Prinses Kitty Tscherbatzky was achttien jaar oud en had dezen winter
haar intrede in de wereld gedaan. Haar succes was grooter dan dat
harer beide oudere zusters, zelfs grooter dan de vorstin-moeder
verwacht had. Niet alleen, dat alle jonge heeren, die de Moskouer
bals bezochten, haar het hof maakten, maar in dezen eersten winter
deden zich reeds twee goede partijen op: Lewin en zeer kort na diens
vertrek graaf Wronsky.
Lewins optreden bij het begin van den winter, zijn veelvoudige bezoeken
en zijn kennelijke neiging voor Kitty gaven aanleiding tot de eerste
ernstige gesprekken over Kitty's toekomst tusschen haar ouders, alsmede
tot verschil van gevoelen tusschen vorst en vorstin. De vorst was
geheel op Lewins hand en wenschte voor Kitty niets beters; de vorstin
echter bracht, met de aan vrouwen eigen manier om de eigenlijke vraag
te ontduiken, daar tegen in, dat Lewin nog door niets getoond had
ernstige plannen te hebben, dat Kitty geen neiging voor hem toonde
en zoo al meer. De hoofdzaak echter, dat zij voor haar dochter een
betere partij verwachtte, roerde zij niet aan, ook niet dat Lewin
haar niet bizonder aantrok en dat zij hem niet begreep.
Toen Lewin zoo plotseling vertrok, was de vorstin zeer verheugd en
zeide zegevierend tot haar echtgenoot:
"Ziet ge nu wel, dat ik gelijk had?"
Toen Wronsky verscheen, was haar vreugde nog grooter, terwijl zij in
haar meening versterkt werd, dat Kitty niet alleen een goede, maar
een schitterende partij moest doen. Voor de moeder waren Lewin en
Wronsky niet op een lijn te stellen.--Bij den eersten mishaagde haar
de eigenaardige ruwheid, waarmede hij zijn meening uit kon spreken;
zijn stijfheid in gezelschap, die ze aan trots toeschreef, en zijn,
naar haar meening, onbeschaafde levenswijze op het land, waar hij
zijn dagen sleet in den omgang met boeren en vee. Verder beviel het
haar niet, dat hij, ofschoon hij Kitty beminde, twee maanden lang bij
hen in- en uitgegaan was en zich gedragen had, alsof hij nog op iets
wachtte, of hij steeds overwoog, of het niet een al te groote eer voor
Kitty zijn zou als hij een aanzoek deed. Hij moest toch begrijpen,
dat men niet in een huis, waar zich een volwassen jonge dame bevond,
kon verkeeren, zonder zich te verklaren. En hij! zonder verklaring was
hij plotseling vertrokken. "Gelukkig, dat hij zoo wenig aantrekkelijks
heeft en dat hij Kitty onverschillig is," dacht de moeder.
Wronsky daarentegen beantwoordde aan al haar wenschen. Zeer
rijk, beschaafd, voornaam, op het punt zich bij het hof een
schitterende militaire carrière te veroveren; kortom een door en door
beminnenswaardig man. Men zou hem niet beter kunnen wenschen. Op alle
bals maakte hij Kitty in het oog loopend het hof, danste met haar en
bezocht regelmatig haar huis, zoodat men niet aan den ernst van zijn
plannen kon twijfelen. Maar met dat al leefde de moeder den geheelen
winter in buitengewone onrust en opwinding.
De vorstin had voor dertig jaar door bemiddeling van een tante haar
huwelijk gesloten. De bruidegom, van wien men vooraf haarfijn alles
wist, kwam om zijn bruid te monsteren en zich door haar te laten
monsteren. De bemiddelaarster bespeurde de wederzijds ontvangen
indrukken en deelde ze aan beide partijen mede; die indrukken waren
aan beide zijden gunstig geweest. Toen was op een daarvoor bepaalden
dag het aanzoek bij de ouders gedaan en aangenomen geworden. Dit was
alles heel eenvoudig en gemakkelijk in zijn werk gegaan; zoo kwam
het de vorstin ten minste voor.
Maar bij haar dochters deed zij de ervaring op, dat de schijnbaar
zoo eenvoudige zaak, haar uit te huwelijken, in het geheel niet zoo
eenvoudig en gemakkelijk was. Wat al angsten had zij uitgestaan, wat
al gedachten kwelden haar, wat een geld moest er uitgegeven en wat al
zwarigheden moesten er bij haar echtgenoot uit den weg geruimd worden
bij het huwelijk van haar beide oudste dochters Dar-a en Natalie! En
nu bij de jongste moest al die angst, al die twijfel en nog grooter
verschil met haar echtgenoot op nieuw doorgeworsteld worden.
De oude vorst was, even als alle vaders, zeer gevoelig ten opzichte van
de eer en deugd zijner dochters. Hij was buitengewoon ijverzuchtig op
haar en bovenal op zijn lieveling Kitty. Telkens hield hij de vorstin
voor, dat zij haar dochter te veel compromitteerde. De vorstin was
daaraan, sedert de oudste dochters dezelfde phase waren ingetreden,
reeds gewoon, maar nu gevoelde zij, dat de prikkelbaarheid van de
vorst op dit punt meer grond had. Zij zag in, dat er den laatsten
tijd zeer veel in de maatschappelijke zeden was veranderd en dat
de plichten eener moeder zwaarder waren geworden. Zij zag, dat de
jonge meisjes van Kitty's leeftijd tot vereenigingen toetraden, aan
allerlei leercursussen deel namen, zeer vrij met heeren omgingen,
alleen uitreden, dat velen van haar geen buiging meer maakten, en wat
het ergst van alles was, zij waren stellig overtuigd, dat de keuze van
een echtgenoot haar zaak en niet die der ouders was. "Nu trouwt men
niet meer zoo als vroeger," dachten en spraken al die jonge meisjes
en zelfs de ouderen van dagen stemden daarmede in. Zij kon echter van
niemand te weten komen, hoe men dan wel trouwde. Het Fransche gebruik,
waarbij de ouders geheel over het lot der kinderen beslissen, werd niet
aangenomen, maar zelfs afgekeurd. De absolute vrijheid der Engelsche
jonge meisjes vond ook geen bijval en was in Russische kringen zelfs
geheel onbestaanbaar. De Oud-russische huwelijksbemiddeling vond
men afschuwelijk; ieder lachte er om en de vorstin lachte mede. Maar
hoe er dan nu eigenlijk getrouwd worden moest, dat wist niemand te
zeggen. Wanneer zij er met iemand over sprak, ontving zij slechts één
antwoord: "Mijn lieve hemel! Men moet zich nu van den ouden tijd los
maken! De jonge lieden moeten elkander trouwen en wij ouden niet, dus
moeten wij het aan hen zelf overlaten het met elkander eens te worden."
Zij, die zelf geen dochters hadden, konden gemakkelijk zoo
spreken. Maar de vorstin dacht er met bezorgdheid aan, dat haar
dochter op iemand zou kunnen verlieven, die haar niet trouwen wilde
of geen geschikt echtgenoot voor haar was, en hoe men haar ook aan
het verstand zocht te brengen, dat de jongelui in onzen tijd zelf hun
leven moeten inrichten, zij kon daaraan evenmin gelooven, als dat er
een tijd kon komen, dat pistolen en revolvers als geschikt speelgoed
voor vijfjarige kinderen beschouwd zouden worden.
Om die reden verontrustte de vorstin zich meer om Kitty dan om haar
oudere zusters. Soms vreesde zij, dat Wronsky zich tevreden zou
stellen met haar dochter het hof te maken. Zij bemerkte, dat deze
hem beminde. Zij troostte zich met de gedachte, dat hij, als eerlijk
man van goeden huize, zoo iets niet zou doen; maar tegelijkertijd
achtte zij het, bij het tegenwoordige vrije verkeer, heel gemakkelijk
een jong meisje het hoofd op hol te brengen, terwijl zij wist, dat
de heeren buitendien zoo iets zeer licht plachten op te nemen. De
laatste week had Kitty haar moeder een gesprek met Wronsky onder de
mazurka medegedeeld en dat had haar gedeeltelijk, hoewel niet geheel,
gerust gesteld. Wronsky had tot Kitty gezegd, dat hij en zijn broeder,
beiden, zoozeer gewoon waren zich in alles naar hun moeder te schikken,
dat zij nooit een belangrijk besluit zouden nemen zonder eerst haar
te raadplegen....
"En nu zie ik, als een bizonder geluk, de komst mijner moeder uit
Petersburg te gemoet," had hij gezegd.
Kitty had dit verteld zonder eenige beteekenis aan die woorden te
hechten. De moeder begreep dit echter anders. Zij wist nu, dat de
oude dame van dag tot dag verwacht werd; zij wist, dat zij zich in de
keus van haar zoon zou verheugen, maar het kwam haar zonderling voor,
dat hij uit vrees van zijn moeder te beleedigen geen aanzoek durfde
doen. Zij wenschte evenwel dit huwelijk, dat haar van al die zorgen
zou ontheffen, al te zeer om er niet het beste van te gelooven.
Heden echter had Lewins komst haar onrust vermeerderd. Zij vreesde,
dat haar dochter, die een tijdlang eenige neiging voor Lewin scheen
gekoesterd te hebben, Wronsky door de groote nauwgezetheid van geweten
mocht afwijzen. Lewins komst kon dus heel gemakkelijk de zaak in de
war brengen of vertragen, die anders spoedig tot zulk een goed einde
zou kunnen komen.
"Is hij reeds lang hier?" vroeg de vorstin, toen zij te huis waren.
"Eerst sinds vandaag, mama."
"Ik moet je dit nog eens zeggen," begon de vorstin, maar haar sterk
bewogen gelaat verried Kitty, wat er zou volgen, en vol vuur haar
moeder in de rede vallend zeide zij:
"Mama, mama, ach, spreek daar als het u blieft niet van!--ik weet,
ik weet alles!"
Zij beminde Wronsky, beminde zooals zij nooit bemind had en nooit
weer zou beminnen, en zij wist, dat haar moeder ten zijnen gunste
zou spreken. Dat was haar juist onaangenaam. Ofschoon dezelfde wensch
haar bezielde, krenkten haar de beweegredenen harer moeder.
"Ik wil maar zeggen, dat als men iemand hoop heeft gegeven...."
"Mama, mijn lieve, beste mama, ach, zeg toch in 's hemels naam
niets meer!"
"Ik zal zwijgen." zeide de moeder, die de oogen harer dochter met
tranen zag gevuld. "Een enkel woord slechts, mijn duifje; gij hebt
mij beloofd voor mij geen geheimen te hebben, niet waar?"
"Ja, nooit mama!" antwoordde Kitty blozend en zag haar moeder recht in
het gelaat. "Nu heb ik echter nog niets te zeggen. Ik ... ik ... al
wilde ik het ook, ik zou waarlijk niet weten wat en hoe.... Ik weet
niets...."
"Neen, deze oogen kunnen niet liegen," dacht de moeder en glimlachte
over haar geluk en haar opgewondenheid.
Kitty had den ganschen middag tot den avond een gevoel als een jong
soldaat voor den veldslag. Haar hart klopte heftig en zij kon haar
gedachten nergens bij bepalen. Zij gevoelde, dat deze avond, waarop
zij voor het eerst tegenover die beiden zou staan, beslissend voor
haar zijn moest. Zij stelde zich die beiden telkens voor den geest, nu
eens afzonderlijk, dan weer te zamen. Op het verleden terug blikkend,
verwijlde zij met stil genoegen bij de herinnering aan haar omgang
met Lewin; diens vriendschap voor haar gestorven broeder verleende
aan die herinnering een dichterlijke bekoorlijkheid; het viel haar
licht en zij vond het bovendien aangenaam aan Lewin te denken. Stelde
zij zich Wronsky voor, dan lag in die voorstelling iets verstorends
en verwards; maar dat lag aan haar zelf, meende zij, want hij was
een geposeerd man van de wereld, eenvoudig en openhartig.--Bij de
gedachte aan de toekomst stelde zij zich die met Wronsky bekoorlijk,
schitterend, veelbelovend, als een leven rijk aan poëzie voor; met
Lewin daarentegen als minder vroolijk, als nevelig en onbestemd.
Toen zij om acht uur het salon binnen trad, werd "Constantin Dimitrisch
Lewin" aangediend.
"Is het dan toch werkelijk zoo!" dacht Kitty en het bloed stroomde
haar naar het hart. Zij schrok toen ze haar eigen bleek gelaat in
den spiegel zag. Nu wist zij bepaald dat hij zoo vroeg was gekomen
om haar alleen te treffen en zijn aanzoek te doen.
Voor het eerst beschouwde zij deze aangelegenheid in een ander
licht. Nu eerst besefte zij, dat de vraag, met wien zij gelukkig
kon zijn en wie ze zou beminnen, niet haar alleen aanging, en dat
zij op het punt stond iemand, die zij werkelijk genegen was, te
beleedigen. Waarom? Omdat hij, de goede man, haar beminde; maar wat
was er aan te doen? Het was noodzakelijk, het moest zoo zijn.
"Mijn God, moet ik het hem dan zelf zeggen?" dacht zij. "Wat moet
ik dan zeggen? Ik kan hem toch onmogelijk vertellen, dat ik niet van
hem houd, dat zou een onwaarheid zijn! Of dat ik een ander bemin? Hoe
zou ik dat kunnen doen? Ik ga weg."
Zij trad naar de deur, daar hoorde zij zijn schreden.
"Neen, dat is niet eerlijk! Waarvoor zou ik vreezen?--Er kome wat
wil.--Ik zeg de waarheid.--Daar is hij!" sprak zij tot zich zelf en
zag zijn krachtige gestalte en schitterende oogen. Zij zag hem met
open, hartelijken blik aan en stak hem de hand toe.
"Ik kom zeker niet op den rechten tijd, zeker iets te vroeg!" sprak
hij, terwijl hij zijn blik door het ledige salon liet gaan.
"O neen!" antwoordde Kitty en zette zich aan de tafel.
"Ik wenschte u juist alleen te treffen," begon hij, zonder plaats te
nemen of haar aan te zien, om den moed niet te verliezen.
"Mama komt terstond. Zij was gisteren zeer moede...." Zij sprak
zonder te weten wat en wendde haar om genade smeekende blikken niet
van hem af.
Hij zag haar aan, bloosde en zweeg.
"Ik zeide u, dat ik niet wist, hoe lang ik hier zou blijven, dat het
van u af zou hangen."
Zij liet het hoofd al dieper en dieper zinken en wist niet wat ze
zou antwoorden op hetgeen nu zou komen.
"Dat het van u zou afhangen," herhaalde hij, "ik meen--ik wilde zeggen,
ik ben daarom gekomen ... om ... mijn vrouw te worden!" stotterde hij
en wist zelf niet wat hij sprak, maar gevoelde, dat het zwaarste nu
was gesproken. Hij hield op en zag haar aan.
Haar boezem zwoegde, zij zag niet op, een gelukkig gevoel doorstroomde
haar ziel; zij had niet verwacht, dat de bekentenis zijner liefde
zulk een sterken indruk op haar zou kunnen maken. Dat duurde echter
slechts een oogenblik, zij dacht aan Wronsky. Zij hief haar heldere,
trouwhartige oogen tot hem op, en toen zij zijn wanhopig gelaat zag,
zeide zij snel:
"Dat kan niet zijn ... vergeef mij!"
Een oogenblik te voren ... hoe na stond zij hem toen, zij was het
lichtpunt van zijn leven, en nu plotseling zoo vreemd, zoo eindeloos
ver van hem verwijderd!
"Het kon ook niet anders," zeide hij zonder haar aan te zien. Hij
boog en wilde zich verwijderen.