Na eene korte stomme begroeting, geleidde de grijsaard de zonen

der aarde, naar het huis met het koepeldak. De weg daarheen voerde

door een soort bosch met hooge goed verzorgde boomen, op wier

donkergroene, glanzende bladeren, de trillende stralen der maan hun

grillig spel dreven. Millioenen van lichtgevende kevertjes gonsden

in de zoele nachtlucht onder de boomen, en de blauwe schijn van deze

zich snel bewegende diertjes gaf den indruk van snel ronddraaiende

sterretjes. Lustig kabbelende beekjes, wier oevers door sierlijke

bruggen waren verbonden, kruisten den weg.

De eigenaardige schoone wandeling had ongeveer een uur geduurd. Het in

den vorm eener rotonde opgetrokken gebouw, was beneden versierd met

eene rij borstbeelden op rood marmeren zuilen. Zij schenen de mannen

voor te stellen, die hier in het observatorium hadden gewerkt. Breede

trappen voerden naar het eigenlijke observatorium waar eenige mannen

reeds in hunne stille studie verdiept waren. De patriarch moest reeds

met hen gesproken hebben, want zoodra de vreemdelingen binnentraden,

stonden zij op, en noodigden met eene vriendelijke handbeweging deze

uit, hunne plaatsen in te nemen.

Stiller was verrast over de grootsche pracht der geheele

inrichting. Hoe armzalig leek hem, hierbij vergeleken, zijne eigen

sterrenwacht, daarginds op de Bopserhoogte bij Stuttgart! Hij trad op

een der reuzentelescopen toe, onderzocht hem even, en moest erkennen,

dat de lenzen aan scherpte niets te wenschen overlieten, ja zelfs alles

overtroffen wat hij tot dusver van dien aard had leeren kennen. Wat

een rijkdom van verstand, moest hier op Mars vertegenwoordigd zijn,

om zulk fijn optisch werk, dat op zeer wetenschappelijke nauwkeurige

berekeningen berustte, te kunnen uitvoeren.

De professor sloeg opmerkzaam den hemel gade. Hier en daar ontwaardde

hij hem bekende sterrenbeelden en sterren, ver in het westen stond

een opvallend groote rood schitterende ster, die in hooge mate de

aandacht van den professor trok. Dat kon slechts eene planeet zijn,

die daar fonkelend in het onmetelijk hemelruim zweefde; wellicht

was het, de opvallende nabijheid in aanmerking genomen, de aarde

wel. Hij stelde daarom den reuzenkijker zeer nauwkeurig in. Het

vermoeden van professor Stiller bleek juist te zijn. Dank zij de

voortreffelijke scherpe lenzen, en de reinheid van de Marsatmosfeer,

herkende hij duidelijk Moeder Aarde. Hij kon de verschillende zeeën

en werelddeelen onderscheiden. Van den Noordpool zuidwaarts gaande,

was het zelfs mogelijk de omtrekken van enkele landen langs de

IJszee, en langs den Atlantischen Oceaan vast te stellen, en daar,

ja, daar had hij het, wat nu in den kijker duidelijk zichtbaar was,

daar moest zijn vaderland, daar moest, naar den omtrek te oordeelen,

Duitschland liggen.

Vroolijk opgewonden, deelde Stiller de gedane waarneming aan zijne

reisgenooten mede, en noodigde hen uit, door den kijker een blik te

werpen op het verre, dierbare vaderland.

De een na den ander gaf aan deze uitnoodiging gehoor.

"Het is ongeloofelijk, maar waar! Dit vergezicht is inderdaad eenig

in zijn soort! Voor de eerste maal zien wij op verren, verren afstand

de aarde en ons vaderland!" riep Hämmerle vol geestdrift uit.

"Dat gezicht is werkelijk grootsch!" zeide Thudium.

"Dat is het," bevestigde Piller.

De sterrenkundigen van Mars en de patriarch keken ook beurtelings

door den telescoop. Zij wisten immers reeds, vanwaar die zonderlinge

vreemdelingen in den vroegen morgen gekomen waren, en konden uit hunne

opgewondenheid bij het gadeslaan van een bepaald deel der verwijderde

planeet, wel opmaken, dat het deel, dat zich op het oogenblik in

het gezichtsveld van den telescoop bevond, het vaderland der gasten

zijn moest.

"Het is verbazend jammer, dat wij niet met onze collega's kunnen

spreken! Wat zou dat een leerzaam onderhoud zijn!" zei Stiller tot

zijne metgezellen, toen zij na een stommen groet het observatorium

verlieten.

"In de eerste plaats moeten wij zoo spoedig mogelijk de taal der

Marsbewoners leeren. Die te kennen is voor ons onderzoekingswerk de

"conditio sine qua non," sprak Hämmerle.

"Dat is een waar woord, heer taalgeleerde!" liet Piller er op volgen,

en ook de andere heeren knikten toestemmend.

De beide wachters van Mars stonden als volle manen aan den hemel,

toen de heeren huiswaarts gingen. Als twee geweldige lichtgevende

bollen, zweefden zij in het luchtruim en wierpen hun zilver licht

over het stille landschap. Terwijl Phoebus, de dichtst bijzijnde

en kleinere maan, zich snel van het Westen naar het Oosten bewoog,

trok de grootere verder verwijderde Deimos, die minder haastig was

dan haar gezellin, kalm en statig in omgekeerde richting. Het was een

schouwspel, zóó wonderschoon, zóó eenig in zijn soort, dat de zonen

der aarde in luide bewoordingen lucht gaven aan hunne bewondering

over dien betooverenden nacht. Langzaam wandelden zij naar huis,

en genoten met volle teugen van de wonderen van een nacht op Mars.

HOOFDSTUK V.

LUMATA EN ANGOLA.

De volgende weken gingen voor de gasten van den Patriarch in gezellig

verkeer met hem en de Marsbewoners voorbij. De vreemdelingen gaven

zich alle moeite, om zich voor hunne nieuwe vrienden verstaanbaar te

maken en tevens deze te verstaan. Ze schreven daarom voor allerlei

dingen de namen op zooals zij die hoorden uitspreken. Daarop brachten

zij deze dingen in verband met het doel waarvoor zij gebruikt werden,

en de eigenschappen, waardoor zij zich onderscheidden, en kregen zoo op

de meest eenvoudige wijze langzamerhand den sleutel tot de taal zelve.

Al vlotte ook in het begin het gesprek slechts zeer langzaam, toch

deed het hun veel genoegen, dat zij langzamerhand de welluidende taal

begonnen te begrijpen, waarin zij de belooning vonden, voor de groote

moeite, die zij zich bij hunne studie moesten getroosten.

In de menschenwereld gaat alles slechts langzaam vooruit; nergens

gaat de ware vooruitgang met zevenmijlslaarzen. De waarheid van die

woorden ondervonden de zeven Zwabensche geleerden niet alleen voor

zichzelf bij hunne studiën, maar konden zij ook bij de Marsbewoners

waarnemen. Ofschoon zij eerst korten tijd daar vertoefden, en hunne

waarnemingen zich tot eene betrekkelijk kleine ruimte hadden beperkt,

waren zij toch reeds tot de overtuiging gekomen, dat de bewoners van

Mars een zeer hoogen trap van beschaving hadden bereikt, die slechts

het product kon zijn van eene eeuwenlange geestelijke ontwikkeling.

Naarmate de heeren de hen omringenden beter konden verstaan, nam

hunne bewondering en waardeering voor deze hoogstaande menschen toe.

Meer en meer vestigde zich bij hen de overtuiging, dat de Marsbewoners,

tenminste die, wier gasten zij waren, op de meest ideale wijze--als

menschen datgene vervulden, wat op aarde slechts de besten en edelsten,

dus altijd slechts enkele individuën presteerden.

Wat zij zelf daar beneden op aarde hadden gedroomd van alles wat

schoon, waar en goed was, vonden zij hier in werkelijkheid terug,

want overal en in alles openbaarde zich de heerlijkste harmonie,

alles ademde schoonheid, goedheid en waarheid, en het geheele leven

droeg den stempel van kalme werkzaamheid.

Ongetwijfeld moest eene wijze regeering hier aan het hoofd van den

Staat staan, ofschoon de heeren van overheidspersonen, die in hun

vaderland zoo talrijk waren, hier niets hadden gemerkt.

Zou dit leven vol licht en schoonheid ook zijne schaduwen, zijne

donkere zijde hebben? Deze vraag werd herhaaldelijk geopperd,

wanneer de heeren 's avonds in de groote bibliotheek van hun tehuis

onder elkander zaten te praten. Een afdoend antwoord werd hierop

nooit gegeven--want gewoonlijk werd men het daarover eens, dat men,

alvorens een oordeel te kunnen vellen, eerst de taal volkomen meester

wezen moest.

Hierboven op Mars, was alles zoo heel anders als daar beneden op

de aarde.

De zeven Zwaben voelden zich in hun nieuw verblijf zóó uitermate thuis,

dat zij in het geheel niet meer aan een mogelijken terugkeer schenen te

denken; tenminste door geen der heeren werd daar ooit over gesproken.

De Marsieten, zooals zij de Marsbewoners noemden, behandelden hen als

lieve oude vrienden, geheel als huns gelijken, en men bewees hun op

eene zoo fijn gevoelige wijze gastvrijheid, dat deze niets drukkends

had en zij integendeel daarvan een vroolijk dankbaar gebruik maakten.

Ook de Argonaut was op praktische wijze onder dak gebracht; in alle

stilte had men op de weide, waar de ballon was neergedaald, eene

ruime loods gebouwd van plaatijzer en met glas overdekt. Daar was

het luchtschip in geborgen. De defecten die de ballon had bekomen,

waren door de Marsieten zóó meesterlijk hersteld, dat Stiller erover

verbaasd stond. De handigheid en vaardigheid, in zake de grootste

moeilijkheden op het gebied van luchtscheepvaartkunde, dwongen hem

bewondering af. Waar de technici op Mars bij het repareeren van den

Argonaut blijk hadden gegeven van zooveel praktische bekwaamheid,

hoe groot moest dan wel hunne theoretische ontwikkeling zijn! Wat

konden zijzelf hier nog veel leeren!

Dit vooruitzicht was zóó aanlokkelijk, dat Stiller nauwelijks den

tijd af kon wachten, waarop hij en zijne vrienden in nauwere aanraking

zouden komen met de mannen der wetenschap, hunne collega's op Mars.

De vraag, hoe zij de hun bewezen gastvrijheid zouden vergelden, hield

de zeven Zwaben dikwijls bezig, want het was hun duidelijk, dat zij

die maar niet altijd konden blijven aannemen, zonder daarvoor iets

in de plaats te geven. Zij besloten daarom, om later op de eene of

andere manier ieder naar zijne kundigheden den Marsieten van dienst te

zijn, en op gepaste wijze uiting te geven aan hunne dankbaarheid. Het

hoe, dat stond hun nog niet duidelijk voor den geest, doch zou zich

waarschijnlijk te eeniger tijd van zelf uitwijzen.

De tijd verliep; ze deden velerlei ervaringen op, en sloegen

meermalen een blik in de eigenaardige nieuwe wereld, waarin zij

leefden. Allereerst hadden zij uitgemaakt, dat hunne woonplaats zich

bevond op het Noordelijk halfrond van Mars en wel op 15° breedte. Daar

de breedte der keerkringen van Mars de helft bedraagt van die

der aarde, lag de 15° noorderbreedte hier reeds in de zuidelijke

heete luchtstreek. De gematigde luchtstreek van Mars strekte zich

zoowel noordelijk als zuidelijk tot op 35° breedte uit. Daarboven

en daaronder begon de koude luchtstreek. Terwijl deze, zooals aan de

geleerden werd medegedeeld, slechts zeer dun en door een bepaald soort

Marsbewoners bevolkt was, leefde het meerendeel der Marsieten binnen

de 35° breedte noordelijk en zuidelijk van den equator. Het was dus

slechts betrekkelijk een klein gedeelte van de planeet, dat bewoond

en productief gemaakt werd, maar het was volkomen voldoende, om de

tweehonderd en vijftig millioen, waarop het aantal bewoners van Mars

geschat werd, een goed bestaan te verzekeren. Dat dit bestaan verband

hield met de reuzenkanalen, was reeds lang vermoed, naar aanleiding

van de waarnemingen door professor Stiller en andere natuurkundigen

gedaan. Deze vermoedens werden zekerheid, nu professor Stiller in

de gelegenheid was, om de allereerste levensvoorwaarden op Mars,

persoonlijk te leeren kennen.

De atmosfeer van Mars kwam met die der aarde overeen; maar daar er op

Mars slechts kleine oceanen en binnenzeeën waren, bevatte de dampkring

die deze planeet omringde, minder waterdamp en vocht dan de atmosfeer

der aarde. Het natuurlijk gevolg daarvan was, eene wonderlijk heldere

doorzichtige lucht, waardoor de verst verwijderde voorwerpen dichtbij

schenen, een diep donkerblauwe hemel, maar tevens ook gebrek aan flinke

regenbuien. Weliswaar dauwde het in de heerlijk koele nachten zóó

sterk, dat planten en boomen hunne natuurlijke frischheid behielden,

maar deze vochtige neerslag alleen gaf niet voldoende water voor de

behoefte der plantenwereld. De Marsbewoners waren dus in den strijd

om hun bestaan genoodzaakt, aan dit gebrek in de natuur door kunst te

gemoet te komen. Op deze wijze ontstonden de kanalen, die zich tot

in de koude luchtstreken uitstrekten, en die het water, dat daar in

den zomer ontstond door het smelten der enorme ijsmassa's, naar alle

richtingen voerden.

Reeds alleen de grootsche uitvoering dezer eeuwenoude waterwegen,

duizenden kilometers lang, die hier en daar samenvloeiden in

kunstmatige bassins, reuzenmeren gelijk, en de wijze waarop deze met

de grootste zorgvuldigheid werden in stand gehouden, wezen op den

hoogen trap van ontwikkeling der Marsbewoners, hun hoogen graad van

beschaving, en hun sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel. De regeling van

het water was volkomen in overeenstemming met het jaargetijde. Dank

zij deze inrichting en het onmetelijk aantal watertjes die naar alle

richtingen stroomden, was er op Mars nooit gebrek aan vocht. Het gevolg

daarvan was de weelderige en prachtige plantengroei, die de Zwaben weer

telkens opnieuw moesten bewonderen. Daarbij kwam de totale afwezigheid

van wilde dieren, vergiftige slangen en gevaarlijke insecten. Het

was een eldorado, waar de zonen der aarde waren terecht gekomen.

Deze talrijke kanalen waren tevens de beste en eenvoudigste

verkeerswegen der Marsbewoners. Geen wonder, dat hier dan

ook eene levendige scheepvaart was. De schepen, die zich op de

waterwegen bewogen, bedierven de heerlijke lucht niet door rookende

schoorsteenen. Alle vaartuigen, zoowel voor personen- als voor

goederenvervoer, werden door electriciteit bewogen en maakten een

rustig en snel verkeer mogelijk.

Met deze vaartuigen, die even doelmatig als gemakkelijk en sierlijk

waren ingericht, hadden de zeven Zwaben reeds menige groote reis

gemaakt. Zij hadden het overige land en zijne bewoners, daarbij echter

slechts vluchtig leeren kennen, daar die tochten hoofdzakelijk werden

ondernomen met het oog op de algemeene oriënteering. Wat zij echter

zagen, versterkte slechts hunne eerste goede indrukken, en bevestigde

hen in hunne overtuiging dat zij zich in een grootschen Staat bevonden

die voorbeeldeloos werd bestuurd. Niet alleen waren de Marsbewoners van

de verschillende luchtstreken overal dezelfde--d. w. z. zij spraken

dezelfde taal, en schenen onder dezelfde sociale verhoudingen te

leven, als hunne broeders in Lumata, zooals de kolonie heette, waar de

heeren uit Zwaben waren aangeland,--maar ook viel op de verschillende

plaatsen, die de vreemdelingen bezochten, eene zekere gelijkheid van

bezit op, en deed hun de totale afwezigheid van werkelijke armoede

aangenaam aan.

De geologische gesteldheid van Mars kwam vrijwel met die der

aarde overeen; ook hier vond men steen-formatie, en verschillende

aardlagen, in nagenoeg dezelfde volgorde als op aarde. De geologische

ontwikkelings-geschiedenis van Mars scheen dus met die der aarde

overeen te stemmen; alleen had Mars blijkbaar de verschillende

ontwikkelingsperioden sneller en vroeger doorgemaakt. Daarvoor getuigde

het totaal ontbreken van werkende vulkanen. Daarentegen was Mars rijk

aan allerlei heete bronnen; ook was er geen gebrek aan Fumarolen,

(d. w. z. openingen in den bodem op vulkanischen steengrond, waaruit

waterdampen opstijgen, die dikwijls met allerlei chemische dampen zijn

bezwangerd), noch aan Moffetten (gasbronnen waaruit koolzuur stroomde).

Groote steden, zooals zij in de zoogenaamde beschaafde Staten der aarde

te vinden zijn, waren op Mars niet; er bestonden alleen kleinere of

grootere huizengroepen, die ieder op zich zelf geheel vrij lagen,

meestal in het groen. Alleen aan een groot meer, twee dagreizen

zuidwaarts van Lumata, hadden de Zwaben iets gevonden, wat eenigermate

op eene stad leek. Dat was eene grootere kolonie, met talrijke mooie

gebouwen, die straatsgewijze waren opgetrokken. Een stad van paleizen

scheen het wel, die zich onderscheidde door eene zekere deftige kalmte,

door overgroote reinheid, en de pracht der publieke tuinen. De zonen

der aarde konden met hunne zeer gebrekkige spraakkennis, slechts te

weten komen, dat deze plaats, Angola geheeten, het hoofdverblijf was

van de stammen der Wijzen, der Vroolijken, en der Ernstigen. Maar

wat waren dat voor stammen?

Toen zij thuis waren gekomen, vroegen zij daar den Patriarch naar;

deze glimlachte op eene eigenaardige wijze op die vraag en antwoordde

de nieuwsgierige heeren, dat hij later zelf eens met hen naar Angola

zou gaan, om hen met zijn broeders dáár bekend te maken, die echter

reeds lang op de hoogte waren van hunne aanwezigheid in Lumata,

hun afkomst en hunne reis naar Mars.

In den beginne werd al de tijd van de Tübinger heeren in beslag genomen

door het opschrijven hunner dagelijksche waarnemingen en der ontvangen

nieuwe indrukken en het aanleeren der taal. Langzamerhand echter

begonnen zij toch te verlangen naar hun vroeger beroep, dat hun tot

eene tweede natuur was geworden, en dat zij met zoo gunstig gevolg

in hun vaderland hadden uitgeoefend. Aan ernstige en voortdurende

bezigheid gewend, scheen hun het aangename, ideale, heerlijke leven op

Mars meer en meer als een verblijf in een soort luilekkerland toe. Hoe

langer zij op Mars waren, hoe meer de moeilijkheden, waarmede zij op de

heenreis hadden te kampen gehad, op den achtergrond werden gedrongen.

Er was reeds een vol jaar verloopen, sedert zij van de Cannstatterweide

hun tocht waren begonnen. Terwijl daar beneden de winter met sneeuw en

koude voor de deur stond, heerschte hierboven in Lumata eene eeuwige

lente, ofschoon de Marsieten het jaargetijde waarin zij zich bevonden,

eveneens vergevorderd noemden.

Was het slechts toeval, dat de zeven Zwaben ook op Mars bij gewichtige

aangelegenheden het heilig zevental terugvonden? Ook Stiller kon

daarvoor geen verklaring vinden, en stelde zich tevreden, het feit

te hebben vastgesteld.

Op Mars werd het jaar in zeven deelen verdeeld, die allen betrekking

hadden op de werkzaamheid en de rust in de natuur. Volgens de

berekening der aarde stond zulk een tijdsverloop gelijk met ongeveer

twee en vijftig dagen. Deze perioden heetten:

1 de tijd van het ontwaken,

2 de tijd van het zaaien,

3 de tijd der knoppen en bloesems,

4 de tijd der vruchten,

5 de tijd der schoven,

6 de tijd van het oogsten of der vreugde,

7 de tijd der ruste.

Langzamerhand hadden de zonen der aarde groote vorderingen in de

Marstaal gemaakt, zoodat zij nu ook eenig inzicht kregen in de

staatsorganisatie van het Marsvolk. Zij kwamen hoe langer hoe meer

tot de overtuiging dat zij hier te doen hadden met een hoogstaande

reusachtig groote demokratische gemeenschap, die niet berustte op

geweld, maar in stand werd gehouden door den vrijen wil des volks,

en den band van gemeenschappelijke belangen. Ieder individu maakte

zijn eigen welzijn aan dat der gemeenschap ondergeschikt, en diende

deze met al de kracht die in hem was. De geheele Staat vormde een

weliswaar groote, maar nauw verbonden familie, waar volkomen vrede

en eendracht heerschte. Aan het hoofd van den Staat stond de stam

der Wijzen of de handhavers van het gezag.

De bevolking van Mars werd in de volgende zeven stammen onderscheiden:

1e de stam der Wijzen of de handhavers van het gezag.

2e de stam der Vroolijken (beeldende kunsten: schilders, beeldhouwers

en componisten).

3e de stam der Ernstigen (geleerden op elk gebied).

4e de stam der Opgewekten (uitbeeldende kunsten: musici en

tooneelspelers).

5e de stam der Zorgenden (akker- en tuinbouwers en bedienden).

6e de stam der Ondernemenden (handels- en verkeersmenschen).

7e de stam der Vindingrijken (industrieelen).

De laatste zes stammen waren volkomen gelijk in aanzien. De eerste

stam bestond uit de meest ervarene, de oudste, maar vooral de meest

geachte mannelijke en vrouwelijke individuën der overige zes stammen.

De grootste stam, die in aantal de andere verre overtrof, was die

der Zorgenden.

Omtrent de toelating tot een der stammen, die der Wijzen uitgezonderd,

besliste alleen neiging en bekwaamheid. Overgang van den eenen

stam naar den ander was op bepaalde tijden, na afgelegd examen

mogelijk. Niemand was gebonden, en juist dit volslagen gemis aan

dwang scheen hierboven de hoofdoorzaak te zijn van den hoogeren trap

van ontwikkeling, waarop de verschillende beroepen stonden.

Eene natuurlijke, verstandige eerzucht, om alles zoo goed te doen als

maar mogelijk was, bezielde alle Marsbewoners, en deed niet alleen

ieder op zich zelf alle krachten inspannen, maar was tevens oorzaak,

dat zij daarin maat hielden en voor overdrijving bewaard bleven.

Daar er op Mars geen geld in omloop was, heerschte er ook niet,

dat afschuwelijke gehaast en gejaag, dat lichaam en geest beide

afmat, om dat te verdienen; zooals dit beneden op de aarde het geval

was. Geldzorgen waren op Mars onbekend. Wat de een voortbracht werd

omgezet in dagelijksche behoeften voor de zijnen.

Tot het levensonderhoud werd ook gerekend eene zekere mate van

levensvreugde, die zoowel de beeldende als uitbeeldende kunsten te

genieten geven.

De hoogste roem en de grootste eer bestond in de algemeene erkenning

en waardeering, en deze kon ieder zich verwerven door trouwe

plichtsbetrachting. Voor alles wat gepresteerd werd boven den gewonen

verplichten arbeid, dus daar waar de eigenlijke verdienste tegenover de

gemeenschap begint, ontvingen de Marsieten eene tevredenheidsbetuiging

van den stam der Wijzen, en werd hun openlijk hulde gebracht, terwijl

zij hierdoor op hoogeren ouderdom het recht hadden deel uit te maken

van dezen stam, die zoo hoog in aanzien stond.

Het gemeenschapsleven op Mars was in zijn eigenaardigen vorm slechts

daardoor mogelijk, dat allen zich solidair voelden. De algemeene

stelregel, dat ieder individu op zich zelf alles moet doen wat der

gemeenschap van nut kan zijn en alles moet nalaten, wat den medemensch

kan schaden of verdriet doen, werd hier reeds sinds onheugelijke

tijden in praktijk gebracht. Daardoor werd de eigenliefde, een

gezond en geoorloofd egoïsme, niet vernietigd. De natuurlijke drang

tot zelfbehoud van ieder mensch op zich zelf, werd krachtig in stand

gehouden door de erkenning der eenvoudige stelling: dat van het wel en

het wee van den naaste, ook eigen wel en wee afhangt, dat het bloeien

en gedijen van anderen onafscheidelijk is verbonden met eigen bloeien

en gedijen, en dat anderer ellende ook vast en zeker eigen lijden

met zich brengt.

Deze eenvoudige en natuurlijke moraal, die de grondslag is der

reinste naastenliefde (altruïsme), en die ieder geestelijk normaal

mensch er toe brengt, om als bij instinct het goede te doen en het

kwade na te laten, werd op Mars in haar vollen omgang toegepast. De

oorzaak van alle kwaad op aarde, de lage zelfzucht, die daar beneden

allerlei wetten en verordeningen noodzakelijk maakte, werd op Mars niet

gevonden. Naastenliefde, waarheid en eene groote mate van opgewektheid,

sloten zelfs de gedachte aan laag egoïsme uit.

Het volk hierboven scheen een bond van broeders en zusters die,

ontwikkeld, waar, vrij en goed, het ideaal van den reinen mensch

verwezenlijkten.

Hoe klein kwamen zich de zonen der aarde hier voor, toen zij

langzamerhand de grondbeginselen leerden kennen, waarop het staatswezen

zoowel als het openbare en privaatleven der Marsieten berustten;

en deze grondbeginselen waren voortgekomen en voortgeplant door een

uitstekend geregelde algemeene en vrije opleiding der Marsjeugd. De

ideale school der toekomst, zooals professor Hämmerle zich die in

Tübingen had gedroomd,--bleek hier op Mars reeds eene oude inrichting

te zijn, waarvan de goede resultaten reeds lang waren gebleken.

De stelregel der Marsieten was, de jeugd zoowel lichamelijk als

geestelijk, goed te ontwikkelen, want hoe beschaafder en tevens

lichamelijk krachtiger een individu is, des te beter is hij in staat

de plichten te vervullen, die als mensch en als burger van den Staat

op hem rusten.

Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars · 第 5 / 9 段