Wronsky trad op het perron en riep: "Oblonsky, hier!"

Anna Karenina wachtte echter niet, tot haar broeder bij haar

kwam. Zoodra zij hem gewaar werd, ging zij met vasten tred het perron

op en toen zij hem ontmoette, sloeg zij met buitengewoon vrije en

bekoorlijke beweging haar linker arm om zijn hals, trok hem naar

zich toe en kuste hem hartelijk. Wronsky zag haar onafgewend aan en

wist zelf niet, waarom hij glimlachte. Daar het hem inviel, dat zijn

moeder wachtte, ging hij weer naar den waggon terug.

"Niet waar, zij is bekoorlijk?" zeide de gravin. "Haar echtgenoot

wees haar de plaats naast mij aan en ik verheugde mij daar zeer

over. Wij hebben de geheele reis over gekeuveld. En gij...? Men zegt:

vous filez le parfait amour. Tant mieux, mon chèr, tant mieux."

"Ik weet niet, wat u daarmede meent, mama!" antwoordde de zoon

koel. "Zullen wij gaan, mama?"

Anna Karenina trad weer naar den waggon om afscheid van de gravin te

nemen. "Nu gravin! gij hebt uw zoon en ik mijn broeder gevonden! Mijn

geschiedenissen waren nu ook alle ten einde en ik zou u niet meer

hebben kunnen vertellen!"

"Neen, neen!" sprak de gravin, "met u zou ik de heele wereld door

kunnen reizen zonder mij te vervelen. Gij zijt een van die innemende

dames, waarmede het even aangenaam is te spreken als te zwijgen. En

denk nu maar niet te veel aan uw zoon, het is toch onmogelijk altijd

bij elkander te zijn. 'Anna Arkadiewna,' wendde zij zich ophelderend

tot Wronsky, "heeft namelijk een zoon van acht jaar, dien zij nog

nooit heeft verlaten, en nu kwelt haar de gedachte hem alleen achter

gelaten te hebben."

"Ja, wij hebben den geheelen tijd, ik van mijn en de gravin van haar

zoon gesproken," en een lachje, dat hem gold, verhelderde haar gelaat.

"Dat zal u zeker wel verveeld hebben," antwoordde hij, den bal der

coquetterie, dien zij hem toegeworpen had, opvangend.

Zij wilde het gesprek klaarblijkelijk niet op dien toon vervolgen en

wendde zich weer tot de oude gravin: "Ik ben u wel verplicht! De reis

is mij zoo kort gevallen als nooit te voren, en ik heb nauwelijks

bemerkt, dat wij aan 't einde waren. Tot weerziens, gravin!"

"Nu, vaarwel, melieve!" antwoordde deze. "Laat mij eerst nog uw mooi

gezichtje eens kussen. Als oude vrouw mag ik ronduit zeggen, dat ik

u hartelijk lief heb gekregen."

Hoe afgezaagd deze phrase ook was, Anna Karenina nam ze voor waarheid

aan en ze deed haar zichtbaar genoegen. Zij bloosde, boog zich

voorover en liet zich kussen. Daarna richtte zij zich weer op en

stak Wronsky de hand toe. Hij nam de hem aangebodene kleine hand in

de zijne en verheugde zich over den krachtigen druk, waarmede zij de

zijne schudde. Daarna ging zij met vluggen tred naar buiten.

"Zij is allerliefst," sprak de oude dame. Dat zelfde dacht haar zoon

ook. Zijn oogen volgden de sierlijke gestalte tot zij verdween. Toen

zag hij door het venster, hoe zij op haar broeder toetrad, diens arm

nam en terstond een levendig gesprek met hem begon, dat klaarblijkelijk

geen betrekking had op hem, Wronsky, en dat hinderde hem.

"Dus, mama, alles is wel?"

"Alles wel, uitstekend! Alexander was zeer wel en Marie is heel mooi

geworden, zij is zeer interessant..." En zij begon over alles te

spreken, waar zij het meest belang in stelde, over den doop van haar

kleinzoon, het doel harer reis naar Petersburg en over de buitengewone

goedgunstigheid van den keizer jegens haar oudsten zoon.

"Daar komt Lawrenti aan!" sprak Wronsky, uit het venster ziende.

De oude hofmeester, die de gravin altijd op reis begeleidde, trad

binnen om te melden, dat alles in orde was. De gravin stond op om

te vertrekken.

"Ja, laten wij nu gaan!" zeide Wronsky, "nu is de grootste drukte

voorbij."

De kamenier nam het hondje, de huishofmeester met een pakdrager de

bagage en Wronsky bood zijn moeder den arm aan. Toen zij den waggon

wilde verlaten, liepen hen eenige menschen, waaronder de stationschef,

met verschrikte gezichten voorbij. Er was klaarblijkelijk iets

ongewoons voorgevallen.

"Wat? Waar? Is er iemand overreden?" hoorde men roepen.

Stipan Arkadiewitsch was ook met zijn zuster terug gekomen en met

verschrikt gelaat stonden beiden onder het raampje van den waggon. De

dames traden weer in den waggon terug! Wronsky en Stipan gingen echter

met de menigte mede om de bizonderheden van het ongeval te vernemen.

Een der wisselwachters had, òf door dronkenschap òf doordat hij zich

om de felle koude te dicht in zijn pels gewikkeld, had, den aankomenden

trein niet bemerkt en was overreden geworden.

Oblonsky en Wronsky zagen het verminkte lijk. Oblonsky leed zichtbaar

onder dezen indruk. Zijn gelaat was verwrongen en hij kon nauwelijks

zijn tranen bedwingen.

"O, indien u dat gezien hadt, gravin!" zeide hij. "Stel u eens voor,

zijn vrouw wierp zich over het lijk! O, hoe verschrikkelijk! Ach,

Anna, als gij dat gezien hadt! O, hoe vreeselijk!"

Wronsky daarentegen zweeg; zijn schoon gelaat was ernstig, maar rustig.

"Men zegt, dat die man een zeer talrijk gezin alleen te onderhouden

had," klaagde Stipan.

"Zou men iets voor haar kunnen doen?" vroeg Anna met bewogen stem.

Wronsky zag haar aan en verliet dadelijk den waggon.

Toen hij eenige oogenblikken later terugkeerde, was Stipan

Arkadiewitsch reeds druk met de gravin in gesprek over een nieuwe

zangeres, terwijl zij ongeduldig naar de terugkomst van haar zoon

uitzag.

Nu gingen ze allen gezamenlijk weg. Aan den uitgang van het station

kwam de inspecteur hen achter op.

"U heeft mijn collega tweehonderd roebels gegeven; ik ben zoo vrij

u nadere inlichting te vragen, hoe dat geld moet worden besteed."

"Natuurlijk aan de weduwe geven!" antwoordde Wronsky de schouders

ophalend. "Ik begrijp niet, hoe men daar nog naar kan vragen."

"Dat hebt gij gegeven?" riep Oblonsky uit, en zich tot zijn zuster

wendend voegde hij er bij: "Dat is mooi, waarlijk heel mooi, niet

waar? Een uitmuntende kerel!--Vaarwel, gravin! Ik heb de eer u te

groeten!"

Toen Anna in de coupé plaats nam, werd Stipan met verwondering gewaar,

dat haar lippen trilden en dat zij met moeite haar tranen weerhield.

"Wat deert je, Anna?" vroeg hij, toen zij eenige honderd stappen

gereden hadden.

"Dat is een slecht voorteeken!" antwoordde zij.

"Kom nonsens! Gij zijt hier welbehouden aangekomen en dat is de

hoofdzaak. Gij kunt niet vermoeden, hoezeer ik op je hulp reken! Wat

ik al niet van je verwacht!"

"Kent gij Wronsky reeds lang?"

"Ja, ge weet toch zeker, hoe wij hopen, dat hij Kitty zal trouwen?"

"Zoo," sprak Anna zacht. "Maar nu willen wij van je eigen

aangelegenheden spreken," voegde zij er bij, als wilde zij iets anders

van zich afzetten. "Ik heb uw brief ontvangen en daar ben ik nu."

"Ja, en ik heb al mijn hoop op je bemiddeling gevestigd."

"Nu, vertel mij dan alles!"

En Stipan begon zijn verhaal. Toen zij tot voor zijn woning waren

gereden, liet Oblonsky zijn zuster uitstappen, drukte haar zuchtend

de hand en reed zelf door naar het gerechtshof.

Anna Karenina(#13214) · 第 18 / 196 题