nu
eens recht voor zich uit starend, dan de passagiers opnemende, en hij,
die vroeger reeds door zijn onverstoorbare kalmte de hem onbekenden
geïmponeerd had, scheen nu nog trotscher en zelfbewuster. Hij zag op
de menschen als op levenlooze voorwerpen neer. Een jong zenuwachtig
ambtenaar, die tegenover hem zat, begon hem om zijn voorkomen en
houding te haten. Hij vroeg hem eerst om vuur, sprak hem aan, stiet
hem zelfs aan om te toonen dat hij geen ding, maar een mensch was,
doch Wronsky keek hem aan, alsof hij de waggonlamp was en de jonge
man trok gezichten in het bewustzijn, dat hij onder den druk dezer
negeering als mensch van zijn stuk geraakte.
Wronsky zag en hoorde niets. Hij gevoelde zich als een souverein,
niet omdat hij meende op Anna indruk te hebben gemaakt--want daarvan
was hij nog niet ten volle overtuigd--maar omdat de indruk, dien zij
op hem gemaakt had, hem reeds gelukkig deed zijn.
Wat het einde daarvan zou wezen, wist hij niet en daar dacht hij ook
in het geheel niet aan. Hij besefte, dat zich al zijn tot hiertoe
verbrokkelde krachten nu tot een enkele concentreerden en met de
grootste energie naar een begeerlijk doel streefden, en dit maakte hem
gelukkig. Hij was zich slechts bewust tot haar de waarheid gesproken te
hebben, dat hij daar zijn moest, waar zij was, dat haar te zien en haar
te hooren zijn geheel levensdoel en levensgeluk geworden was. Toen hij
bij gindsch station was uitgestegen om een glas selzerwater te drinken
en hij Anna zag, vertolkte zijn eerste woord haar onwillekeurig, wat
hij dacht, en hij verheugde er zich over, dat hij het haar gezegd had,
dat zij het wist en er aan denken moest.
Te Petersburg den waggon verlatende, gevoelde hij zich, ondanks den
slapeloozen nacht, frisch en opgewekt als na een koud bad. Hij bleef
bij zijn waggon staan en wachtte tot zij den haren zou verlaten hebben.
"Ik zal haar nog eenmaal zien," dacht hij; "zij zal iets zeggen,
het hoofd omwenden, opzien en misschien glimlachen."
Maar voor hij haar zag, werd hij haar echtgenoot gewaar, die door
den stationschef beleefd door de menigte geleid werd.
"Ja, zoo, haar man!" Voor het eerst werd het Wronsky duidelijk,
dat die man een persoon was, die bij haar behoorde; hij wist dat zij
een echtgenoot had, maar aan diens bestaan had hij tot hiertoe schier
niet gedacht. Dit gebeurde nu eerst, nu hij hem in levenden lijve voor
zich zag, met zijn hoofd, schouders, beenen en zijn zwarte kleeding,
vooral toen hij zag, dat die man haar als zijn eigendom aan den arm
wegvoerde. Hij was als een dorstige, die eindelijk een bron gevonden
heeft, maar daarin een schaap, een hond of een zwijn ontdekt, die
het water troebel heeft gemaakt. Vooral hinderde Wronsky de manier
van gaan van dien man, met die korte, stramme schreden, waarbij hij
telkens de heupen optrok. Maar zij was dezelfde en haar aanblik werkte
als vroeger physisch opwekkend op hem en verschafte hem een zalig
genot. Hij beval zijn Duitschen bediende zijn bagage te bezorgen en weg
te rijden; hij zelf echter naderde Anna. Hij had de eerste begroeting
der echtgenooten gezien en met den scherpen blik van een verliefde de
sporen eener kleine verlegenheid in haar gesprek met haar man bespeurd.
"Neen, zij bemint hem niet, zij kan hem niet beminnen!" was de
gevolgtrekking, die hij maakte.
Terwijl hij hen achterop kwam, bemerkte hij met voldoening, dat
Anna zijn nadering gevoelde; zij zag om en wendde zich, toen zij hem
herkend had, terstond weer tot haar echtgenoot.
"Ik hoop, dat u een goeden nacht gehad heeft!" zeide hij en boog te
gelijk voor beiden, terwijl hij het aan Alexei overliet den groet op
zijn conto te nemen en hem te willen kennen of niet naar zijn believen.
"Ik dank u, zeer goed," antwoordde zij.
Haar gelaat droeg sporen van vermoeidheid; daarop ontbrak die
levendigheid, die zich nu eens in een lach, dan in den glans der
oogen verried; maar eenmaal schoot er toch een straal uit haar
oogen tot hem over, en al werd dit vuur dadelijk gedoofd, hij was
er toch werkelijk door beloond. Zij zag haar man vragend aan, of hij
Wronsky ook herkende. Alexei Alexandrowitsch zag hem onverschillig en
verstrooid aan, alsof hij zich zijner nauwelijks herinnerde. Wronsky's
rustige kalmte en fier zelfbewustzijn stieten op Karanins hoog gevoel
van eigenwaarde af als de zeis op een steen.
"Graaf Wronsky," zeide Anna.
"O, ik geloof dat we elkander al kennen," antwoordde Alexei
Alexandrowitsch onverschillig en reikte Wronsky de hand. "Met de
moeder zijt gij heengegaan en met den zoon komt gij terug," zeide hij,
duidelijk elke lettergreep doende hooren, alsof elk woord een roebel
was, dien hij haar schonk. "U is zeker met verlof hier?" voegde hij er
bij en wendde zich, zonder het antwoord af te wachten, op zijn gewonen
spottenden toon weer tot zijn vrouw: "Werden er bij het afscheid te
Moskou veel tranen vergoten?"
Hij wilde Wronsky te kennen geven, dat hij met zijn vrouw alleen
wenschte te zijn, en zich een weinig omkeerend tastte hij aan zijn
hoed. Maar Wronsky wendde zich tot Anna: "Mag ik verzoeken om de eer
mijn opwachting te mogen maken?"
"'t Zal ons zeer aangenaam zijn," antwoordde Alexei Alexandrowitsch;
"elken Maandag ontvangen wij." Na Wronsky aldus zijn afscheid te
hebben gegeven, ging hij tot Anna gewend voort: "Wat treft het goed,
dat ik juist een half uur vrij heb om u af te halen en mijn teedere
zorg te toonen," liet hij er op schertsenden toon op volgen.
"Gij onderstreept uw teedere bezorgdheid zoozeer," antwoordde zij
denzelfden toon aanslaande, "dat ik ze wel waardeeren moet;" te gelijk
luisterde zij onwillekeurig naar den klank van Wronsky's voetstappen
achter haar. "Wat gaat mij dat aan?" dacht zij en vroeg haar man,
hoe Serëscha den tijd had doorgebracht.
"O, uitstekend! Mariette zegt, dat hij zeer aardig geweest is en--ik
moet u bedroeven--hij heeft in het geheel niet naar u verlangd, in het
geheel niet, zooals uw trouwe heer gemaal gedaan heeft. Nog eens merci,
melieve, dat ge mij een dag meer geschonken hebt. Onze lieve Samowar
zal er geheel door verrukt zijn." (Samowar noemde hij de beroemde
gravin Lydia Iwanowa, omdat zij altijd bij iedere gelegenheid in vuur
geraakte en overkookte.) "Zij heeft reeds naar je gevraagd. Weet je:
ik raad je aan haar vandaag nog te bezoeken. Haar hart deelt in alles
en allen. Bij al haar andere zorgen, interesseert zij zich nog bizonder
voor de verzoening onzer Oblonsky's."
Gravin Lydia Iwanowna was de huisvriendin der Karenins en het
middelpunt van een dier Petersburger kringen, waarin Anna om haar
mans wil het meest verkeerde.
"Ik heb haar immers geschreven."
"Ja, maar zij moet alles nauwkeurig weten. Als ge niet al te vermoeid
zijt, bezoek haar dan. Nu, Conrad, rijdt ge naar huis; ik moet van
hier dadelijk naar de eindzitting. Nu behoef ik mijn middagmaal
niet meer alleen te gebruiken," ging hij op ernstigen toon voort;
"gij weet niet hoe ge mij verwend hebt...."
En haar met een eigenaardigen glimlach een langen handdruk gevend,
hielp hij haar in de coupé.