Darja Alexandrowna stond tusschen allerlei in 't rond gestrooide
voorwerpen aan een geopend schrijfbureau, in négligé, met dunne
opgestoken haarvlechten, een door kommer verwrongen gelaat en groote,
verschrikte oogen.
Toen zij zijn tred hoorde, hield ze op en zag naar de deur, terwijl
zij vergeefs moeite deed haar gelaat een strenge en verachtelijke
uitdrukking te geven. Zij voelde, dat zij hem, of liever de op handen
zijnde samenkomst, vreesde. Zij beproefde dat te doen, wat zij in
deze drie dagen wel tienmaal te vergeefs beproefd had, haar goed en
dat van de kinderen in te pakken en naar haar moeder te rijden. Ook nu
weer moest ze zich zelf bekennen, dat het zoo niet blijven kon en dat
zij iets doen moest om hem te bestraffen en hem, was het ook slechts
in geringe mate, de smart te doen gevoelen, die hij haar veroorzaakt
had. Zij wilde hem verlaten en voelde, dat het haar onmogelijk was,
geheel en al onmogelijk, daar ze zich niet kon ontwennen hem als haar
echtgenoot te beschouwen en hem lief te hebben. Zij voelde dat zij
niet in staat was te vertrekken, maar terwijl zij zich zelf bedroog,
zocht ze haar goed bijeen en deed alsof zij wegreizen wilde.
Toen ze haar man zag, begon zij in een schuiflade te schommelen,
als zocht zij iets, daarna vermande zij zich en zag naar hem om. Haar
gelaat, dat strengheid en vastberadenheid moest uitdrukken, teekende
echter onbeholpenheid, angst en smart.
"Dolly!" sprak hij met zwakke, vreesachtige stem.
Hij liet het hoofd tusschen de schouders zakken om er beklagenswaardig
en onderworpen uit te zien, zijn gelaat straalde daarbij echter van
frischheid en gezondheid. Zij mat hem met vluchtigen blik van het
hoofd tot de voeten.
"Ja, hij is gelukkig en tevreden," dacht zij, "en ik?.... O, die
afschuwelijke goedigheid, waarom ieder hem prijst en bemint--ik
haat ze!"
Haar lippen klemden zich op elkander, de rechterwangspier van haar
bleek gelaat werd zenuwachtig vertrokken.
"Wat wilt gij?" vroeg zij met gejaagde, haar zelf vreemde stem.
"Dolly!" sprak hij sidderend, "Anna komt van daag."
"Wat gaat mij dat aan? Ik kan haar niet ontvangen," riep zij uit.
"Dolly! eindelijk moet het toch...."
"Ga weg, ga weg van mij!" riep zij heftig.
Tot hiertoe had Stipan Arkadiewitsch heel kalm aan zijn vrouw kunnen
denken, hij had ook steeds gehoopt, dat, volgens Matjeffs zeggen,
alles terecht zou komen, en had daardoor rustig zijn courant lezen
en zijn koffie drinken kunnen.
Nu echter, nu hij haar bekommerd gelaat zag en aan den klank harer
stem hoorde, hoe ongelukkig en wanhopig zij was, nu was het hem alsof
zijn keel toegeschroefd werd en zijn oogen vulden zich met tranen.
"Mijn God, wat heb ik toch gedaan! Dolly, om Godswil....!"
Hij kon niet verder spreken, snikken verstikten zijn stem.
Zij sloot het bureau en zag hem aan.
"Dolly! Wat kan ik zeggen? Slechts dit eene: vergiffenis,
vergiffenis! Bedenk toch, kunnen negen jaren, die wij te samen geleefd
hebben, niet één oogenblik...."
Zij sloeg de oogen neder en wachtte in spanning af, wat hij verder
zeggen zou.
".... Een oogenblik.... van.... verleiding.... uitwisschen...." sprak
hij en wilde nog meer zeggen, maar bij die woorden trilden haar lippen
en de spieren harer rechter wang, als had ze physieke smart.
"Ga heen! ga toch heen!" riep zij nog schriller "en spreek mij niet
meer van uw verleidingen, uw afschuwelijkheden."
Zij wilde wegsnellen, doch wankelde en moest zich aan een stoel
vastgrijpen om niet te vallen.
Zijn gelaat teekende groote droefheid, zijn oogen werden met tranen
gevuld.
"Dolly!" sprak hij snikkend, "denk om Godswil aan de kinderen. Die
toch zijn onschuldig.... Ik heb gefaald, straf mij, laat mij mijn
schuld boeten. Wat ik ook doen moet, ik ben tot alles bereid. Ik
heb schuld, ik kan niet zeggen, hoe diep schuldig ik mij gevoel,
maar Dolly! vergeef mij!"
Zij zette zich neder. Hij hoorde haar zware, benauwde ademhaling en
werd door onuitsprekelijk medelijden met haar bewogen. Zij beproefde
eenige malen te spreken, maar kon niet. Hij wachtte.
"Gij denkt aan de kinderen, om je met hen te vermaken, ik denk
echter ook aan hen en weet nu, dat zij verloren zijn." Hier bracht
zij klaarblijkelijk een phrase uit, die zij zich zelf in deze drie
dagen voortdurend had opgedrongen.
Omdat zij hem met je aansprak, zag hij dankbaar tot haar op en wilde
haar hand nemen. Zij wendde zich echter met afschuw van hem af.
"Ik denk aan de kinderen en voor hen zou ik alles ter wereld willen
doen. Maar ik weet niet, hoe ik het best voor hen zorgen kan, door
ze aan hun vader te ontnemen of hen bij een liederlijken vader
te laten, ja! bij een liederlijken vader! Zeg nu zelf, of er na
het voorgevallene nog mogelijkheid bestaat om samen te leven! Zeg,
is het mogelijk?" herhaalde zij met verheffing van stem, "nadat mijn
echtgenoot, de vader mijner kinderen, een minnehandel heeft aangeknoopt
met de gouvernante zijner kinderen?"
"Maar hoe kan ik het toch weer goed maken ?" vroeg hij op klagenden
toon en liet het hoofd steeds dieper zinken.
"Gij zijt mij onuitstaanbaar," riep zij uit, zich al meer en meer
opwindend. "Uw tranen hebben voor mij geen waarde! Gij hebt mij nooit
bemind, gij hebt geen hart, geen edelmoedigheid! Gij staat mij tegen,
gij zijt voor mij een vreemde, ja geheel een vreemde geworden!" Dat
woord "vreemde", dat haar zelf het verschrikkelijkst klonk, bracht
zij met smart en toorn uit.
Hij zag haar aan, hij verwonderde zich en verschrok over de boosaardige
uitdrukking van haar gelaat. Hij begreep niet, dat zijn medelijden
haar zoo prikkelde.
Zij bemerkte, dat hij slechts medelijden en geen liefde voor haar
gevoelde.
"Neen, zij haat mij, nooit zal zij mij vergeven," dacht hij.
"Het is vreeselijk, vreeselijk," sprak hij.
In het belendend vertrek begon een kind, dat gevallen scheen te zijn,
te schreien. Darja Alexandrowna luisterde en haar gelaat nam een
zachtere uitdrukking aan. Een oogenblik bezon zij zich, als wist ze
niet, waar zij was en wat ze doen moest, daarna stond zij haastig op
en ging naar de deur.
"Zij bemint mijn kind toch nog," dacht hij, de verandering harer
trekken ziende, "mijn kind! hoe kan zij mij dan haten?"
"Dolly, nog een woord!" sprak hij haar volgend.
"Als gij mij volgt, roep ik de bedienden en de kinderen, dan zullen ze
allen vernemen, welk een laag mensch gij zijt! Ik vertrek heden nog,
blijf gij maar bij uw liefje." Zij sloeg de deur achter zich dicht.
Stipan Arkadiewitsch zuchtte, wischte zich het gelaat af en verliet
met langzame schreden de kamer.
"Matjeff zegt, dat alles nog wel terecht zal komen, maar ik zie
daar geen mogelijkheid toe.--En hoe afschuwelijk en plat heeft zij
geschreeuwd!" sprak hij tot zich zelf en dacht aan de woorden: 'liefje
en laag mensch.' "En misschien hebben de meiden dat gehoord! Hoe
vreeselijk plat, hoe vreeselijk."
Stipan Arkadiewitsch stond eenige oogenblikken stil, wischte de oogen
af, hief het hoofd weer fier omhoog en verliet het vertrek.
Het was Vrijdag en in de eetkamer trok een Duitsch horlogemaker juist
de klokken op. Stipan herinnerde zich een schertsende woordspeling
over dien braven, kaalhoofdigen Duitscher, dat zijn geheel bestaan
opgetrokken was door klokken op te trekken.... en hij glimlachte.
Stipan Arkadiewitsch hield veel van een geestigen zet.
"Ach, misschien dat de bui bij ons ook nog optrekt," dacht
hij. Matjeff, die juist binnen kwam, riep hij toe:
"Matjeff, richt de zijkamer in voor Anna Arkadiewna."
"Zooals u beveelt."
Stipan Arkadiewitsch trok zijn pels aan en ging het bordes op om uit
te gaan.
"Komt u te huis dineeren?" vroeg Matjeff, die hem uitgeleide deed.
"Misschien. Hier, dit is voor de onkosten," hij gaf hem een
twintig-roebel-billet, "zou het genoeg zijn?"
"Genoeg of niet genoeg, wij zullen er wel mede rond moeten komen,"
zeide Matjeff, sloeg het portier toe en trad op het bordes terug.
Inmiddels had Darja Alexandrowna haar kind getroost en daar zij
aan het rollen van het rijtuig hoorde, dat haar man uitgereden was,
keerde zij naar haar slaapvertrek terug. Dit was voor haar het eenig
toevluchtsoord voor alle huiselijke zorgen, die haar in beslag namen,
zoodra zij het verliet. Zelfs nu in den korten tijd, dat zij zich
in de kinderkamer bevond, hadden de Engelsche bonne en Matrona
Filimonowna een menigte vragen tot haar gericht, die geen uitstel
konden lijden en die zij alleen beantwoorden kon. Hoe de kinderen
voor de wandeling gekleed moesten worden, of ze melk moesten drinken,
of er om een anderen kok gezonden zou worden.....
"Ach, laat mij met rust!" had zij geantwoord en toen in haar
slaapvertrek tot de plaats, waar zij het laatst met haar man gesproken
had, teruggekeerd zijnde, vouwde zij de magere handen en begon zich
het geheele gesprek voor den geest terug te roepen.
"Weggereden? En of hij nog in betrekking staat met haar? Of
zij elkander nog ontmoeten? Waarom heb ik hem daar niet naar
gevraagd? Neen, neen, een verzoening is niet mogelijk! Wanneer wij
ook al in één huis blijven wonen, zoo zullen wij toch vreemden voor
elkander zijn, voor altijd vreemden!" Met bizonderen nadruk herhaalde
zij dat haar zoo pijnlijk woord. "En hoe zeer heb ik hem bemind! En
bemin ik hem nu misschien nog niet meer dan vroeger! Het ergste is
echter...." Verder kwam zij niet, want Matrone Filimonowna zag door
de deur naar binnen.
"Mag ik om mijn broeder zenden om ten minste het middageten te
koken? Anders gaat het als gisteren en krijgen de kinderen voor zes
uur niets te eten!"
"Goed, ik kom terstond en zal alles regelen. Is er al versche melk
gehaald?...."
En Darja Alexandrowna verzonk weer in de dagelijksche zorgen en vergat
daarin voor eenigen tijd haar kommer.