Het onderwijs bepaalde zich daarom niet tot eenvoudige elementaire

onderwerpen, maar strekte zich uit tot de geschiedenis en de kennis

der staatsinrichting, tot de wetenschap van de wetten der natuur, en

de kennis van de meesterwerken der Marsliteratuur zoowel in proza als

in poëzie. Hand in hand daarmede ging het onderricht in de algemeene

lichaamsbouw- en gezondheidsleer, die in overeenstemming was gebracht

met den leeftijd der leerlingen.

De namiddagen, waarop geen onderwijs werd gegeven, waren gewijd aan

allerlei gymnastische spelen. Na verloop van een bepaalden schooltijd,

werden wedstrijden gehouden, en die daarin de overwinning behaalden,

werden tot eene hoogere klasse bevorderd. Op deze eenvoudige wijze

kwam eene duidelijke scheiding tot stand tusschen de scholieren

die werkelijk talent hadden en hen die minder begaafd waren. Voor

de eersten stond dan de weg open tot de kunstscholen of andere

inrichtingen van hooger wetenschappelijk onderwijs. Die hoogere

ontwikkeling was gemeengoed van het geheele volk, en geen aanmatigende

middelmatigheid kon op Mars tot aanzien komen.

"Wij, aardbewoners, zijn toch ongelukkige stumpers, vergeleken bij

die prachtkerels hierboven; wat is het leven daar beneden op aarde

vergeleken bij het leven hier! Hier, reine heldere zonneschijn,

daar beneden donkere sombere nevel. Wat staat die zoo hoog geprezen

beschaving der meest ontwikkelde natiën ontzettend ver achter bij die

van het volk op Mars!"--zeide op zekeren dag Brummhuber, terwijl de

heeren aan tafel zaten.

"Reeds daar beneden op onze planeet vermoedde ik dat wij hier menschen

zouden vinden, die de volmaaktheid nabij kwamen, maar ik moet erkennen,

dat mijne verwachtingen in elk opzicht zijn overtroffen," antwoordde

Stiller.

"Wij kunnen de menschen hier niets, totaal niets aanbieden, en dat

drukt mij persoonlijk zeer," merkte Thudium op.

"Wat hebben wij hun aan te bieden? Misschien ons pessimisme, onze

afschuwelijke zelfzucht, of de onwaarheid, die ons leven vergiftigt;

alle kenmerken van onze hooge beschaving!" riep professor Piller uit.

"Gij hebt helaas maar al te zeer gelijk, Piller," bevestigde professor

Stiller. "Op Mars vindt men reeds datgene wat waarschijnlijk eerst

na verloop van eeuwen den menschen op aarde zal ten deel vallen."

"Zouden zij het wel ooit zoover brengen," zuchtte Frommherz.

"Daaraan valt niet te twijfelen," hernam Hämmerle. "Mars heeft zonder

twijfel eens dezelfde, althans dergelijke phasen van ontwikkeling

moeten doorloopen als de volkeren op aarde, maar de beschaving hier,

dateert van veel vroeger."

"Ja zeker! Van duizenden en duizenden jaren. De vraag is maar, of

wij in verband met de ontaarding van ons ras--ik leg bijzonderen

nadruk op die ontaarding--of wij wel ooit in staat zullen zijn,

een zelfden trap van ontwikkeling en beschaving te bereiken als de

Marsbewoners. Ik voor mij twijfel er aan!" riep Piller uit en trachtte

zijne opgewondenheid te bedaren met een slok wijn.

"Piller, gij zijt pessimist, en onrechtvaardig als altijd!" merkte

Dubelmeier op.

"Ik, pessimist en onrechtvaardig! Wat bedoelt gij daarmede?"

"Daarover wensch ik niet met u te redetwisten."

"Zoo, zoo, gij wilt mij dus beleedigen?"

"Ik denk er niet aan, daarvoor houd ik veel te veel van u, en acht

ik u veel te hoog, mijn oude alcoholist! Maar mijns inziens is het

pessimistisch en onrechtvaardig, wanneer gij maar zoo botweg verklaart,

dat de volken der aarde ongeschikt zijn voor verdere ontwikkeling

en beschaving."

"Ik ben het met vriend Dubelmeier eens," bracht professor Stiller in

het midden. "Daar hebt ge nu bijvoorbeeld ons, Piller!"

"Neen maar, prachtige voorbeelden!" bromde Piller, die door een

flinken slok wijn zachter gestemd scheen.

"Zeker, voorbeelden van menschenkinderen, zooals ik, zonder al te

groote zelfverheffing, durf beweren,--wij vertegenwoordigen tot op

zekere hoogte de toekomst. De algemeene beschaving en de ontwikkeling

van het zedelijk bewustzijn, waarvan wij op het oogenblik de dragers

zijn, zal later meer en meer het eigendom worden van alle beschaafde

volken der aarde."

"Geloove dat, wie wil!"

"Ik geloof het niet alleen, ik ben er vast van overtuigd, en wel op

grond van de ontwikkelings-geschiedenis der menschheid."

"Stiller, ik zal u niet tegenspreken, want ik wil mij niet nog meer

boos maken, maar mij er integendeel in verheugen, dat ik hierboven

in dit heerlijke Lumata mag zitten."

"Dat is een verstandig woord, waarvoor u alle eer toekomt. En nu vrede,

waarde vrienden!" riep Frommherz.

"Akkoord," riep Brummhuber uit.

Eenige dagen waren na dit gesprek verloopen. Toen verscheen Eran, de

patriarch uit den stam der Ouderen, weder eens in de woning zijner

gasten, en noodigde de heeren uit, langs den kortsten weg met hem

naar Angola te reizen. Allen juichten dit plan toe. Ditmaal zouden de

Zwaben officieel te Angola door den stam der Wijzen worden ontvangen.

Deze was geheel voltallig, daar men buitendien nog verschillende

vragen wenschte te behandelen. Ook de stam der Ernstigen kwam opdagen,

om in een vergadering, zooals af en toe gehouden werd, over eenige

wetenschappelijke onderwerpen van gedachten te wisselen.

De ontvangst van de kinderen der aarde te Angola liet niets te

wenschen over. Hun wondervolle en snelle tocht van de aarde door

het onmetelijke wereldruim naar "het kind des lichts"--zooals de

Marsieten hunne schoone planeet noemden,--was begrijpelijkerwijs

het voornaamste onderwerp der gesprekken, en van aller levendige

belangstelling. Bij de eerste zitting van den stam der Ernstigen,

die in een rijk versierde zaal van een marmeren paleis plaats had,

zette professor Stiller de verschillende omstandigheden uiteen, die

hem hadden doen besluiten, tot de samenstelling van den Argonaut en het

ondernemen van de moeilijke reis, die zoo uitstekend was geslaagd. Hij

vertelde hun verder, van zijn vaderland, van de volken van Europa en

van de aarde in het algemeen.

Deze laatste was den Ernstigen welbekend. De voorstelling die zij

zich daarvan, dank zij hunne buitengewoon scherpe instrumenten

en hun verbeeldingskracht, hadden gemaakt, kwam vrijwel met de

werkelijkheid overeen. Zoo wisten de geleerden van Mars, dat het

derde "kind des lichts" (met dien naam bestempelden de Marsieten

alle planeten) de Aarde, aan de polen groote ijsmassa's vertoonde,

waardoor een aanzienlijk gedeelte van het zeewater in boeien geslagen

was, en dat de oppervlakte der aarde voor meer dan 70 % uit water

bestond. Dat de dampkring, die de aarde omringde, rijk aan waterdamp

moest zijn, leidden zij af, uit de verhouding van het vaste land tot

het water. Zij waren volkomen op de hoogte van de dichtheid der aarde,

kenden de verdeeling in een oostelijk en westelijk en een noordelijk

en zuidelijk halfrond, de snelheid waarmede zij draaide om haar eigen

as en die waarmede zij zich bewoog om het "eeuwige licht," de zon,

en dergelijke meer.

Ook van ieder werelddeel afzonderlijk hadden zij een juist begrip

en dit ging zelfs zoover, dat zij verschillende groote landen konden

onderscheiden. Het was daarom voor de geleerde vreemdelingen niet zoo

bijzonder moeilijk om met de Marsieten als het ware eene wandeling

te maken over de aarde, waarvan deze reeds zooveel kennis hadden

opgedaan. Ze gaven eene nauwkeurige beschrijving van hun vaderland,

en vertelden van de plaats aan den Neckar, vanwaar zij naar Mars

waren getrokken.

Zoowel de Wijzen als de Ernstigen luisterden met levendige

belangstelling naar deze verhalen, die nog vermeerderde, toen zij

bemerkten, dat de zeven Zwaben op aarde eveneens tot een zekeren stam

der Wijzen behoorden.

De heeren werden daarom uitgenoodigd, om de verzamelde élite der

Marsieten nader in te lichten omtrent de verschillende beroepen door

hen uitgeoefend, d. w. z. de omstandigheden te schilderen, waaronder

zij op aarde onder hunne medemenschen verkeerden. Tevens werd de wensch

geuit, dat de vreemdelingen een nauwkeurig beeld zouden ontwerpen van

het leven en streven van de bewoners der aarde, waarmede men dan de

bestaande toestanden op Mars zou vergelijken.

Er werd bepaald, dat ieder der professoren op bepaalde dagen,

twee voordrachten houden zou, de eene zakelijk en de andere over

het onderwerp dat de algemeene belangstelling had gaande gemaakt:

de bewoners der aarde en de trap van beschaving waarop zij stonden.

De professoren kweten zich inderdaad meesterlijk van die taak. Zij

vertelden van den bestaanden toestand der verschillende takken van

wetenschap in de verschillende beschaafde landen van Europa, meer

in het bijzonder die van Duitschland, en lieten open en eerlijk het

volle licht schijnen op de politieke en sociale aangelegenheden en den

strijd die tusschen de verschillende, om den voorrang twistende, natiën

gevoerd werd. Zij schilderden daarbij al de middelen van list, geweld

en geslepenheid, die daarbij werden in praktijk gebracht en verklaarden

den Marsieten dat men dit alles op de aarde met den naam van diplomatie

bestempelde. Zij verzwegen daarbij niet de treurige verschijnselen,

die zich voordeden bij den steeds feller wordenden strijd om het

bestaan, en de moeilijkheid voor het meerendeel der menschen om zelfs

in hunne allereerste levensbenoodigdheden te voorzien; niet alleen

in de lagere standen, maar zelfs bij de meer ontwikkelden.

Zij bekenden onomwonden, dat bij helaas alle beschaafde volken der

aarde aan den drang tot vooruitgang allerlei moeilijkheden werden

in den weg gelegd door verschillende belemmerende instellingen en

kleingeestige bepalingen, en dat het meerendeel der zoogenaamde

beschaafde volken, in weerwil van den ontzettenden vooruitgang der

techniek en der natuurwetenschappen, nog altijd ver verwijderd was

van het ideaal eener reine levensbeschouwing. Hieraan beantwoordde

slechts een klein aantal der inderdaad hoogst beschaafden, en ook deze

kleine schaar van uitverkorenen was eenigermate aangestoken door de

ergste en gevaarlijkste kwaal dezer eeuw: de lafheid. Men zou het

onder de beschaafde natiën op aarde--om van de minder beschaafde

geheel te zwijgen--niet wagen om open en eerlijk datgene te zeggen

wat men dacht, uit vrees daarmede invloedrijke personen te kwetsen,

en zijn eigen bestaan in gevaar te brengen. Daarom waren overtuiging

en handelingen ook zelden met elkaar in overeenstemming. Tengevolge

daarvan heerschte overal, in meerdere of mindere mate, gebrek aan

moed en eerlijkheid der overtuiging, en stond de leugen--het kind der

huichelarij--de zegepraal der waarheid in den weg, en was oorzaak,

dat nog zeer vele instellingen bleven bestaan, die hadden bewezen op

den duur onhoudbaar te zijn; ongezonde en onverstandige toestanden die

geenszins in overeenstemming waren met eene reine wereldbeschouwing

en het werkelijke welzijn des volks.

Met groote vreugde hadden zij daarom op Mars toestanden aangetroffen,

die zoo geheel in overeenstemming waren met het ideaal des levens en

het reine mensch-zijn, zooals zij zich dat hadden gedacht, en naar

welker verwezenlijking door de beste der natiën daar beneden op de

aarde zoo vol ijver werd gestreefd.

Alle heeren uitten zich min of meer op deze wijze.

Frommherz voegde daaraan nog eenige beschouwingen toe over de

godsdienstige en kerkelijke instellingen in Duitschland.

De Wijzen en Ernstigen hadden met alle aandacht naar deze vertoogen van

de zonen der aarde geluisterd. Hunne wetenschappelijke uiteenzettingen

bevatten voor de Marsieten niets nieuws. Zooveel te meer belangstelling

toonden zij voor de sociale en andere toestanden, die hunne gasten

hun met zulke levendige kleuren hadden geschilderd. Geen geluid werd

gedurende de lange voordrachten vernomen.

Toen Stiller had aangekondigd, dat de voordrachten waren afgeloopen,

belegden de Wijzen en Ernstigen eene vergadering, waarvan de zeven

Zwaben waren uitgesloten. Het resultaat dezer bespreking zou hun

later worden medegedeeld.

"Wat zouden die van plan zijn?" vroeg Frommherz bezorgd.

"Wel, ik denk, dat zij eene scherpe critiek zullen uitoefenen op

onze voordrachten, waartoe zij alleszins gerechtigd zijn!" antwoordde

Stiller.

"En ons dan in den gezwinden pas laten vertrekken, let eens op!" voegde

Brummhuber daaraan toe.

"Daartoe zijn onze gastheeren veel te fatsoenlijk," hernam Piller,

"ofschoon de Marsieten volkomen in hun recht zouden zijn, wanneer

zij ons in overweging gaven, eindelijk eens aan onzen terugkeer te

gaan denken."

"Laten wij maar rustig afwachten wat komen zal," besloot Dubelmeier.

"Daar zal wel niet veel anders op zitten," zuchtte Frommherz, wiens

geweten hem een weinig plaagde met betrekking tot zijne godsdienstige

en kerkelijke beschouwingen.

Toch waren de zonen der aarde eenigszins onrustig, terwijl zij met

elkander wandelden door de heerlijke parken van het wonderschoone

Angola, gedurende de vergadering der Marsieten.

Den volgenden dag, den tiende dien zij in Angola doorbrachten, werden

de Zwaben weder op plechtige wijze binnengeleid in de groote zaal,

waar zij hunne voordrachten hadden gehouden.

De oudste onder de Ouden, eene echte Hunnengestalte, Anan geheeten,

stond op en begroette hen hartelijk.

"Mijn waarde vrienden," aldus sprak hij hen aan, "wij allen hebben

met groote aandacht en levendige belangstelling geluisterd naar

hetgeen gij ons omtrent de algemeene en bijzondere toestanden op uw

wereldbol hebt medegedeeld. Deze mededeelingen hebben eigenaardige

gevoelens en gewaarwordingen in ons wakker geroepen, die wij eerst

in alle bedaardheid voor ons zelf wilden verwerken, alvorens u onzen

dank te betuigen, en tegelijkertijd antwoord te geven op hetgeen wij

hebben gehoord. Dit is dan ook de reden, waarom wij eene bijzondere

vergadering hebben belegd. In de eerste plaats danken wij u voor de

oprechtheid, waarmede gij ons het leven der volken op uw planeet

hebt geschilderd. In het eerste oogenblik schenen uwe verhalen

ons sprookjes, en wij zouden ze ook als zoodanig hebben beschouwd,

wanneer wij niet overtuigd waren, van den ernst uwer levensopvatting,

van uwe rechtschapenheid en eerlijkheid. Wij hebben niet tevergeefs

uw leven te Lumata gadegeslagen. Het resultaat dier waarnemingen

was de uitnoodiging om hierheen te komen, waarmede wij u een blijk

hebben gegeven van onze achting en ons vertrouwen. En nu kom ik

tot uwe mededeelingen terug. Te vergeefs hebben wij gebladerd in

de geschiedenis van ons verleden, om daarin zulke barbaarsche en

door bedrog en onwaardigheid beheerschte toestanden te vinden,

als zij bij u, zoowel in het private als in het openbare leven nog

schijnen te bestaan; die hebben wij gelukkig niet gekend. Zeer zeker

heeft het ook ons niet ontbroken aan innerlijken strijd, aan bittere

teleurstellingen van allerlei aard, totdat wij eindelijk zijn geraakt

tot die levensomstandigheden en levensopvattingen, die gij nu in

ons bewondert. Onze ontwikkeling is echter minder moeilijk, minder

pijnlijk geweest dan de uwe. Reeds van oudsher had bij ons,--bij

de groote massa des volks,--de gedachte wortel geschoten, dat het

niet onze bestemming was om te blijven staan op den lagen trap van

beschaving, maar dat wij onze krachten moesten inspannen om hooger te

stijgen. Deze hoogere ontwikkeling tot de ideale vrijheid kon alleen

worden bereikt door eene geleidelijke verstandelijke ontwikkeling,

die ons vatbaar maakte voor het hoogere licht der waarheid.

"Gij, waarde vrienden, hebt gedurende uw verblijf te onzent

langzamerhand de wegen leeren kennen, die wij hebben ingeslagen om dit

hoogere doel te bereiken, wegen, die wij ook nu nog bewandelen en ook

in de toekomst zullen blijven bewandelen, omdat zij bewezen hebben de

rechte te zijn. Daarover zal ik dus niet meer spreken. Ik wil gaarne

toegeven, dat wij het bij onze ontwikkeling gemakkelijker hebben gehad

dan dit bij u op aarde het geval geweest is en nog is. Wij hebben

hier een volk, dat vrijwel één is, in taal, denken en voelen, wat op

uwe planeet niet het geval is. Wij konden ons daarom met veel minder

moeite en zonder dien door u geschilderden moord-in-het-groot,--door

u oorlog genoemd,--opwerken tot dien hoogen trap van beschaving, die

uw ideaal zoo nabij komt. Wij hadden dus die vreeselijke verwarringen

niet te overwinnen, die uw geluk en vooruitgang zoo hinderlijk in

den weg staan, en voortdurend bedreigen.

"Bij ons heerscht reeds sedert onheuglijke tijden een zeker

gemeenschapsgevoel, eene broederlijke verhouding, die den grondslag

van ons bewustzijn vormt, en de drijfkracht is onzer handelingen.

"Bij u ontbreekt, helaas, dat machtige gevoel van solidariteit, of

is althans niet in die mate aanwezig, als het voor algemeen welzijn

noodig mag worden geacht. De oorzaak van den lageren trap waarop gij

staat, ligt mijns inziens in gebrek aan die eenvoudige natuurlijke

moraal die op ons leven zulk een gunstigen invloed uitoefent.

"Het deed ons pijnlijk aan, te hooren hoe bij u iedere schrede op den

weg van vooruitgang wordt gekocht met bloed en tranen, en hoe daarvoor

velen moeten worden opgeofferd; en toch--gij hebt het zelf gezegd--het

moet en zal ook bij u op aarde eenmaal anders en beter worden. Gijzelf

zijt daarvoor de levende getuigen, want gij toont reeds heden datgene,

wat naar uwe getuigenis, in later tijd de groote massa wezen zal.

"Wakkere brave mannen van uw geestelijke ontwikkeling, moeten daarom

daarbeneden op de aarde arbeiden aan de geestelijke ontwikkeling hunner

medemenschen en broeders. Wanneer ieder voor zich, bij dat moeilijke

werk, ook al geene volle bevrediging vindt, bedenk dan dat de gevolgen

van het arbeiden aan het werk der volmaking uwer medemenschen niet u,

maar uwe nakomelingschap ten goede komen zal. Wij raden u daarom:

"Keert naar uwe aarde terug."

"O Hemel, had ik het niet gedacht," zuchtte bij deze woorden professor

Frommherz.

"Houd toch uw mond, gij klager",--voegde professor Piller hem

allesbehalve vriendelijk toe.

"Keert terug naar uwe Zwaben, naar het brave volk uit welks midden

gij zijt voortgekomen en wijdt u aan het verheven werk zijner

volmaking. Het zij verre van ons u te willen wegjagen, gij zijt en

blijft onze lieve gasten."

"Goddank," mompelde Frommherz.

"Maar ik moet eerlijk bekennen, en ik spreek hiermede uit naam

mijner broeders en zusters,--gij zijt de eerste, maar ook de laatste

vreemdelingen,--die van een der andere kinderen des Lichts, tot ons

komen mogen; want dit is de hoofdzaak, het eigenlijk resultaat onzer

bespreking.

"In het belang van ons volk, wenschen wij geen verder verkeer met

anderen. Dit doelt niet op u, want,--ik herhaal het hier nogmaals

nadrukkelijk--gij zijt onze lieve gasten en vrienden. Maar wij nebben

geen enkelen waarborg, dat er niet eenmaal menschen tot ons zouden

kunnen komen, die niet even hoog staan als gij, wier gedrag, bij

een langer verblijf, waarschijnlijk tot allerlei onaangenaamheden

aanleiding geven zou, en eindelijk hunne verwijdering van hier zou

tengevolge moeten hebben. Dat willen wij ons besparen.

"Uwe stoutmoedige reis zal u weliswaar niet zoo spoedig worden

nagedaan. Men kan echter niet weten, en daarom hebben wij reeds nu

strikte orders gegeven geen luchtschip meer te laten landen, waar het

ook vandaan moge komen, al was het zelfs uit uw geliefd Zwaben. Blijf

bij ons, wanneer gij wilt, of keer na korter of langer tijd weder

met uw luchtschip huiswaarts, wij laten dit aan uw eigen goedvinden

over en blijven steeds uwe oprechte vrienden! En nu, lieve broeders en

zusters"--wendde Anan zich tot de Marsieten,--"roept het met mij uit:

Heil, geluk en voorspoed, zij den zeven Zwaben, onzen lieven eersten

en eenigen gasten."

HOOFDSTUK VI.

IN HET LAND DER UITGEWORPENEN.

Met zeer gemengde gevoelens keerden de heeren van Angola naar Lumata

terug. Zouden zij op Mars blijven of heengaan? Dat was de eerste en

gewichtige vraag, die hen de eerstvolgende maanden bezighield.

"Al hebben de Marsieten te Angola ons nu niet direct op straat

gezet, toch hebben zij ons duidelijk te kennen gegeven, dat het zoo

langzamerhand tijd wordt onzen ransel te pakken," zeide Piller op

zekeren dag tot zijn collega Stiller.

"Gij hebt gelijk, en ik moet u ook oprecht bekennen, dat mij dit

werkelooze leven en die groote gastvrijheid, die ons wordt bewezen en

waarvoor wij op geen enkele wijze onze dankbaarheid toonen kunnen,

zwaar begint te vallen. Wij moeten toch eens weer aan vertrekken

denken, want wij kunnen hier toch niet tot aan het einde onzer dagen

blijven."

"Hm, hm! Toch verlaat ik Lumata ongaarne, het scheiden zou mij

inderdaad moeilijk vallen; wanneer ik denk aan onze reis hierheen

en aan al de moeilijkheden, waarmede wij te kampen hebben gehad,

dan kan ik er van griezelen, wanneer ik aan terugkeeren denk! Maar

toch moet dit gebeuren, daarover kan en mag geen twijfel bestaan,

het is dus alleen maar de vraag wanneer. Laten wij het dus maar een

poosje afwachten!" antwoordde Piller.

"Op die manier spreken er ook de andere vrienden over, waarde

Piller. Alleen Frommherz maakte een uitzondering, die ontwijkt zooveel

mogelijk iedere bespreking, die op onzen terugkeer betrekking heeft."

"Dat wil ik graag gelooven," merkte Piller lachend op, "onze waarde

vriend Fridolin is overgelukkig dat hij hier mag vertoeven en krijgt

het benauwd, wanneer wij over eene thuisreis beginnen te spreken. Ik

kan het hem trouwens niet kwalijk nemen, dat hij gaarne voor altijd

hier zou willen blijven. Maar het is duidelijk, dat aan dit luie

leventje een einde komen moet. Daarin ben ik het volkomen met u eens,

Stiller!"

"Wij beginnen dus met voorloopig hier te blijven, en maken ons onzen

tijd zoo goed mogelijk ten nutte. Inmiddels zorg ik er voor, dat onze

Argonaut weer uitstekend in orde wordt gemaakt, en tevens voor eene

voldoende hoeveelheid proviand. Ik zal langzamerhand, met de grootste

nauwgezetheid, alles voor onze terugreis in orde maken."

"Vergeet vooral dien heerlijken wijn niet! Neem, als 't u blieft,

daarvan eene voldoende hoeveelheid in de gondel mede."

"Dat zal gebeuren, gij eeuwige dorstlijder!" antwoordde Stiller

lachend.

In vriendschappelijken, aangenamen omgang met het beminnenswaardige

volk op Mars, en het maken van kleinere en groote uitstapjes en reizen,

ging de tijd maar al te snel voorbij. Op een dier tochten waren zij

iets verder buiten de eigenlijk bewoonde streken, in de noordelijke

koudere gewesten van den planeet beland. De natuurvorschers werden

hier buitengewoon aan hun vaderland herinnerd door het zien van

goed onderhouden bosschen en groene weiden, afgewisseld door mooie

donkerblauwe meren. Daartusschen verhieven zich hooge gebergten, die

door hunne met sneeuw bedekte toppen, levendig aan een Alpenlandschap

herinnerden. Hier ontmoetten zij verspreide en ver uit elkander

liggende nederzettingen van Marsieten, wier ernstig en stilzwijgend

optreden een scherp contrast vormde met de vroolijke en opgewekte

levensopvatting van hunne andere broeders.

Op hunne desbetreffende vragen, werd den geleerden meegedeeld, dat

dergelijke kleine koloniën, ook in de zuidelijke gematigde luchtstreek

van Mars werden gevonden.

De kolonisten heetten "de uitgeworpenen" omdat hunne namen hetzij

tijdelijk, hetzij voor altijd, uit de stamboeken op Mars waren

geschrapt.

Dat zijn dus de misdadigers die, van alle gemeenschap met anderen

uitgesloten, hierboven boete doen voor hunne wandaden?" vroeg

Dubelmeier.

"Wij kennen hier alleen overtreders van de wet, geen andere

misdrijven," antwoordde men den vrager.

"Nu dat komt dan toch zoowat op hetzelfde neer," ging Dubelmeier

voort. "Maar waarin bestaat dan bij u de wetsovertreding, die gestraft

wordt met verbanning naar deze streken?"

"In het niet nauwkeurig beantwoorden aan alle plichten en

verplichtingen."

"Dan zou bij ons op aarde 9/10 der menschen verbannen worden, en

zouden wij op het laatst met de bannelingen geen raad meer weten,"

riep Piller verbaasd uit.

"Wij zijn hier ook niet op uwe planeet," antwoordde glimlachend Baran,

die de reizigers tot gids strekte.

"Maar het is toch eigenlijk wreed, om wegens kleinere vergrijpen,

een medemensch uit zijn gewone gezellige omgeving te stooten," bracht

Hämmerle in het midden.

Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars · 第 6 / 9 段