Bij zijn vertrek van Petersburg had Wronsky zijn ruime woning
op de Moskaya aan zijn vriend en besten kameraad Petritzky
afgestaan. Petritzky was een jong officier van burger afkomst en niet
rijk, met buitengewoon veel schulden, die 's avonds steeds te veel
dronk en wegens allerlei komieke en lichtzinnige affaires telkens naar
de hoofdwacht werd gebracht en toch steeds bij al zijn kameraden en
superieuren bemind was.
Toen Wronsky tegen twaalf uur van het station naar huis reed, zag hij
bij het oprijplein een hem bekend rijtuig. Toen hij had aangescheld,
hoorde hij binnen het lachen en snappen eener vrouwenstem en Petritzky
daarboven uit roepen:
"Als 't een booswicht is, niet binnen laten."
Wronsky beval den knecht hem niet aan te melden en ging zacht de eerste
kamer binnen. Aan de ronde tafel zat barones Schilten, die in haar
lila kleedje met haar blond kopje als een kanarievogel schitterde
en haar Fransch gesnap door de kamer deed schallen, terwijl zij te
gelijk de koffie gereed maakte. Naast haar zaten Petritzky in négligé
en de ritmeester Kamerowsky in volle uniform.
"Hoera! Wronsky!" riep Petritzky, sprong op en schoof zijn stoel
achteruit; "onze gastheer zelf! Barones geef hem wat koffie uit
de nieuwe kan! Bonjour kameraad! Dat is een verrassing! ik geloof,
dat je over het sieraad van je kamer tevreden zult zijn!" zeide hij,
terwijl hij op de barones wees: "Gij kent elkander toch?"
"Dat zou ik denken," antwoordde Wronsky met vroolijken lach en drukte
de kleine hand der barones--"wij zijn oude vrienden!"
"Gij komt van de reis," zeide de barones; nu ga ik dadelijk heen. Ja,
ik rijd dadelijk weg, als ik stoor."
"Waar u is, is u altijd thuis, barones," antwoordde Wronsky. "Bonjour,
Kamerowsky," zeide hij tot dezen met een koele handdruk.
"Kijk, zoo iets liefs weet gij nooit te zeggen," zeide de barones
tot Petritzky.
"Niet? En waarom niet? Wacht maar eens, na het diner spreek ik ook
niet slechter."
"Ja, na het diner! Ha, ha ha! Dan is het geen verdienste. Nu ik zal
hem uw koffie geven. Ga nu eerst heen om u te wasschen en wat op te
knappen," vermaande de barones, nam haar plaats weer in en draaide
voorzichtig de kraan van de nieuwe koffiekan open. "Pierre, geef
mij de koffiebus," wendde zij zich weer tot Petritzky, dien zij zoo
bij zijn doopnaam noemde, zonder haar intieme betrekking met hem te
verhelen. "Ik zal er nog wat bij doen."
"Dan zult ge hem bederven."
"Dat is niets--ha ha ha!--Nu? en uw vrouw?" riep zij plotseling
het gesprek afbrekend Wronsky toe: "Wij hebben u namelijk hier
uitgehuwelijkt. Hebt ge uw vrouw niet meegebracht?"
"Neen, barones, als Zigeuner ben ik geboren en als Zigeuner zal
ik sterven."
"Des te beter, des te beter, geef mij uw hand."
En terwijl zij die niet weer los liet, begon zij hem met allerlei
grapjes er tusschen door haar nieuwste levensplannen mee te deelen
en vroeg hem om raad.
"Hij wil van geen scheiding weten--wat moet ik nu doen? (_Hij_ was
haar man.) Ik wil nu een proces tegen hem op touw zetten. Wat raadt ge
mij? Kamerowsky, zie toch naar de koffie--ze kookt immers over--gij
ziet dat ik met belangrijker dingen bezig ben.--Ik moet procedeeren,
want ik moet mijn vermogen hebben. Begrijpt gij zulken onzin? Ik zeide
hem met de meeste verachting, dat ik hem ontrouw was--en daarvoor
wil hij nu mijn goederen behouden!"
Wronsky luisterde met genoegen naar het vroolijk gesnap der jonge
vrouw, gaf haar in alles gelijk, deelde haar nu en dan schertsend
zijn raad mede en sloeg dadelijk weer zijn tegenover zulke vrouwen
gewonen conversatietoon aan. In zijn Petersburger wereld waren alle
menschen door hem in twee soorten verdeeld. Tot de eene, lagere soort,
behoorden alle ordinaire, bekrompen vooral belachelijke menschen,
die beweerden, dat een man met de vrouw moet leven, die hij getrouwd
heeft; dat een meisje onschuldig, de vrouw zedelijk zijn moet; dat
de man vast van beginselen zijn en zich beheerschen moet; dat men
zich aan de opvoeding der kinderen wijden, zijn brood verdienen,
zijn schulden betalen moet, en al zulken onzin meer. Dit waren de
ouderwetsche, belachelijke menschen. Tegenover hen stond een andere
soort van echte, verlichte menschen, zij namelijk, tot wie hij en
zijns gelijken behoorden, bij wie het er voornamelijk op aan kwam zich
elegant voor te doen, bevallig, hooghartig, mild, dapper en vroolijk
te zijn, zich zonder blozen aan elken hartstocht over te geven en om
al het overige te lachen.
Wel gevoelde ook Wronsky, die te Moskou een geheel andere
levensatmospheer had leeren kennen, zich in het eerste oogenblik
eenigszins beklemd, maar zoodra hij de voeten in de oude pantoffels had
gestoken, ging hij weer zijn vroegere zorgelooze, lustige wereld in.
De koffie kwam natuurlijk niet gereed, zij kookte slechts over
en bespatte het gezelschap, wat juist noodig was, dat wil zeggen:
zij gaf aanleiding tot alarm en gelach en vloeide over het kostbaar
tapijt en het kleed der barones.
"Zoo, nu zeg ik u adieu! want anders komt het niet tot wasschen en dan
heb ik de grootste misdaad, die een fatsoenlijk mensch begaan kan,
eene onreinheid, op mijn geweten.--Gij raadt mij dus aan, hem het
mes op de keel te zetten?"
"Zeker, maar zoo, dat uw kleine hand in de nabijheid van zijn lippen
blijft. Hij zal die dan kussen en alles zal een goed einde nemen,"
antwoordde Wronsky.
"Dus tot vanavond in den Franschen schouwburg!" Haar kleed ruischte
en zij verdween.
Ook Kamerowsky stond op en Wronsky ging naar zijn kleedkamer. Terwijl
hij zich waschte en omkleedde, schetste Petritzky hem in korten tijd
zijn geheelen toestand in Petersburg, zooals die zich gedurende zijn
afwezigheid gevormd had. Geld was er niet voorhanden. Zijn vader
had verklaard niets meer te geven, niet eens meer zijn schulden te
willen betalen; een kleermaker had hem aangeklaagd en wilde hem achter
slot brengen. De overste van zijn regiment had verklaard, dat hij,
als al die schandalen niet ophielden, den dienst moest verlaten. De
barones verveelde hem ontzettend, vooral omdat zij hem nooit geld
wilde voorschieten; maar er was een andere, hij wilde ze Wronsky
wijzen, een wonder van schoonheid in streng oosterschen stijl,
"in het genre der slavin Rebecca, ge begrijpt me wel!" Ook had hij
gisteren met Berkoscheff twist gehad en deze wilde hem zij secondant
zenden, maar het zou wel met een sisser afloopen. In het algemeen was
echter alles in Petersburg prachtig en heerlijk! Toen begon Petritzky
allerlei interessant en piquant nieuws te verhalen.
Terwijl Wronsky in die hem door driejarig verblijf zoo vertrouwd
geworden woning naar het hem zoo wel bekend gebabbel van Petritzky
luisterde, had hij het aangenaam gevoel weer tot dat van ouds gewone
en zorgelooze Petersburger leven teruggekeerd te zijn en daarbij het
bewustzijn te midden daarvan een nieuw en bekoorlijk doel te hebben.
"Hoe gaat het met Luzulukoff?"
"O, Luzulukoff, dat is een prachtige geschiedenis!" riep Petritzky
uit. "Gij kent Luzulukoffs hartstocht voor bals. Zonder hem is
geen hofbal volmaakt. Onlangs was hij daar ook met zijn nieuwen
helm--gij kent onze nieuwe helmen toch al! Zij zijn zeer mooi, heel
licht. Derhalve hij staat daar--maar luister nu toch!"
"Ik luister immers!" zeide Wronsky, terwijl hij zich met een
wrijfhanddoek afdroogde.
"Daar gaat een grootvorstin met een gezant hem voorbij en zij spreken
tot zijn ongeluk juist over de nieuwe helmen. De grootvorstin wil
den gezant de helmen nauwkeuriger beschrijven en daar ziet ze ons
duifje staan." (Petritzky bootste na, hoe hij daar met zijn helm
stond). "De grootvorstin verzoekt hem haar den helm even te geven--hij
geeft hem echter niet! Wat is dat? Men knipoogt, men zet een donker
gezicht. Geef hier! Hij geeft hem echter niet. Allen staan verstijfd
van schrik.... Kun je u dat voorstellen? Daar wil die ... hoe heet hij
ook weer?... hem den helm ontnemen ... maar hij houdt hem vast. De
ander rukt hem eindelijk los en reikt hem de grootvorstin over. Dit
is nu de nieuwe ... zegt de grootvorstin, keert den helm om en daar
plotseling, verbeeld je! bons! klets! Wat rolt er uit? Peren, appelen,
bonbons, zegge: twee pond bonbons ... dat alles had ons duifje bij
elkaar gepikt en daarin geborgen."
Wronsky berstte bijna van lachen. Nog lang daarna, toen zij over
geheel andere dingen spraken, begon hij, zoodra hij maar aan den helm
dacht, luidkeels te lachen. Nadat hij alle nieuwtjes vernomen en zich
met hulp van zijn bediende gekleed had, ging hij op rapport om zijn
terugkeer in dienst te melden en ging daarna bezoeken afleggen.