"Wel? Zal de trein haast komen?" wendde hij zich tot een beambte.
"De trein is nabij," werd hem geantwoord.
De op handen zijnde aankomst van den trein werd zichtbaar aan de
toenemende beweging en bedrijvigheid op het perron, het heen en weer
draven der pakdragers, het verschijnen van de gendarmen en aan den
grooteren aandrang van het publiek.
"Neen," sprak Stipan, die den lust niet kon weerstaan Wronsky iets
van Lewins plannen op Kitty mede te deelen, "gij hebt mijn Lewin
toch niet juist beoordeeld; hij is wel is waar soms wat zenuwachtig
en kan dan wat onaangenaam worden, maar hij kan ook zeer beminnelijk
zijn. Het is een heerlijke, oprechte natuur, hij heeft een hart van
goud!--Maar, zie je, gisteren had hij een bizondere reden," voegde
hij er met een veelbeteekenend lachje bij "om òf heel gelukkig òf
heel ongelukkig te zijn."
Wronsky bleef staan en vroeg op de man af: "Wat meent gij
daarmee? Heeft hij je schoonzuster misschien ten huwelijk gevraagd?"
"Dat kan heel wel mogelijk zijn," antwoordde Stipan Arkadiewitsch,
"het kwam mij gisteravond zoo voor. Als hij nu 's avonds zoo vroeg
is weg gegaan en slecht gehumeurd was, dan zal er wel wat van aan
zijn. Hij bemint haar reeds lang; het spijt mij zeer."
"Zoo? Ik geloof, dat zij wel op een betere partij kan rekenen," en
het hoofd fier opheffend wilde hij weer verder gaan. "Ofschoon!... Ik
ken hem ook nog te weinig," voegde hij er nog bij. "Ja, dat is een
fatale toestand; daarom laten verreweg de meesten zich ook liever
met de Thérèse's in [4]; hier bewijst een slecht succes alleen, dat
men geen geld genoeg heeft, maar dààr ligt onze geheele waarde op de
weegschaal.... Daar komt de trein."
De trein kwam voor en deed het perron dreunen. Nog voorbij stil stond,
sprong een vlugge conducteur van de loopplank en liet zijn fluitje
hooren. Na hem sprong de eene ongeduldige passagier na den anderen
er uit: een gardeofficier met stramme houding en strengen blik, een
bewegelijk jong koopman, die met zijn tasch in de hand opgeruimd de
wijde wereld in keek, en een boer met zijn knapzak op den rug. Wronsky,
die naast Oblonsky stond, keek in de waggons, monsterde de uitstappende
passagiers en had zijn moeder geheel vergeten. Hetgeen hij zooeven
van Kitty gehoord had, verheugde hem, zijn oogen schitterden, hij
gevoelde zich overwinnaar.
"Gravin Wronsky bevindt zich in deze afdeeling," sprak de vlugge
conducteur, terwijl hij langs Wronsky heen ging. Deze woorden wekten
hem weer uit zijn droomerij en herinnerde hem aan zijn moeder. In zijn
hart koesterde hij eigenlijk geen groote achting voor zijn moeder en,
zonder zich daar duidelijk van bewust te zijn, beminde hij haar ook
niet. Maar naar de begrippen van den kring, waarin hij zich bewoog
en volgens zijn opvoeding, kon hij zich tegenover zijn moeder geen
andere betrekking voorstellen als die van eerbied en gehoorzaamheid,
en hij bewaarde den uitwendigen schijn des te meer, hoe minder hij
haar in zijn hart achtte en liefhad.
Hij volgde den conducteur naar den aangewezen waggon. Toen hij de
coupé binnen wilde gaan, moest hij wijken om een uitstappende dame
den weg vrij te laten. Hij maakte een verontschuldiging en wilde
binnen gaan, maar moest nog eens even naar haar omzien, niet omdat
zij zoo bizonder schoon en haar geheele verschijning gedistingueerd
en aanvallig was, maar omdat in de uitdrukking van haar lief gelaat,
toen zij hem voorbijging, iets bizonder teeders en vriendelijks was
gelegen. Toen hij omzag, wendde ook zij te gelijk het hoofd om. Een
paar schitterende, groote oogen, die door dichte wimpers zeer donker
schenen, rustten opmerkzaam en vriendschappelijk op zijn gelaat,
als deden zij moeite hem te herkennen, om dan terstond over de nader
dringende menigte heen te glijden, als zochten zij daar iemand.
Die korte blik was voor Wronsky voldoende geweest om op te merken,
dat een glans van bedwongen levenslust op haar gelaat, tusschen de
schitterende oogen en de roode lippen speelde, alsof een overvloed
van het een of ander haar zóó vervulde, dat het zich tegen haar wil
in den glans van haar blik en haar lach verried. Zij temperde met
opzet het vuur harer oogen, maar het mocht haar niet gelukken dat
geheel te verbergen.
Wronsky stapte in den wagen. Zijn moeder, een magere oude dame met
zwarte oogen en grijze krullen, kneep de oogen half dicht, terwijl
ze haar zoon opnam, en plooide haar dunne lippen tot een lachje. Zij
richtte zich uit de kussens op, gaf de kamenier haar reistaschje over
en stak haar zoon de kleine, dorre hand toe. Nadat hij deze had gekust,
hief zij zijn hoofd omhoog en kuste hem.
"Hebt ge het telegram ontvangen? Gij zijt Goddank gezond!"
"U heeft een goede reis gehad, niet waar?"
Op dat oogenblik trad de dame, die hij het eerst ontmoet had, weer
aan de deur.
"Hebt gij uw broeder niet gevonden?" vroeg mevrouw Wronsky.
Nu viel het Wronsky in, dat zij Anna Karenina zijn moest.
"Uw broeder is hier!" sprak hij. "Neem mij niet kwalijk, dat ik u niet
terstond herkende. Wij hebben elkander vroeger zoo vluchtig ontmoet,
dat u zich mijner ook wel niet meer zal herinneren."
"O neen! Maar ik zou u toch herkend hebben, want uw mama heeft de
geheele reis door over u gesproken. Maar mijn broeder schijnt toch
niet hier te zijn."
"Haal hem toch hier! Alëscha," sprak de oude gravin.