"Goddank, nu is alles voorbij!" Dat was Anna's eerste gedachte,
toen zij van haar broeder afscheid had genomen, die tot de derde
bel luidde den ingang van den waggon versperde. Zij ging naast
Annuschka, haar kamenier, zitten en keek eens in den slaapwagen rond:
"Goddank! Morgen zie ik Serëscha [5] en Alexei Alexandrowitsch weder
en dan begint mijn gewoon, goed leven weer!"
Nog steeds met hetzelfde gevoel van onrust, dat haar den geheelen
dag had bezield, schikte Anna haastig een en ander voor de reis
terecht. Met de kleine, vlugge handen opende zij het roode taschje, nam
een kussentje en legde dit op de knieën, toen wikkelde zij de voeten
behoorlijk in en maakte het zich gemakkelijk. Een zieke dame legde zich
terstond te slapen. Twee andere spraken Fransch met elkander, en een
bejaarde dame maakte aanmerking op de verwarming. Anna beantwoordde
de dames, die haar aangesproken hadden, met een enkel woord, maar daar
het gesprek haar weinig belang inboezemde, verzocht zij Annuschka haar
de kleine lantaarn te geven, haakte deze aan het zijkussen vast en
nam uit haar taschje een ivoren vouwbeen en een Engelschen roman. In
het eerst kwam er nog niets van het lezen. Het gestommel en heen-
en weerloopen stoorde haar eerst, toen luisterde zij naar het stampen
der machine, daarop sloeg de sneeuw tegen het linkervenster en bleef
tegen het glas kleven, tot het geheel bedekt was, en eindelijk stoorde
haar de voorbijgaande conducteur, die aan de eene zijde geheel was
besneeuwd. Verder bleef alles hetzelfde: het eenerlei schudden en
stampen, dezelfde sneeuwjacht, de afwisselende overgangen van warmte,
dezelfde vluchtige verschijning van dezelfde personen in het halfdonker
en dezelfde stemmen,--en eindelijk begon Anna te begrijpen wat zij las.
De held van het verhaal was reeds op het punt zijn Engelsch geluk
te verwerven: een baronetstitel en een landgoed, en Anna wenschte
reeds met hem naar dat goed te rijden, toen zij plotseling besefte,
dat hij zich eigenlijk moest schamen, en zij schaamde zich er ook
over. "Waarover moet hij zich echter schamen en waarover ik dan
toch?" vroeg zij zich zelf met half beleedigde verwondering. Er was
toch niets waarover zij zich te schamen had. Zij riep de bizondere
voorvallen te Moskou in haar geheugen terug. Zij waren goed en
aangenaam. Toen zij zich het bal herinnerde, dacht zij aan Wronsky,
aan zijn verliefd, ootmoedig gelaat, dacht aan haar verhouding tot
hem.... Maar daar stak immers niets in! En evenwel werd het gevoel
van schaamte sterker en het was, alsof bij de gedachte aan Wronsky
een inwendige stem zeide: "Warm! zeer warm! verzengend!"
"Nu, wat zou dat? Wat beteekent het? Vrees ik dan deze zaak in het
aangezicht te zien? zou het dan mogelijk zijn, dat tusschen mij en
dezen jongen officier een andere betrekking bestaat of bestaan kan,
dan tot ieder ander mijner bekenden?" Zij glimlachte verachtelijk
en nam haar boek weer ter hand. Maar nu kon zij in het geheel niet
meer bevatten, wat zij las. Zij streek met het vouwbeen langs het
vensterglas, toen legde zij het koude vlak tegen haar wang en zou nu
luid hebben kunnen lachen, zoozeer bemachtigde haar plotseling een
gevoel van vreugde tot in het diepst der ziel; zij gevoelde dat haar
zenuwen als snaren al strakker gespannen werden, dat haar oogen zich
al verder openden, dat haar vingers zich zenuwachtig bewogen, dat
inwendig iets haar adem beklemde en dat alle voorwerpen en klanken
in het halfdonker verbazend helder en duidelijk tot haar bewustzijn
kwamen. Elk oogenblik beving haar de twijfel, of de trein voor of
achterwaarts ging of wel geheel stilstond, of Annuschka naast haar
zat of een vreemde, of dat daar op de armleuning een pels of een dier
was.... "Ben ik het zelf? of is het een ander?".... Zij vreesde zich
aan deze verdooving over te geven; zij stond op om zich te bezinnen
en sloeg den plaid terug.
De deur werd geopend. De stem van een geheel ingehuld en met sneeuw
bedekt persoon riep haar iets in het oor; zij begreep, dat zij bij
een station waren aangekomen en dat die man de conducteur was. Zij
vroeg Annuschka om haar pelerine en doek en ging naar de deur.
"Wil u naar buiten gaan?" vroeg Annuschka.
"Ja, ik wil wat frissche lucht scheppen, 't is hier te warm." Zij
opende het portier. Sneeuw en wind stormden haar tegen en betwisten
haar de deur. Zij opende die echter met beslistheid en ging naar
buiten. Zij hield zich tegen den wind aan de balustrade van het
platvorm vast. Achter den waggon was zij buiten den wind. Met
welbehagen en uit volle borst ademde zij de koude sneeuwlucht in en
liet haar blik over het perron en het station gaan. Twee heeren gingen
langs haar heen en zagen haar in het gelaat. Nog eenmaal ademde zij
met volle teugen de koude lucht in en trok reeds de hand uit den
mof om de balustrade te grijpen en weer in den waggon te klimmen,
toen een heer in een militairen mantel gewikkeld het licht van de
lantaarn naast haar verduisterde. Zij wendde zich om en herkende in
hetzelfde oogenblik Wronsky's gelaat. Hij bracht de hand aan de muts,
maakte een buiging en vroeg haar, of zij niets wenschte en of hij
haar niet met iets kon dienen.
Zij zag hem uitvorschend in de oogen en antwoordde niet terstond. Door
de schaduw, die hem bedekte, heen zag zij toch of meende zij althans de
uitdrukking van zijn gelaat te zien; het was weer diezelfde uitdrukking
van eerbiedige verrukking, die gisteren ook zulk een diepen indruk
op haar gemaakt had.--Herhaalde malen in de laatste dagen, maar zoo
even ook nog, had zij bij zich zelf gezegd, dat Wronsky een van die
honderden jonge mannen was, die overal te vinden zijn en aan wie
zij zich zelf nooit zou veroorlooven te denken--en nu, het eerste
oogenblik, dat zij weer met hem samentrof, doortintelde haar een
gevoel van vroolijke blijdschap. Zij behoefde niet te vragen, waarom
hij hier was, zij wist het even zeker, alsof hij het haar gezegd had,
dat het slechts was om daar te zijn, waar zij was.
"Ik wist niet, dat gij ook op reis gingt. Waarom is u dan op
reis?" vroeg zij, en een niet te verbergen vreugde en levendigheid
straalden van haar gelaat.
"Waarom ik op reis ben?" vroeg hij en zag haar vlak in de oogen; "u
weet, dat ik reis om daar te zijn, waar u is. Ik kan niet anders."--Op
dat oogenblik veegde een windvlaag alle sneeuw van den waggon en
rukte aan een losgegane zinken plaat, terwijl de locomotief klagend
zijn schril gefluit deed hooren. De verschrikking van den storm loste
zich nu voor Anna op in een liefelijke melodie. Hij had haar gezegd,
wat haar hart wenschte, maar haar verstand vreesde. Zij antwoordde
niets, maar haar gelaat verried den innerlijken strijd.
"Vergeef mij, indien ik daareven iets gezegd heb, dat u onaangenaam
is," sprak hij deemoedig, beleefd en eerbiedig, maar toch zoo kalm,
dat zij er een oogenblik niets op antwoorden kon.
"Wat gij daar zegt is slecht, en ik smeek u, als gij een weldenkend
mensch zijt, vergeet dan, wat gij gesproken hebt, gelijk ik het ook
vergeten zal," sprak zij eindelijk.
"Niet één uwer woorden, niet één uwer bewegingen zal en kan ik ooit
vergeten.... "
"Genoeg, genoeg!" riep zij uit, terwijl zij te vergeefs haar gelaat,
waarnaar hij vol verlangen opzag, een strenge uitdrukking poogde
te geven.--Zij greep het koude ijzer van de balustrade, steeg de
treden op en ging haastig het voorgedeelte van den waggon in. Bij den
ingang bleef zij even staan om over het voorgevallene te denken.--Zij
herinnerde zich zijn noch haar woorden, maar zij besefte, dat het
zooeven gevoerd gesprek hen ontzettend nader tot elkander gebracht
had. Het maakte haar evenzeer verschrikt als gelukkig.
Nadat zij zoo eenige minuten gestaan had, trad zij den waggon binnen
en zette zich op haar plaats.--De gespannen toestand, waarin zij te
voren verkeerd had, herhaalde zich niet slechts, maar werd sterker
en het kwam zoover, dat zij vreesde, dat er iets te strak gespannens
in haar zou breken.--Zij sliep den geheelen nacht niet, maar in de
spanning en in de droomen, die haar verbeelding vervulden, was niets
onaangenaams en duisters meer, maar integendeel iets gelukkigs,
gloeiends en opwekkends.