Wronsky had nooit een eigenlijk familieleven leeren kennen. Zijn moeder
had van haar jeugd af in de wereld geschitterd en had gedurende haar
huwelijk en vooral na dien tijd vele romans doorleefd die algemeen
bekend waren. Hij kon zich zijn vader ternauwernood herinneren. Hij
was in het pagecorps opgevoed, en daaruit ontslagen, trad hij
terstond als jong, schitterend luitenant in den kring der Petersburger
officieren. Hoewel hij nu en dan de Petersburger groote wereld bezocht,
had hij al zijn liaisons daarbuiten in demi-monde aangeknoopt.
Na dit weelderig en grof zinnelijk leven te Petersburg, leerde hij
te Moskou voor het eerst de bekoorlijkheid van den omgang kennen met
een lief, onschuldig meisje van goede huize, dat hem genegenheid
toedroeg. Het viel hem volstrekt niet in, dat er in zijn houding
tegenover Kitty iets onbehoorlijks lag. Op de bals danste hij meestal
met haar, hij bezocht haar huis, sprak met haar, wat men gewoonlijk in
gezelschap spreekt: allerlei onzin, waar hij onwillekeurig beteekenis
in legde. Niettegenstaande hij niets tegen haar gesproken had, wat
hij niet in het bijzijn van anderen had kunnen zeggen, gevoelde hij
toch, dat zij zich al meer en meer van hem afhankelijk maakte, en hoe
meer hij dit besefte, des te aangenamer werd het hem, en zijn gevoel
voor haar nam toe in teederheid. Hij besefte niet, dat zijn gedrag
tegenover haar een bepaalden naam had, dat het de verleiding van een
jong meisje was zonder het plan haar te huwen, en dat deze manier van
handelen een der vele slechte gewoonten was van zulke schitterende
dandies als hij. Hij hield zich voor den eerste, die zulk een genoegen
had uitgevonden en verheugde zich over die ontdekking.
Indien hij had kunnen hooren, wat de vorst en de vorstin dienzelfden
avond bespraken, indien hij zich op het standpunt der familie had
kunnen verplaatsen en vernemen, dat Kitty ongelukkig zou worden, indien
hij haar niet wilde huwen, dan zou hij zich zeer hebben verwonderd
en het volstrekt niet hebben geloofd. Hij kon niet gelooven, dat
die omgang, die hem en vooral haar zulk een heerlijk genot bereidde,
slecht zou kunnen zijn, en nog minder zou hij hebben geloofd, dat hij
verplicht was haar te huwen. De gedachte te trouwen was hem nog nooit
in den zin gekomen. Niet alleen omdat hij heel weinig van huiselijk
leven hield, maar voornamelijk omdat hij, volgens de beschouwing van
de wereld der ongehuwde heeren, waarin hij verkeerde, een gehuwd
man een bizonder vijandig en bovenal een eenigszins belachelijk
wezen vond. En toch gevoelde Wronsky, toen hij 's avonds het huis
der Tscherbatzky's verliet, dat de geheime sympathische band, die
tusschen Kitty en hem bestond, dien avond zoo vast aangesnoerd was,
dat er iets gedaan moest worden; het was hem echter niet duidelijk wat.
"Dat is juist zoo bekoorlijk," dacht hij bij het huiswaarts gaan,
terwijl hij na een bezoek bij de Tscherbatzky's, zooals altijd, een
gevoel van reinheid en frischheid medenam (dat zeker ten deele daaraan
toe te schrijven was, dat hij niet gerookt had); "dat is juist zoo
bekoorlijk, dat zij noch ik iets gezegd hebben en wij elkander door
de stille taal der oogen en alleen door den klank der stem zoo goed
begrijpen, dat zij heden duidelijker dan ooit bekend heeft mij te
beminnen. En hoe betooverend natuurlijk en vertrouwelijk is zij! Ik
gevoel mij zelf beter, reiner; ik gevoel, dat ik een hart heb en
dat er iets goeds in mij woont. Die zachte, minnende oogen!"--Toen
overlegde hij, hoe het best den avond te besluiten. "Naar de club? Een
partij besique? Champagne met Ignatoff? Neen--Chateau des fleurs? Daar
vind ik Oblonsky--Couplet en cancan? Neen, dat is te vervelend. Naar
haar? Neen, daar ga ik vandaag in geen geval heen! Daarom houd ik
zooveel van de Tscherbatzky's, omdat ik er zelf beter word. Ik ga
naar huis."
Hij ging rechtstreeks naar zijn kamer bij Dussot, liet zijn avondeten
boven brengen en lag spoedig, zooals altijd, in een diepen en gezonden
slaap gedompeld.
Den anderen dag, 's morgens om elf uur, reed Wronsky naar het
Petersburger station om zijn moeder op te wachten. De eerste, dien
hij ontmoette, was Oblonsky die zijn zuster Anna afhaalde.
"Zoo, Doorluchtigheid! Wien wacht je hier toch op," riep Oblonsky
hem te gemoet.
"Mijn moeder!" antwoordde Wronsky lachend, drukte hem de hand en ging
met hem de breede trappen op. "Zij komt van Petersburg."
"Ik heb gisteren tot twee uur op je gewacht. Waar ben je toch van de
Tscherbatzky's heen gereden?"
"Naar huis. Ik moet bekennen, dat ik me gisteravond zoo wel gevoelde,
dat ik geen lust had ergens anders heen te gaan."
"Aan het brandmerk herken ik het moedige ros,
Een verliefden knaap aan zijn oogen,"
declameerde Stipan weer even als vroeger voor Lewin.
Wronsky sprak hem niet tegen, maar veranderde terstond van gesprek.
"Wien verwacht gij dan?" vroeg hij.
"Ik? Een mooie jonge vrouw."
"Ei, ei."
"Honny soit, qui mal y pense! Mijn zuster Anna."
"Oh, Anna Karenina?"
"Gij kent haar zeker."
"Ik meen van ja, maar ik weet niet recht.... Ik herinner het mij
waarlijk niet," antwoordde Wronsky verstrooid, daar hem bij den naam
"Karenin," iets vervelends en geaffecteerds voor den geest zweefde.
"Maar Alexis Alexandrowitsch Karenin, mijn beroemden zwager, kent
gij stellig wel, dien kent de heele wereld."
"Ja, zie je! Ik ken zijn naam en roem van hooren zeggen; ik weet,
dat hij een wijs, geleerd, godvreezend man is. Maar gij weet, dat is
niet in mijn ... not in my line," sprak Wronsky.
"Ja, hij is een zeer merkwaardig man, een beetje conservatief, maar
toch een uitmuntend mensch," merkte Stipan aan. "Ja, een uitmuntend
mensch!"
"Des te beter voor hem," sprak Wronsky glimlachend.--"Zoo ben jij
hier?" wendde hij zich tot den hooggewassen, ouden bediende zijner
moeder, die aan de deur stond. "Kom binnen!"
Wronsky werd, behalve in het algemeen door Oblonsky's beminnelijkheid,
nu in het bizonder door den band, die hem met Kitty verbond,
aangetrokken.
"Hebt ge gisteren mijn vriend Lewin ook leeren kennen?" vroeg Stipan
Arkadiewitsch.
"Ja, maar hij verliet het gezelschap zeer vroeg."
"Een flinke, aardige vent, niet waar?" vroeg Oblonsky.
"Ik weet niet, hoe het komt, maar ik vind dat alle Moskouers, alleen
die, met wien ik nu spreek, uitgezonderd," voegde hij er schertsend
bij, "iets ruws hebben. Zij gaan dadelijk op de achterste pooten staan,
ergeren zich om niets en doen alsof zij het alleen weten."