IX.

Prinses Kitty Tscherbatzky was achttien jaar oud en had dezen winter

haar intrede in de wereld gedaan. Haar succes was grooter dan dat

harer beide oudere zusters, zelfs grooter dan de vorstin-moeder

verwacht had. Niet alleen, dat alle jonge heeren, die de Moskouer

bals bezochten, haar het hof maakten, maar in dezen eersten winter

deden zich reeds twee goede partijen op: Lewin en zeer kort na diens

vertrek graaf Wronsky.

Lewins optreden bij het begin van den winter, zijn veelvoudige bezoeken

en zijn kennelijke neiging voor Kitty gaven aanleiding tot de eerste

ernstige gesprekken over Kitty's toekomst tusschen haar ouders, alsmede

tot verschil van gevoelen tusschen vorst en vorstin. De vorst was

geheel op Lewins hand en wenschte voor Kitty niets beters; de vorstin

echter bracht, met de aan vrouwen eigen manier om de eigenlijke vraag

te ontduiken, daar tegen in, dat Lewin nog door niets getoond had

ernstige plannen te hebben, dat Kitty geen neiging voor hem toonde

en zoo al meer. De hoofdzaak echter, dat zij voor haar dochter een

betere partij verwachtte, roerde zij niet aan, ook niet dat Lewin

haar niet bizonder aantrok en dat zij hem niet begreep.

Toen Lewin zoo plotseling vertrok, was de vorstin zeer verheugd en

zeide zegevierend tot haar echtgenoot:

"Ziet ge nu wel, dat ik gelijk had?"

Toen Wronsky verscheen, was haar vreugde nog grooter, terwijl zij in

haar meening versterkt werd, dat Kitty niet alleen een goede, maar

een schitterende partij moest doen. Voor de moeder waren Lewin en

Wronsky niet op een lijn te stellen.--Bij den eersten mishaagde haar

de eigenaardige ruwheid, waarmede hij zijn meening uit kon spreken;

zijn stijfheid in gezelschap, die ze aan trots toeschreef, en zijn,

naar haar meening, onbeschaafde levenswijze op het land, waar hij

zijn dagen sleet in den omgang met boeren en vee. Verder beviel het

haar niet, dat hij, ofschoon hij Kitty beminde, twee maanden lang bij

hen in- en uitgegaan was en zich gedragen had, alsof hij nog op iets

wachtte, of hij steeds overwoog, of het niet een al te groote eer voor

Kitty zijn zou als hij een aanzoek deed. Hij moest toch begrijpen,

dat men niet in een huis, waar zich een volwassen jonge dame bevond,

kon verkeeren, zonder zich te verklaren. En hij! zonder verklaring was

hij plotseling vertrokken. "Gelukkig, dat hij zoo wenig aantrekkelijks

heeft en dat hij Kitty onverschillig is," dacht de moeder.

Wronsky daarentegen beantwoordde aan al haar wenschen. Zeer

rijk, beschaafd, voornaam, op het punt zich bij het hof een

schitterende militaire carrière te veroveren; kortom een door en door

beminnenswaardig man. Men zou hem niet beter kunnen wenschen. Op alle

bals maakte hij Kitty in het oog loopend het hof, danste met haar en

bezocht regelmatig haar huis, zoodat men niet aan den ernst van zijn

plannen kon twijfelen. Maar met dat al leefde de moeder den geheelen

winter in buitengewone onrust en opwinding.

De vorstin had voor dertig jaar door bemiddeling van een tante haar

huwelijk gesloten. De bruidegom, van wien men vooraf haarfijn alles

wist, kwam om zijn bruid te monsteren en zich door haar te laten

monsteren. De bemiddelaarster bespeurde de wederzijds ontvangen

indrukken en deelde ze aan beide partijen mede; die indrukken waren

aan beide zijden gunstig geweest. Toen was op een daarvoor bepaalden

dag het aanzoek bij de ouders gedaan en aangenomen geworden. Dit was

alles heel eenvoudig en gemakkelijk in zijn werk gegaan; zoo kwam

het de vorstin ten minste voor.

Maar bij haar dochters deed zij de ervaring op, dat de schijnbaar

zoo eenvoudige zaak, haar uit te huwelijken, in het geheel niet zoo

eenvoudig en gemakkelijk was. Wat al angsten had zij uitgestaan, wat

al gedachten kwelden haar, wat een geld moest er uitgegeven en wat al

zwarigheden moesten er bij haar echtgenoot uit den weg geruimd worden

bij het huwelijk van haar beide oudste dochters Dar-a en Natalie! En

nu bij de jongste moest al die angst, al die twijfel en nog grooter

verschil met haar echtgenoot op nieuw doorgeworsteld worden.

De oude vorst was, even als alle vaders, zeer gevoelig ten opzichte van

de eer en deugd zijner dochters. Hij was buitengewoon ijverzuchtig op

haar en bovenal op zijn lieveling Kitty. Telkens hield hij de vorstin

voor, dat zij haar dochter te veel compromitteerde. De vorstin was

daaraan, sedert de oudste dochters dezelfde phase waren ingetreden,

reeds gewoon, maar nu gevoelde zij, dat de prikkelbaarheid van de

vorst op dit punt meer grond had. Zij zag in, dat er den laatsten

tijd zeer veel in de maatschappelijke zeden was veranderd en dat

de plichten eener moeder zwaarder waren geworden. Zij zag, dat de

jonge meisjes van Kitty's leeftijd tot vereenigingen toetraden, aan

allerlei leercursussen deel namen, zeer vrij met heeren omgingen,

alleen uitreden, dat velen van haar geen buiging meer maakten, en wat

het ergst van alles was, zij waren stellig overtuigd, dat de keuze van

een echtgenoot haar zaak en niet die der ouders was. "Nu trouwt men

niet meer zoo als vroeger," dachten en spraken al die jonge meisjes

en zelfs de ouderen van dagen stemden daarmede in. Zij kon echter van

niemand te weten komen, hoe men dan wel trouwde. Het Fransche gebruik,

waarbij de ouders geheel over het lot der kinderen beslissen, werd niet

aangenomen, maar zelfs afgekeurd. De absolute vrijheid der Engelsche

jonge meisjes vond ook geen bijval en was in Russische kringen zelfs

geheel onbestaanbaar. De Oud-russische huwelijksbemiddeling vond

men afschuwelijk; ieder lachte er om en de vorstin lachte mede. Maar

hoe er dan nu eigenlijk getrouwd worden moest, dat wist niemand te

zeggen. Wanneer zij er met iemand over sprak, ontving zij slechts één

antwoord: "Mijn lieve hemel! Men moet zich nu van den ouden tijd los

maken! De jonge lieden moeten elkander trouwen en wij ouden niet, dus

moeten wij het aan hen zelf overlaten het met elkander eens te worden."

Zij, die zelf geen dochters hadden, konden gemakkelijk zoo

spreken. Maar de vorstin dacht er met bezorgdheid aan, dat haar

dochter op iemand zou kunnen verlieven, die haar niet trouwen wilde

of geen geschikt echtgenoot voor haar was, en hoe men haar ook aan

het verstand zocht te brengen, dat de jongelui in onzen tijd zelf hun

leven moeten inrichten, zij kon daaraan evenmin gelooven, als dat er

een tijd kon komen, dat pistolen en revolvers als geschikt speelgoed

voor vijfjarige kinderen beschouwd zouden worden.

Om die reden verontrustte de vorstin zich meer om Kitty dan om haar

oudere zusters. Soms vreesde zij, dat Wronsky zich tevreden zou

stellen met haar dochter het hof te maken. Zij bemerkte, dat deze

hem beminde. Zij troostte zich met de gedachte, dat hij, als eerlijk

man van goeden huize, zoo iets niet zou doen; maar tegelijkertijd

achtte zij het, bij het tegenwoordige vrije verkeer, heel gemakkelijk

een jong meisje het hoofd op hol te brengen, terwijl zij wist, dat

de heeren buitendien zoo iets zeer licht plachten op te nemen. De

laatste week had Kitty haar moeder een gesprek met Wronsky onder de

mazurka medegedeeld en dat had haar gedeeltelijk, hoewel niet geheel,

gerust gesteld. Wronsky had tot Kitty gezegd, dat hij en zijn broeder,

beiden, zoozeer gewoon waren zich in alles naar hun moeder te schikken,

dat zij nooit een belangrijk besluit zouden nemen zonder eerst haar

te raadplegen....

"En nu zie ik, als een bizonder geluk, de komst mijner moeder uit

Petersburg te gemoet," had hij gezegd.

Kitty had dit verteld zonder eenige beteekenis aan die woorden te

hechten. De moeder begreep dit echter anders. Zij wist nu, dat de

oude dame van dag tot dag verwacht werd; zij wist, dat zij zich in de

keus van haar zoon zou verheugen, maar het kwam haar zonderling voor,

dat hij uit vrees van zijn moeder te beleedigen geen aanzoek durfde

doen. Zij wenschte evenwel dit huwelijk, dat haar van al die zorgen

zou ontheffen, al te zeer om er niet het beste van te gelooven.

Heden echter had Lewins komst haar onrust vermeerderd. Zij vreesde,

dat haar dochter, die een tijdlang eenige neiging voor Lewin scheen

gekoesterd te hebben, Wronsky door de groote nauwgezetheid van geweten

mocht afwijzen. Lewins komst kon dus heel gemakkelijk de zaak in de

war brengen of vertragen, die anders spoedig tot zulk een goed einde

zou kunnen komen.

"Is hij reeds lang hier?" vroeg de vorstin, toen zij te huis waren.

"Eerst sinds vandaag, mama."

"Ik moet je dit nog eens zeggen," begon de vorstin, maar haar sterk

bewogen gelaat verried Kitty, wat er zou volgen, en vol vuur haar

moeder in de rede vallend zeide zij:

"Mama, mama, ach, spreek daar als het u blieft niet van!--ik weet,

ik weet alles!"

Zij beminde Wronsky, beminde zooals zij nooit bemind had en nooit

weer zou beminnen, en zij wist, dat haar moeder ten zijnen gunste

zou spreken. Dat was haar juist onaangenaam. Ofschoon dezelfde wensch

haar bezielde, krenkten haar de beweegredenen harer moeder.

"Ik wil maar zeggen, dat als men iemand hoop heeft gegeven...."

"Mama, mijn lieve, beste mama, ach, zeg toch in 's hemels naam

niets meer!"

"Ik zal zwijgen." zeide de moeder, die de oogen harer dochter met

tranen zag gevuld. "Een enkel woord slechts, mijn duifje; gij hebt

mij beloofd voor mij geen geheimen te hebben, niet waar?"

"Ja, nooit mama!" antwoordde Kitty blozend en zag haar moeder recht in

het gelaat. "Nu heb ik echter nog niets te zeggen. Ik ... ik ... al

wilde ik het ook, ik zou waarlijk niet weten wat en hoe.... Ik weet

niets...."

"Neen, deze oogen kunnen niet liegen," dacht de moeder en glimlachte

over haar geluk en haar opgewondenheid.

Kitty had den ganschen middag tot den avond een gevoel als een jong

soldaat voor den veldslag. Haar hart klopte heftig en zij kon haar

gedachten nergens bij bepalen. Zij gevoelde, dat deze avond, waarop

zij voor het eerst tegenover die beiden zou staan, beslissend voor

haar zijn moest. Zij stelde zich die beiden telkens voor den geest, nu

eens afzonderlijk, dan weer te zamen. Op het verleden terug blikkend,

verwijlde zij met stil genoegen bij de herinnering aan haar omgang

met Lewin; diens vriendschap voor haar gestorven broeder verleende

aan die herinnering een dichterlijke bekoorlijkheid; het viel haar

licht en zij vond het bovendien aangenaam aan Lewin te denken. Stelde

zij zich Wronsky voor, dan lag in die voorstelling iets verstorends

en verwards; maar dat lag aan haar zelf, meende zij, want hij was

een geposeerd man van de wereld, eenvoudig en openhartig.--Bij de

gedachte aan de toekomst stelde zij zich die met Wronsky bekoorlijk,

schitterend, veelbelovend, als een leven rijk aan poëzie voor; met

Lewin daarentegen als minder vroolijk, als nevelig en onbestemd.

Toen zij om acht uur het salon binnen trad, werd "Constantin Dimitrisch

Lewin" aangediend.

"Is het dan toch werkelijk zoo!" dacht Kitty en het bloed stroomde

haar naar het hart. Zij schrok toen ze haar eigen bleek gelaat in

den spiegel zag. Nu wist zij bepaald dat hij zoo vroeg was gekomen

om haar alleen te treffen en zijn aanzoek te doen.

Voor het eerst beschouwde zij deze aangelegenheid in een ander

licht. Nu eerst besefte zij, dat de vraag, met wien zij gelukkig

kon zijn en wie ze zou beminnen, niet haar alleen aanging, en dat

zij op het punt stond iemand, die zij werkelijk genegen was, te

beleedigen. Waarom? Omdat hij, de goede man, haar beminde; maar wat

was er aan te doen? Het was noodzakelijk, het moest zoo zijn.

"Mijn God, moet ik het hem dan zelf zeggen?" dacht zij. "Wat moet

ik dan zeggen? Ik kan hem toch onmogelijk vertellen, dat ik niet van

hem houd, dat zou een onwaarheid zijn! Of dat ik een ander bemin? Hoe

zou ik dat kunnen doen? Ik ga weg."

Zij trad naar de deur, daar hoorde zij zijn schreden.

"Neen, dat is niet eerlijk! Waarvoor zou ik vreezen?--Er kome wat

wil.--Ik zeg de waarheid.--Daar is hij!" sprak zij tot zich zelf en

zag zijn krachtige gestalte en schitterende oogen. Zij zag hem met

open, hartelijken blik aan en stak hem de hand toe.

"Ik kom zeker niet op den rechten tijd, zeker iets te vroeg!" sprak

hij, terwijl hij zijn blik door het ledige salon liet gaan.

"O neen!" antwoordde Kitty en zette zich aan de tafel.

"Ik wenschte u juist alleen te treffen," begon hij, zonder plaats te

nemen of haar aan te zien, om den moed niet te verliezen.

"Mama komt terstond. Zij was gisteren zeer moede...." Zij sprak

zonder te weten wat en wendde haar om genade smeekende blikken niet

van hem af.

Hij zag haar aan, bloosde en zweeg.

"Ik zeide u, dat ik niet wist, hoe lang ik hier zou blijven, dat het

van u af zou hangen."

Zij liet het hoofd al dieper en dieper zinken en wist niet wat ze

zou antwoorden op hetgeen nu zou komen.

"Dat het van u zou afhangen," herhaalde hij, "ik meen--ik wilde zeggen,

ik ben daarom gekomen ... om ... mijn vrouw te worden!" stotterde hij

en wist zelf niet wat hij sprak, maar gevoelde, dat het zwaarste nu

was gesproken. Hij hield op en zag haar aan.

Haar boezem zwoegde, zij zag niet op, een gelukkig gevoel doorstroomde

haar ziel; zij had niet verwacht, dat de bekentenis zijner liefde

zulk een sterken indruk op haar zou kunnen maken. Dat duurde echter

slechts een oogenblik, zij dacht aan Wronsky. Zij hief haar heldere,

trouwhartige oogen tot hem op, en toen zij zijn wanhopig gelaat zag,

zeide zij snel:

"Dat kan niet zijn ... vergeef mij!"

Een oogenblik te voren ... hoe na stond zij hem toen, zij was het

lichtpunt van zijn leven, en nu plotseling zoo vreemd, zoo eindeloos

ver van hem verwijderd!

"Het kon ook niet anders," zeide hij zonder haar aan te zien. Hij

boog en wilde zich verwijderen.

Anna Karenina(#13214) · 第 14 / 196 题