Op dat oogenblik trad de vorstin het salon binnen. Haar gelaat betrok,
toen zij die beiden alleen aantrof en hun verstoorde gezichten. Lewin
boog zwijgend; ook Kitty zweeg zonder op te zien.
"Godlof! zij heeft hem bedankt!" dacht de moeder en haar gelaat
verhelderde en plooide zich tot het stereotype lachje, waarmede zij
elken Donderdag haar gasten placht te ontvangen. Zij nam plaats en
knoopte met Lewin een gesprek aan over het buitenleven. Ook hij was
gaan zitten in afwachting van de komende gasten, om zich dan onbemerkt
te verwijderen.
Na eenige minuten trad een vriendin van Kitty binnen, de sedert
den vorigen winter gehuwde gravin Nordston. Zij was een magere,
gele, zwartoogige, ziekelijke en zenuwachtige vrouw. Zij droeg Kitty
hartelijke genegenheid toe en was trotsch op haar. Haar neiging voor
Kitty drukte zich in den wensch uit deze met Wronsky getrouwd te
zien. Zij had Lewin, die zij bij het begin van den winter dikwijls bij
Kitty had aangetroffen, nooit mogen lijden. Haar lievelingsbezigheid
was hem in Kitty's bijzijn belachelijk te maken. Zij had het goed
getroffen, want Lewin beantwoordde haar gevoel van afkeer en verachtte
haar om hetgeen zij voor iets bizonders hield en waarop zij zich veel
liet voorstaan: haar zenuwachtigheid en ziekelijke fijngevoeligheid,
haar tegenzin in en haar onverschilligheid voor alles wat naar
natuur zweemde en zich niet tot de stijve vormen der samenleving liet
dwingen. De verhouding tusschen Lewin en gravin Nordston, overigens
verstandige en goede menschen, was zoo gespannen geworden, dat zij
elkander van ganscher harte verachtten, zoozeer, dat zij niet eens
meer met elkander konden omgaan zonder zich de een door den ander
beleedigd te gevoelen.
Gravin Nordston schoot terstond op Lewin toe.
"Aha, Constantin Dimitritsch! Weer in ons Babel teruggekeerd!" sprak
zij en stak hem haar kleine, gele hand toe. "Heeft Babel zich bekeerd,
of heeft Babel u ook bedorven?" voegde zij er, Kitty aanziende,
met een schalksch lachje bij.
"Het is voor mij een groote eer, dat u mijn woorden zoo goed onthoudt,"
antwoordde Lewin, die den tijd had gehad zich te beheerschen en
terstond zijn gewonen vijandelijk schertsenden toon tegen de gravin
aansloeg. "Zij maken voorzeker een diepen indruk op u."
"O zeker! ik schrijf ze alle op. Hebt ge weer schaatsengereden
Kitty?" en zij begon met deze een gesprek aan te knoopen.
Lewin wilde opstaan en vertrekken. Hoe onvoegzaam dit zijn mocht,
hij wilde zich toch liever aan een onwellevendheid schuldig maken,
dan den geheelen avond daar blijven om te zien, hoe Kitty gekweld
werd, wanneer haar blik somwijlen op hem vallen moest of als zij
trachte zijn blik te vermijden. Hij wilde dus opstaan, maar de vorstin
bemerkte ongelukkig zijn verlegenheid en wendde zich tot hem.
"Hoe lang blijft u te Moskou? U heeft zeker veel voor de semstwo te
doen en kunt daarom niet lang wegblijven?"
"Neen, vorstin, ik heb niets meer met de semstwo te maken en ben
slechts voor een paar dagen hierheen gekomen."
"Hij heeft iets bizonders," dacht gravin Nordston, terwijl zij zijn
ernstig, streng gelaat scherper opnam. "Hij komt vandaag niet eens
met zijn gewone redeneeringen voor den dag, maar ik wil hem er weer
opbrengen. Ik houd er dol veel van, hem in Kitty's bijzijn bespottelijk
te maken, en dat wil ik ook."--"Constantin Dimitritsch"--zoo sprak
zij hem aan, "och, wil zoo goed zijn mij iets te verklaren. Het is
u zeker bekend, dat de gezamenlijke boeren op ons landgoed in het
gouvernement Kaluga, vrouwen zoowel als mannen, alles wat zij bezaten
verdronken hebben en ons niets betalen--hoe komt dat eigenlijk? U
prijst de boeren toch altijd zoo...."
Op dat oogenblik trad een nieuwe gast, een dame, binnen en Lewin
stond op. "Excuseer mij, gravin," sprak hij, "ik kan u daar niets
van zeggen." Zich omwendende werd hij achter de dame een officier
gewaar.--"Dat zal zeker Wronsky zijn," dacht hij en om zich daarvan
te overtuigen zag hij Kitty aan.
Zij had Wronsky ook bemerkt en zag dadelijk naar Lewin om.--Haar
onwillekeurig opflikkerende oogen ontmoetten zijn treurige blikken. Hij
werd overtuigd, dat zij dien man beminde en dat zoo zeker, alsof zij
het hem met woorden had gezegd. Wat was hij voor een man? Of hij goed
deed of niet, nu moest hij blijven; hij wilde den man kennen, dien
zij beminde. Er zijn menschen, die, als zij een gelukkigen mededinger
zien, dadelijk gereed zijn niets goeds in hem te willen opmerken en
alleen de slechte eigenschappen zien; er zijn daarentegen ook anderen,
die in hun meer begunstigde mededingers alleen die hoedanigheden
wenschen te leeren kennen, waardoor zij zelf uit het veld geslagen
zijn en zij zoeken, met de felste smart in eigen boezem, alleen het
goede in hem. Lewin behoorde tot deze laatsten. Het viel hem ook
niet moeilijk in Wronsky iets goeds en aantrekkelijks te vinden;
het sprong hem terstond in het oog.
Wronsky was van middelbare grootte, krachtig gebouwd en had donker
haar; zijn gelaat was innemend en goedhartig en had een kalme en
vaste uitdrukking. Alles wat aan hem was, van het kort gesneden haar
en de gladgeschoren kin tot aan de wijde, fonkelnieuwe uniform, was
eenvoudig en daarbij gedistingueerd.--Eerst trad hij op de vorstin toe,
daarna op Kitty.
Terwijl hij naderde, glinsterden zijn oogen teeder en met een
nauwelijks merkbaar, gelukkig en, zooals het Lewin toescheen,
bescheiden triomfeerend lachje boog hij eerbiedig voor haar en
stak haar zijn korte, breede hand toe. Naar alle zijden groetend en
schertsend, nam hij plaats, zonder Lewin, die van zijn kant geen oog
van hem afhield, een enkele maal aan te zien.
"Mag ik het genoegen hebben u aan elkander voor te stellen," sprak
de vorstin en wees op Lewin. "Constantin Dimitritsch Lewin en graaf
Alexei Wassilitsch Wronsky."
Wronsky stond op en drukte Lewin een oogenblik de hand.
"Ik geloof, dat wij dezen winter eens in elkanders gezelschap zouden
gedineerd hebben, maar toen waart gij geheel onverwachts naar buiten
terug gekeerd."
"Constantin Dimitritsch haat de stad en ook ons stadbewoners," viel
gravin Nordston in.
"Mijn woorden hebben klaarblijkelijk een diepen indruk op u gemaakt,
want u onthoudt ze zeer goed," antwoordde Lewin, en daar hij zich
terstond herinnerde pas iets dergelijks gezegd te hebben, bloosde hij.
Wronsky zag van Lewin naar de gravin en glimlachte.
"Woont u altijd buiten?" vroeg hij. "Mij dunkt, dat het daar 's
winters erg vervelend zijn moet."
"Niet wanneer men er zijn werkkring heeft, en met zich zelf alleen
te zijn is ook niet vervelend," antwoordde Lewin stroef.
"Ik dweep met het landleven," hernam Wronsky en deed alsof hij den
stroeven toon niet opgemerkt had.
"Ik hoop echter, graaf, dat gij er niet toe besluiten zult u voor
altijd op het land terug te trekken," sprak gravin Nordston.
"Dat weet ik niet, lang heb ik er nog nooit vertoefd, maar ik houd
veel van het buitenleven. Ik heb nog nooit zoo'n sterk verlangen naar
een Russisch dorp met zijn sneeuwschoenen en boeren gehad, als toen
ik een winter met mijn moeder te Nizza doorbracht. Gij moet weten,
dat Nizza op zich zelf zeer vervelend is; ook Napels en Sorrente
kunnen slechts voor korten tijd boeien, zij zijn...."
Hier bemerkte hij, dat gravin Nordston iets wilde zeggen, zweeg daarom
en wijdde haar al zijn aandacht.
Het gesprek stokte geen oogenblik, zoodat de vorstin, die voor het
geval dat het discours verflauwde, altijd twee stuks grof geschut
in reserve hield, namelijk de classieke en practische vorming en
den algemeenen dienstplicht, die zij nu echter niet behoefde te
laten aanrukken, terwijl gravin Nordston geen gelegenheid had Lewin
te plagen.
Lewin wilde en kon geen deel nemen aan het algemeen gesprek. Ieder
oogenblik zeide hij tot zich zelf: "Nu zal ik gaan;" en toch ging
hij niet, daar hij steeds nog op iets wachtte.
Het gesprek kwam nu op tafeldans en klopgeesten, gravin Nordston, die
aan spiritisme geloofde, verhaalde wonderen, die zij gezien zou hebben.
"Mijn waarde gravin! Ik heb nog nooit iets bovennatuurlijks gezien,
ofschoon ik het overal zoek!" sprak Wronsky lachend.
"Goed dan, aanstaanden Zondagavond. Maar gij, Constantin Lewin,
gelooft gij er aan?" vroeg zij.
"Waarom doet u mij die vraag? U kent mijn antwoord."
"Ik zou zoo gaarne uw meening hooren."
"Mijn meening is, dat deze zoogenaamde dansende tafels het bewijs
leveren, dat de zoogenaamde beschaafde wereld niets hooger staat dan
de boeren. Deze gelooven aan het booze oog en aan hekserij en wij...."
"U gelooft het dus niet?"
"Ik kan er niet aan gelooven, gravin!"
"Maar wanneer ik het nu zelf gezien heb?"
"De boerinnen willen ook den huisgeest gezien hebben."
"U meent dus, dat ik onwaarheid heb gesproken?" vroeg zij gedwongen
lachend.
"Neen, Mascha! dat niet, Constantin Dimitritsch zegt slechts, dat
hij er niet aan gelooven kan," sprak Kitty voor Lewin blozend. Lewin
bemerkte dit, het wond hem nog meer op en hij wilde antwoorden. Wronsky
kwam echter met zijn gullen en vroolijken lach dit gesprek, dat
gevaarlijk dreigde te worden, te hulp.
"Sluit gij dan alle mogelijkheid buiten?" vroeg hij. "Waarom dan
toch? Wij nemen toch het voorhanden zijn van eene electrische kracht
aan, die wij ook niet kennen. Zou er dan ook nog geen andere kracht
zijn kunnen, die ons nog geheel onbekend is?"
"Toen men de electriciteit het eerst waarnam," antwoordde Lewin met
vuur, "bemerkte men haar als een buitengewoon verschijnsel en eeuwen
moesten er over heengaan, voor zij in de practijk werd aangewend."
Wronsky volgde Lewins woorden met opmerkzaamheid en nam daarbij,
volgens zijn gewoonte, het air aan van iemand, die heel veel belang
in de zaak stelde.
"Ja, en nu beweren de spiritisten van onzen tijd, dat er een kracht
bestaat, die zij wel is waar niet kennen, maar die onder bepaalde
gegevens werkzaam wordt, en dat het de zaak der geleerden is, die
kracht in haar verschijnselen na te sporen. Ik zie waarlijk niet in,
waarom zulk een kracht niet voorhanden zou zijn, wanneer...."
"Daarom niet," viel Lewin in, "omdat bij de electriciteit telkens, als
bij voorbeeld wol op hars gewreven wordt, die kracht zich vertoont;
bij het spiritisme komt ze niet bij elk experiment te voorschijn,
en daarom is het geen natuurlijke kracht."
Daar Wronsky waarschijnlijk gevoelde, dat het gesprek een voor
het salon te ernstige wending nam, trachtte hij het onderwerp te
veranderen, glimlachte en sprak tot de gravin: "Laat ons de proef
eens nemen."
Maar Lewin moest eerst zijn gedachten geheel uitspreken: "Ik houd
het er voor, dat het een nuttelooze poging van de spiritisten
is, hun wonderen door het bestaan van een nieuwe kracht te willen
verklaren. Zij spreken van een geestelijke kracht en willen die door
een stoffelijke werking bewijzen...."
Allen wachtten er op, dat hij uitgesproken zou hebben, en hij
gevoelde dat.
"En ik houd het er voor," sprak gravin Nordston, "dat u een
voortreffelijk medium zou zijn, daar u zoo licht in vuur geraakt."
Lewin opende den mond om te antwoorden, doch zweeg en bloosde.
"Kom, laat ons beginnen, prinses! Willen wij het eens met een tafel
probeeren?" sprak Wronsky. "U heeft er toch niets tegen, vorstin?" Hij
stond op en zag naar een kleine tafel om.
Kitty ging nu een tafel halen. Toen zij Lewin voorbij kwam, ontmoetten
hun oogen elkander. Zij had innig medelijden met hem, te meer daar
zij zelf aan zijn ongeluk schuld droeg.
"Als er vergiffenis mogelijk is, vergeef mij dan," smeekte haar
blik. "Ik haat allen, ook u en mij," antwoordde zijn sombere blik,
en hij greep naar zijn hoed.
Nog was het hem niet vergund te vertrekken. Nauwelijks hadden de
anderen zich om het tafeltje geschikt, of de vorst trad binnen en
wendde zich, nadat hij de dames gegroet had, terstond tot Lewin.
"Aha!" sprak hij verheugd, "sedert wanneer is u hier? 't Doet mij
recht veel genoegen je te zien!"
De oude vorst sprak Lewin nu eens met u, dan weer met je aan. Hij
omhelsde hem en lette, terwijl hij met hem sprak, volstrekt niet op
Wronsky, die opgestaan was en rustig wachtte tot de vorst zich tot
hem zou wenden.
Kitty gevoelde, hoezeer die hartelijkheid van haar vader Lewin na
het voorgevallene moest drukken; zij bemerkte, hoe koel haar vader
eindelijk Wronsky's groet beantwoordde en hoe deze hem met goedhartigen
twijfel aanzag, zich kennelijk moeite gevend te begrijpen, waarom
vorst Tscherbatzky zoo onvriendelijk jegens hem was gezind en dit
toch niet begrijpend. Zij werd rood en plotseling gevoelde het geheele
gezelschap zich gedrukt.
"Vorst! wees zoo goed Constantin Dimitritsch aan ons over te laten,
wij willen hier een proef nemen," zeide gravin Nordston.
"Welk een proef?--Tafeldans?--Neem mij niet kwalijk, heeren en
dames, volgens mijn bescheiden meening is het ringspel nog veel
interessanter," sprak de oude vorst, den blik op Wronsky gevestigd,
daar hij giste, dat het van hem was uitgegaan. "In het ringspel ligt
ten minste nog eenige zin!"
Wronsky zag met zijn rustige oogen den vorst verwonderd aan en wendde
zich daarop met een nauwelijks merkbaar lachje tot gravin Nordston
om met haar te spreken over het bal, dat de volgende week ophanden was.
"Ik hoop, dat u daar ook zijn zal," zeide hij tot Kitty.
Zoodra de vorst zich van hem afgewend had, was Lewin ongemerkt weg
gegaan; de laatste indruk, dien hij van dezen avond mede nam, was
het gelukkig lachend gelaat van Kitty, die Wronsky's vraag omtrent
het bal juist beantwoordde.
Na afloop der soirée deelde Kitty haar moeder het gesprek met Lewin
mede, en ondanks haar medegevoel voor hem, verheugde het haar toch,
dat hij zijn aanzoek had gedaan. Zij twijfelde er volstrekt niet
aan, of zij had goed gehandeld en toch kon zij, toen zij zich ter
ruste legde, den slaap niet vatten. Zij zag nog steeds de sombere
uitdrukking van Lewins gelaat, de opgetrokken wenkbrauwen, waaronder
de goedige oogen zoo treurig en somber blikten, toen hij haar en
Wronsky gadesloeg. Maar terstond dacht zij er aan, voor wien zij hem
had afgewezen. Zij stelde zich Wronsky's mannelijk, flink gelaat voor;
die edele rust, die in alles doorstralende goedhartigheid. Zij dacht
aan zijn liefde voor haar en haar hart werd weer vroolijk; met een
gelukkig lachje zonk zij in de kussens neder.
"Het doet mij zoo innig, innig leed! Maar wat kan ik er aan doen? Ik
heb geen schuld," drong zij zich zelf op; maar een inwendige stem zeide
het haar anders. Of het haar speet, hem ooit hoop gegeven dan wel hem
te hebben afgewezen, dat werd haar zelf niet recht duidelijk. En toch
vergalde dezen twijfel haar geluk.
"God zij mij genadig, God zij mij genadig [3]!" bad zij, voor zij
insliep.
Terzelfder tijd had in het kleine kabinet van den vorst tusschen
de beide ouders een der in den laatsten tijd veelvuldig voorkomende
scènes plaats over de toekomst hunner jongste dochter.
"Wat!" riep de vorst uit, terwijl hij druk gesticuleerde en zich
stijf in zijn pels wikkelde. "Wat? Dat is het, dat gij geen fierheid
en waardigheid meer bezit! Dat gij uw dochter van schaamte zult doen
blozen en haar met je nietswaardige en dwaze koppelarij te gronde
zult richten."
"Maar wat heb ik dan in 's hemels naam gedaan?" vroeg de vorstin
snikkend.
Gelukkig en tevreden was zij na het gesprek met Kitty tot haar
echtgenoot gekomen en, al had zij ook geen plan hem over het aanzoek
van Lewin en Kitty's weigering te spreken, zij had hem toch te kennen
gegeven, dat de zaak met Wronsky zoo goed als beklonken was en na de
komst zijner moeder tot een goed einde zou worden gebracht. Bij deze
woorden werd de vorst rood van toorn en begon op een ongepaste wijze
zijn opmerkingen uit te stooten.
"Wat ge gedaan hebt? Ten eerste hebt ge een vrijer gelokt en heel
Moskou zal daar met recht schande van spreken! Wil je partijtjes geven,
dan moet je alle, niet alleen begunstigde vrijers verzoeken. Roep
mijnentwege al die melkmuilen binnen en laat ze dansen, maar lok niet,
zooals gij tegenwoordig doet, enkele vrijers om ze aan elkander te
koppelen! Dat staat mij verschrikkelijk tegen. En nu hebt ge het
doel bereikt. Ge hebt het meisje het hoofd op hol gebracht! En deze
Lewin is duizendmaal beter! Zulke Petersburger kwasten worden op de
machine gemaakt, zijn allen op één leest geschoeid en op de keper
beschouwd niets waard. En al ware hij ook een prins van den bloede,
mijn dochter heeft hem niet noodig."
"Ik zie wel, dat, als ik naar je woorden wilde luisteren, we onze
dochter nooit zouden uithuwelijken; dan was het maar beter naar ons
landgoed te vertrekken."
"Dat was ook oneindig veel beter."
"Gij doet alsof ik om zijn gunst gebedeld heb! Ik heb er niets voor
gedaan, hoor! Hij is een buitengewoon aangenaam jongmensch, hij heeft
liefde voor haar opgevat en, zoo het schijnt, zij ook voor hem...."
"Ja, zoo schijnt het je toe! En als zij nu eens werkelijk op hem
verliefd was en hij evenmin aan trouwen denkt als ik?... O! dat
mijn oude oogen dat lijdelijk moeten aanzien! Ach, spiritisme! Ach,
spiritisme! Ach, Nizza! Ach, op het bal!" en bij elk woord maakte de
vorst een beweging en bootste zijn vrouw na. "En als wij nu Katinka's
ongeluk hebben voltooid, als zij er zich iets van in 't hoofd zet?..."
"Waarom denk je dat, waarom kunt ge zoo iets gelooven...."
"Ik geloof niet, ik weet het. Daarvoor hebben wij onze oogen en
gij vrouwen zijt met blindheid geslagen. Ik zie daar een man, die
ernstige plannen heeft, en dat is Lewin; en ik zie ook een papegaai,
als dezen hansworst, die zich slechts wil amuseeren!"
"Ach, dat is alles maar verbeelding van je."
"Gij zult er nog eens aan denken, maar te laat, even als met onze
Daschninka...."
"Nu goed! goed! we willen er niet meer over spreken," viel de vorstin
hem in de rede, terwijl ze aan de arme Dolly dacht.
"Zeer wel! En nu goeden nacht!"
Nadat zij elkander het teeken des kruises gegeven en gekust hadden,
scheidden de echtgenooten, terwijl ieder hunner besefte, dat hij bij
zijn eigen meening volhardde.
De vorstin was te voren vast overtuigd geweest, dat deze avond over
Kitty's lot zou beslist hebben en er aan Wronsky's plannen niet meer
viel te twijfelen; maar de woorden van haar echtgenoot hadden haar
eenigszins in verwarring gebracht. In haar eigen vertrek teruggekeerd,
herhaalde zij, eenige malen: "God zij mij genadig, God zij mij genadig,
God zij mij genadig!"