Omdat het toch eigenlijk geen werk is."

"Zoo denk je dat? Nu wij zitten toch tot over de ooren toe in het

werk."

"In 't schrijfwerk! Nu ja, daar heb je ook talent voor."

"Je bedoelt met talent meer een gebrek dan een gave."

"Misschien wel," zeide Lewin; "maar toch bewonder ik je grootheid

en ben er trotsch op, dat mijn vriend zoo'n beroemd man is.--Maar,

hoor eens, gij hebt mijn vraag niet beantwoord", voegde hij er bij

en zag Oblonsky met zekere spanning in de oogen.

"Nu goed, goed, wacht maar, daar komen wij ook al aan toe. Gij hebt

het maar drommels goed met je drie duizend desjatinen in het

Ezremowsche district, met zulke spieren en een blos als van een

twaalfjarig meisje! Maar ge wordt nog eenmaal een der onzen! O, ja

zoo! je vroeg mij daarnaar: er is nog niets veranderd, maar 't is

jammer dat ge in zoo lang niet hier waart."

"Waarom dat?" vroeg Lewin verschrikt!

"Ja, zie...! maar we spreken daar wel eens nader over. Waarom ben je

eigenlijk hier gekomen?"

"Ach, daar spreken we ook later over!" zeide Lewin en werd tot over

de ooren rood.

"Nu goed, ik begrijp je," sprak Stipan; "zie je, ik zou je wel bij

mij verzoeken, maar mijn vrouw is niet heel wel. Maar hoor eens, als

je hen zien wilt, zij zijn tusschen vier en vijf uur bepaald in den

dierentuin. Kitty rijdt daar schaatsen; ga daar ook heen, ik haal je

daar later af en dan rijden wij samen ergens heen om te dineeren."

"Goed! Tot weerziens dan."

"Maar hoor eens, vriendje! Ik ken je zoo goed, je zult de afspraak

misschien glad vergeten en zoo maar in eens naar buiten terug rijden,"

riep Stipan hem lachend na.

"Neen, neen, ik kom stellig!" en terwijl hij vergat Stipan's collega's

te groeten, ging Lewin met stijve houding en vastberaden stap de

deur uit.

"Dat schijnt een zeer energiek heer te zijn!" zeide Grinewitsch,

toen Lewin vertrokken was.

"Ja, vadertje!" antwoordde Stipan, "dat is nu eerst een gelukkige:

drie duizend desjatinen in het Ezremowsche district, nog een schoone

toekomst voor zich en daarbij zoo oorspronkelijk--zoo geheel anders

als wij."

"En wat hebt gij dan te klagen, Stipan Arkadiewitsch?"

"'t Is erg, ach, heel erg," sprak deze bij zich zelf en slaakte een

diepe zucht.

Anna Karenina(#13214) · 第 10 / 196 题