Stipan Arkadiewitsch had het aan zijn goeden aanleg te danken,
dat hij in school tamelijk goed geleerd had. Hij was echter traag,
haalde allerlei streken uit en verliet ze daardoor vrij laat. Ondanks
zijn lichtzinnigheid en jeugd viel hem vroeg een eervolle betrekking
als president van een Moskouer gerechtshof ten deel, waaraan een
groot inkomen verbonden was. Deze betrekking had hij te danken aan
den echtgenoot zijner zuster Anna, Alexei Alexandrowitsch Karenin,
die een der gewichtigste posten aan het ministerie bekleedde. Doch al
had ook Karenin zijn zwager deze plaats niet bezorgd, dan zou Stiwa
Oblonsky toch door een aantal andere personen, broeders, zusters,
ooms en nichten deze of een dergelijke betrekking met zes duizend
roebels inkomen, die hij noodig had, gevonden hebben; want hoewel
zijn vrouw vermogen aangebracht had, waren zijn financiën altijd in de
war. Stipan was aan half Moskou en Petersburg verwant. Hij behoorde tot
de élite der Russische maatschappij. Een derde der oude staatslieden
waren vrienden zijns vaders geweest en kenden hem van jongs af aan,
met het tweede derde stond hij op heel familiaren voet en het laatste
derde waren goede kennissen van hem. Zoo waren de machtige schenkers
van wereldsche goede gaven, bestaande uit: ambten, toezeggingen,
inkomsten enz., allen te samen zijn vrienden en konden hun standgenoot
en vriend niet voorbijgaan. Oblonsky behoefde zich volstrekt geen
moeite te geven om een winstgevende post te krijgen. Hij behoefde
alleen niets af te wijzen, niet te benijden, niet te strijden, zich
niet gauw beleedigd te toonen, hetgeen zijn aangeboren goedigheid
ook nooit meebracht. Het zou hem heel belachelijk voorgekomen zijn,
indien men hem gezegd had, dat hij de plaats met de inkomsten, die hij
noodig had, niet zou krijgen, te meer daar hij op niets buitengewoons
aanspraak maakte: hij wenschte slechts wat zijns gelijken in stand
en jaren hadden, en om zulk een ambt te vervullen was hij ook niet
minder geschikt dan de anderen.
Stipan Arkadiewitsch werd door allen, die hem kenden, niet alleen om
zijn vroolijk, goedhartig karakter en zijn stipte eerlijkheid bemind,
maar in zijn aangenaam, net uiterlijk, zijn glinsterende oogen,
donkere wenkbrauwen en haar en de frischheid van zijn gelaat lag iets,
dat ieder voor hem innam.
"Aha! Stiwa! Oblonsky! Daar is hij weer!" klonk het vroolijk, als
iemand hem ontmoette. En al vond iemand een gesprek met hem weinig
interessant, toch verheugde men zich bij een ontmoeting met hem
den volgenden of derden dag weer evenzeer. Daar was echter nog een
andere boven allen twijfel verheven hoedanigheid, waarom men Stipan
Arkadiewitsch beminnen moest. Zonder de geringste inspanning deed hij
zijn geheele leven door, wat andere menschen, die goed willen zijn,
met veel moeite trachten te doen en toch nooit kunnen. Hij sprak nooit
kwaad van iemand; hij, die anders veel van een geestigen zet hield,
liet zich nooit door een kwinkslag tot spot vervoeren. Zoodra er
iemand door gekrenkt of beleedigd kon worden, was een scherts voor
hem geen scherts meer.
Nadat hij intusschen drie jaar lang de betrekking van voorzitter
van een Moskouer gerechtshof had waargenomen, won hij niet alleen
de genegenheid, maar ook de achting van zijn collega's, zijn
ondergeschikten en superieuren, kortom van allen, die met hem in
betrekking stonden. De algemeene achting, die hem in zijn werkkring
ten deel viel, berustte eendeels op de buitengewone toegevendheid
jegens anderen--en deze was voornamelijk in het bewustzijn zijner
eigen tekortkomingen gegrond; ten andere in zijne vrijzinnigheid. Niet
die vrijzinnigheid, die hij uit de nieuwsbladen putte, maar een hem
aangeborene, die hem met alle menschen, zonder aanzien van stand en
vermogen, op dezelfde wijze deed omgaan; en eindelijk in de volslagen
onpartijdigheid, waarmede hij de zaken behartigde, waardoor hij
zich nooit door andere invloeden liet meesleepen en dus ook geen
fouten maakte.
Toen Stipan Arkadiewitsch het gerechtshof binnenkwam, ging hij,
eerbiedig door een portier met portefeuille gevolgd, in zijn kabinetje,
deed zijn uniform aan en betrad de gerechtszaal.
De schrijvers en ondergeschikten stonden allen vroolijk en eerbiedig
groetend van hun plaatsen op. Stipan ging vlug als altijd naar
zijn plaats, drukte zijn collega's de hand en zette zich neder. Hij
sprak en schertste juist zooveel als noodig was, voor hij aan het
werk ging. Niemand verstond zoo goed als hij binnen de perken van
vertrouwelijkheid en dienstplicht te blijven, hetgeen zoo noodig
is om een gemeenschappelijken werkkring aangenaam te maken.--De
secretaris overhandigde hem opgeruimd en eerbiedig, zooals allen in
Stipan's omgeving waren, de acten en sprak op den door hem ingevoerden
familiaren toon:
"Wij hebben toch het bericht van het Pensaïsch gouvernement
ontvangen. Voegt het u dat in te zien?"
"Zoo is het dan toch gekomen!" sprak Stipan, zijn wijsvinger op de
acten leggend. "Dan willen wij beginnen, mijne heeren!...." en de
zitting was geopend.
"Als zij eens wisten, welk een schuldige knaap hun voorzitter een
uur geleden nog was," dacht hij en boog onder het voorlezen van het
bericht zijn hoofd een weinig, terwijl zijn oogen lachten.
De zitting duurde tot twee uur onafgebroken voort, toen was er pauze om
een tweede ontbijt te gebruiken. Even voor twee uur werden de groote
glazen deuren van de gerechtszaal plotseling geopend en trad iemand
binnen. Alle ambtenaren, die onder den spiegel en het borstbeeld van
den czaar zaten, richtten, verheugd over het oponthoud, hun blikken
naar de deur; maar de portier wees den binnentredende terstond terug
en sloot de deur achter hem.
Zoodra de aan de orde zijnde proceszaak voorgelezen was, stond Stipan
Arkadiewitsch op, rekte zich een weinig uit, stak in de gerechtszaal
een sigaar op en begaf zich naar zijn kabinet. Twee zijner collega's,
een oud beambte Nikitin, die al vele dienstjaren telde, en de kamerheer
Grinewitsch vergezelden hem.
"We zullen er na het ontbijt wel mee klaar komen," zeide Stipan
Arkadiewitsch.
"Als wij nog maar tijd genoeg hebben!" merkte Nikitin aan.
"Die Foomin moet toch een groote schurk zijn !" sprak Grinewitsch. Hij
meende een der in het proces voorkomende personen.
Stipan fronste de wenkbrauwen om daarmede te kennen te geven, dat
het doelloos was een overijld oordeel te vellen, en antwoordde niets.
"Wie was hier zooeven?" vroeg hij den portier.
"Er kwam, toen ik mij even had omgekeerd, iemand binnenstuiven,
excellentie! zonder het mij te vragen. Hij vroeg naar u. Ik zeide,
als de heeren uit de zitting kwamen, dan..."
"Waar is hij?"
"In het voorvertrek gegaan, zooeven was hij nog hier. Daar
is hij!" antwoordde de portier en wees naar een sterk gebouwd,
breedgeschouderd man, met krullenden baard, die juist, zonder zijn
pelsmuts af te nemen, met vluggen, veerkrachtigen tred de steenen
trap op kwam. Een mager beambte, die juist met de actestukken de trap
afging, bleef onwillekeurig staan, keek naar de voeten van den nieuw
aangekomene en zag vragend naar Oblonsky op.
Stipan Arkadiewitsch stond boven aan de trap, zijn goedig gelaat blonk
boven den geborduurden uniformkraag uit en verhelderde zich nog meer,
toen hij den nadertredende herkende.
"Zijt gij het waarlijk, Lewin!" zeide hij en zag Lewin met een
vriendelijk, spotachtig lachje aan, toen deze hem omhelsde en kuste.
"Wel, ijsde je er niet van, mij in dit hol op te zoeken?" voegde hij
er in het Fransch bij, "en dat nog wel in West-europeesch costuum,"
ging hij voort en zag hem op nieuw lachend aan.
"Ik ben pas aangekomen en was erg verlangend je te zien!" sprak Lewin
en zag daarbij bevangen en tegelijk onrustig en geërgerd om.
"Nu, kom dan maar in mijn kabinet," zeide Stipan Arkadiewitsch, die
Lewins licht geraakte, bloode eigenliefde kende, nam hem bij de hand,
trok hem achter zich voort, alsof hij met hem tusschen twee dreigende
gevaren doorlaveerde.
Lewin en Oblonsky waren van denzelfden leeftijd en hun
vertrouwelijkheid dagteekende niet van een champagnegelag, maar Lewin
was de vriend en speelgenoot zijner vroegste jeugd; zij hielden van
elkander ondanks hun uiteenloopende karakters en geheel verschillende
neigingen, ofschoon ieder hunner het leven, dat hij zelf leidde, voor
het eenig ware en dat van zijn vriend voor een schijnleven hield,
wat zoo dikwijls voorkomt bij lieden, die een geheel verschillenden
werkkring hebben. Lewin kwam dikwijls van zijn landgoed, waar hij
altijd bezig was, naar Moskou over. Wat hij daar buiten deed, kon
Stipan zich maar niet begrijpen en hij stelde er dan ook weinig
belang in; maar bij Lewins aanblik, wanneer deze te Moskou kwam,
kon hij nooit een spotlachje onderdrukken, want dan was hij haastig,
opgewonden, een beetje verlegen en boos over die verlegenheid. Ook
bracht hij meestal een geheel nieuwe levensbeschouwing mede. Stipan
lachte er om en toch beviel het hem.
Lewin verachtte evenzeer het grootsteedsche leven van zijn vriend,
vond zijn dienstwerk onbeduidend en lachte er ook om. Maar dit was
het verschil, Oblonsky lachte zelfbewust en goedig, omdat hij deed wat
allen deden, maar Lewin lachte niet zelf bewust en dikwijls minachtend.
"Wij hadden je reeds lang verwacht," zeide Oblonsky het kabinet
binnentredend en liet Lewins hand los, als om hem te toonen, dat nu
alle gevaar voorbij was. "Ik verheug mij zeer je te zien. Hoe gaat
het je? Wanneer ben je gekomen?"
Lewin zweeg en nam het hem onbekende gezelschap, de beide
collega's van Stipan, op. Vooral viel zijn oog op de hand van den
eleganten Grinewitsch met lange, gele en spits afgeknipte nagels en
reusachtige, glinsterende manchetknoopen. Deze hand nam zoozeer al
zijn opmerkzaamheid in beslag, dat hij zijn gedachten onmogelijk bij
iets anders kon bepalen.
Oblonsky bemerkte dit terstond en glimlachte.
"Ach ja, laat ik u voorstellen," zeide hij: "Mijn collega's Philip
Iwanowitsch Nikitin en Michael Stanislawowitsch Grinewitsch; een
werkzaam medelid der Semstwo, een athleet, die met één hand vijf pud
[1] kan opheffen, groot veefokker en jager en mijn vriend Constantin
Dimitrisch Lewin, broeder van Sergei Iwanowitsch Kosnischeff."
"Zeer aangenaam," lispelde de oude heer.
"Ik heb de eer uw broeder te kennen," zei Grinewitsch en stak hem
zijn hand met de lange nagels toe.
Lewins gelaat betrok, koel drukte hij de hem toegestoken hand en
wendde zich terstond tot Oblonsky. Hoewel hij groote achting voor
zijn in geheel Rusland als schrijver beroemden broeder koesterde,
kon hij toch niet velen, dat men hem niet als Constantin Lewin,
maar als den broeder van den beroemden Kosnischeff aansprak.
"Ik ben geen lid der Semstwo meer; ik heb met allen oneenigheid gehad
en ga niet meer naar hun vergaderingen," zei hij tot Oblonsky.
"Nu, dat is gauw gegaan," hernam deze, "waarom dan toch?"
"Dat is een lange geschiedenis, die vertel ik je eens op een anderen
keer," sprak Lewin, maar begon evenwel terstond te vertellen. "Om
kort te gaan, ik ben tot de overtuiging gekomen, dat de Semstwo
in het geheel geen recht van bestaan heeft, noch hebben kan." Hij
sprak op een toon alsof iemand hem beleedigd had. "Ten eerste speelt
men daar parlementje, en ik ben noch jong noch oud genoeg om mij met
speelgoed te kunnen vermaken, en van den anderen kant" .... hier bleef
hij even steken.... "is zij voor de coterie van het district slechts
een middel om geld in handen te krijgen. Wat de oude voogdijschappen
en gerechten waren, dat is nu de Semstwo, met dit onderscheid dat nu
het streven niet op vooruitgang, maar alleen op het verkrijgen van
een onverdiend inkomen gericht is." Hij had dit met zooveel nadruk
gezegd, alsof een ander zijn beschouwing bestreed.
"Wel, wel, ik hoor, dat ge weer een nieuwe phase zijt ingetreden,
en wel de conservatieve," sprak Stipan, "maar daarover later meer."
"Ja, later! Maar ik moest je toch even zien," zei Lewin, en beschouwde
daarbij met iets als haat in zijn blik, Grinewitsch' hand.
Stipa Arkadiewitsch lachte onmerkbaar.
"Waarom draag je nu een Europeeschen en geen Russischen jas?" vroeg
hij, het nieuwe, klaarblijkelijk door een Franschen coupeur gemaakte
kleedingstuk beschouwend, "ja, ik begrijp, dit behoort ook al tot de
nieuwe phase!"
Lewin bloosde plotseling en het was vreemd dit verstandig mannelijk
gelaat met een kinderlijken blos bedekt te zien.
"Waar ontmoeten we elkander? Ik moet je zeer noodig spreken."
Oblonsky bedacht zich. "Zou het niet beter zijn, in plaats van hier in
het café een slechte cotelette te verorberen, een paar schreden verder
te gaan en bij Gurin een goed ontbijt te gebruiken? Hoor eens! ga nu
met mij mee ontbijten, dan kunnen wij nog een poosje praten. Tot drie
uur ben ik vrij!"
"Neen, zei Lewin, even nadenkend, ik moet eerst nog een bezoek
afleggen."
"Goed, dan zullen wij samen dineeren!"
"Dineeren! Ja, maar ik heb je niets bizonders te vertellen, ik wilde
je eigenlijk maar een paar woorden vragen."
"Zeg dan die paar woorden dadelijk en het andere bespreken wij van
middag."
"Slechts twee woorden, anders niets bizonders!"
Zijn gelaat nam door de inspanning om die woorden te vinden een
sombere uitdrukking aan.
"Hoe is 't bij de Tscherbatzky's? Alles bij het oude?"
Stipan Arkadiewitsch, die reeds lang wist, dat Lewin zijn schoonzuster
Kitty liefde toedroeg, lachte fijntjes en zijn oogen glinsterden
vergenoegd.
"Gij hebt mij met weinige woorden gevraagd, ik kan je zoo kort niet
antwoorden, want.... Och! excuseer een oogenblik."
Er was een secretaris binnengetreden, die Stipan naderde met
gemeenzamen eerbied en een zeker bescheiden zelfbewustzijn, dat alle
klerken eigen was, daar zij beseften in zaakkennis de meerdere van
hun chef te zijn. Onder den schijn van een verzoek te doen, begon
hij over een bezwaar te spreken. Zonder hem tot het einde toe aan te
hooren, legde Stipan welwillend de hand op den arm van den secretaris
en sprak, terwijl een lach de scherpte zijner woorden verzachtte:
"Neen, gij moet het doen, zooals ik het u gezegd heb," en terwijl hij
hem beknopt uitlegde, hoe hij de zaak opvatte, schoof hij de acten
ter zijde en voegde er bij: "Doe het nu als je blieft precies zoo,
Sacharnikizitsch!"
De secretaris verwijderde zich eenigszins beschaamd.
Onder dit gesprek stond Lewin met de armen op een stoel geleund,
en een spottende uitdrukking lag op zijn gelaat.
"'t Is onbegrijpelijk, 't is onbegrijpelijk!"
"Wat begrijpt ge niet?" vroeg Oblonsky vergenoegd lachend, terwijl hij
een sigaar opstak. Hij verwachtte weer een paradox van Lewin te hooren.
"Ik begrijp niet, wat je hier eigenlijk doet en hoe ge dat met zooveel
ernst kunt opnemen!"
"En waarom zou ik niet?"