onze voorschriften," merkte Baran ernstig op.
"Zonder twijfel," beäamde Stiller.
"Maar de liefde vergeeft alle dingen; schenkt gij geen
vergiffenis?" vroeg Frommherz.
"Zeker! Maar er zijn dingen, waarvoor geen vergiffenis mogelijk
is. Deze gevallen zijn weliswaar uiterst zeldzaam, maar zij komen
toch voor. Na een bepaalden proeftijd krijgen de uitgeworpenen hunne
namen weder terug. Zij kunnen dan weder in het vaderland en tot hun
stam terugkeeren, maar slechts weinigen maken van deze vergunning
gebruik. Gewoonlijk geven de eenmaal uitgestootenen er de voorkeur
aan hier te blijven en hun leven in zwaren arbeid, ten behoeve van
het welzijn der anderen, door te brengen."
"En waarin bestaat dat werk?" vroegen de heeren.
"In het zorgvuldig onderhouden der kanalen die hier beginnen; een zeker
zeer gewichtige en moeilijke taak, van wier nauwkeurige waarneming
het bestaan der gemeenschap afhangt."
"En wie zorgt dan voor het onderhoud der uitgeworpenen?"
"Zij zelf. Zij doen aan veeteelt, landbouw en dergelijke. Wanneer
eenmaal de tijd zal gekomen zijn, dat er bij ons geen uitgeworpenen
meer zijn, dan moeten wij dit werk zelf doen. Daarvoor zijn reeds
allerlei maatregelen getroffen, want het aantal der uitgeworpenen
neemt steeds af," aldus besloot Baran zijn mededeelingen.
"Wat een gelukkige planeet is die Mars! Zelfs de misdadigers,
tenminste zij, die men op onze planeet met dien naam bestempelen zou,
worden door hetgeen zij verrichten, weder weldoeners der gemeenschap,"
riep Stiller vol geestdrift uit.
"En toch is het mij een zekere, alhoewel kleine voldoening, dat
het leven op Mars, dat enkel licht schijnt, toch ook eene kleine
schaduwzijde heeft, en dat het hier niet absoluut volmaakt is."
"Volkomen en onvolkomen zijn begrippen, die wij ons zelf op de aarde
hebben gevormd, en die wij in den eigenlijken zin niet mogen gebruiken
met betrekking tot de toestanden hierboven," hernam Dubelmeier.
"Zeer juist," bevestigde Frommherz, "mij persoonlijk komt alles
hierboven volkomen en wonderschoon voor. Ik heb hier een paradijs
gevonden, zooals men zich dat daar beneden op aarde droomt."
"O, gij dweeper!" hernam Piller lachend. "De wereld op Mars is
zeer zeker beter dan de onze, en het is puur onzin, om, zooals dat
gewoonlijk gebeurt, onze aarde de beste aller werelden te noemen. Maar,
mijn beste Frommherz, weldra wordt gij weder uit uw paradijs verdreven
en moet gij weder naar Tübingen terug."
"Dat kan u onmogelijk ernst zijn," riep Frommherz uit.
"Bittere ernst, waarde vriend! De heerlijke dagen op Mars loopen ten
einde, niet alleen voor u, maar voor ons allen. Jammer genoeg!" en
na deze woorden moest Piller zich den neus snuiten.
"Maar die verschrikkelijke reis," jammerde Frommherz, "zijt gij dan
al die vreeselijke ellende van de heenreis reeds geheel vergeten?"
"Mijn beste Frommherz, het moet!" hernam Stiller. "Wij vertoeven
hier nu reeds bijna twee jaar, en ook de gastvrijheid heeft zijne
grenzen. Buitendien weet gij, dat de Marsbewoners er op rekenen,
dat wij weder zullen vertrekken. Ik geloof, dat de woorden, die Anan
destijds te Angola tot ons gesproken heeft, dat duidelijk genoeg
uitdrukten. Ons eergevoel en onze dankbaarheid eischen, dat wij Mars
verlaten en wel zoo spoedig mogelijk. Zeker, de terugreis is moeilijk
en zal misschien nog meer van onze krachten vorderen dan de heenreis,
maar het moet!"
"Maar--maar, zou ik dan ten minste niet kunnen achterblijven?"
"Dat gaat niet, dat is niet mogelijk, wij zijn met elkaar gekomen,
en moeten ook gezamenlijk weder vertrekken, dat is duidelijk. Wij
allen, behalve gij, zijn het dáárover eens dat wij moeten vertrekken,
ofschoon ons het afscheid van deze planeet zwaar genoeg zal vallen,
want wij hebben hier zonder twijfel den schoonsten tijd en mogelijk
ook den reinsten van ons leven doorgebracht. Maar wij mogen niet tot
last zijn," besloot Stiller.
Beschaamd over dit scherpe antwoord, dat als eene terechtwijzing
klonk, liet Frommherz zich niet meer over zijne gevoelens uit, hij
hield die geheel voor zich.
In het landschap, dat zich voor alle vrienden uitstrekte, trok een
hooge berg, die in trotsche eenzaamheid zijn met sneeuw bedekten kruin
ten hemel hief, plotseling Dubelmeier's aandacht. De pyramidale bouw
van den berg wees op zijn vulkanischen oorsprong. Van zijn eenigszins
platten top moest men een prachtig uitzicht hebben op de omgeving. Deze
gedachte had in professor Dubelmeier de hartstocht voor bergbeklimmen
weder wakker geroepen.
"Wat zouden de heeren er van denken, wanneer wij tot besluit van
ons bezoek aan Mars, eens een tocht naar dien prachtigen berg
ondernamen? De toestand van den dampkring van Mars in aanmerking
genomen moeten wij hoogstwaarschijnlijk daarboven een prachtig uitzicht
hebben," zeide Dubelmeier tot zijne reisgenooten.
"Ik ga mee," zeide Stiller dadelijk.
"En ik ook," verklaarde Piller. "Zeg Baran, hoe heet die berg?"
"De berg der Zwijgenden."
"Wat een zonderlinge naam," merkte Stiller op. "Wie gaat er met
ons mee?"
Maar de vier overige Zwaben waren niet te bewegen om aan den tocht
deel te nemen. Een zekere moeheid en afgematheid hield hen daarvan
terug. Men kwam overeen, dat zij hier den terugkeer van de drie
vrienden zouden afwachten.
Baran zorgde voor alles wat het kleine gezelschap noodig had; hij
vergat ook enkele geschikte kleedingstukken en andere benoodigdheden
niet. Onder geleide van drie Marsieten, vertrokken de heeren. Een
motorboot bracht hen langs een breed kanaal, al heel spoedig aan den
voet van den berg, die van dichtbij gezien, een ware reus bleek te
zijn. Dubelmeier schatte zijne hoogte boven het dal op drieduizend
meter.
Aan alle zijden was hij steil, en men kon hem dan ook slechts
zigzagsgewijze beklimmen. Het was een moeilijk werk. Bij iedere schrede
zonk de voet tot aan de enkels weg in de verweerde lava. Uren lang
duurde deze vermoeiende opstijging, tot de heeren ten laatste op de
sneeuwgrens kwamen. Hier werd halt gehouden. Eenige uren rust zouden
de uitgeputte krachten van de bergbestijgers weder opwekken. Eerst
nu konden de heeren bemerken, hoe hoog zij reeds gestegen waren, want
door het vermoeiende gaan over dien mullen grond hadden zij geen tijd
gehad om rond te kijken.
Terwijl de Marsieten het ontbijt klaar maakten, bewonderden de drie
Zwaben het panorama, dat zich aan hunne voeten ontrolde, en dat door
de ondergaande zon als met goud overgoten werd. Geen geluid, geen
toon werd vernomen die de aanwezigheid van nog andere levende wezens
verried, zelfs niet het geruisch van eene nederstortende beek. Alles
scheen op dezen berg van absolute stilte te spreken, en de berg droeg
zijn naam dan ook terecht.
Ook de zonen der aarde zwegen. Stil, in eigene gedachten verdiept,
staarde ieder voor zich uit.
"Ik zoek tevergeefs met welk landschap op aarde ik dit panorama moet
vergelijken," aldus verbrak Stiller de stilte.
"Mij doet het denken aan Villa Rica in Zuid-Chili. Zoowel hier
als daar verheft zich zulk een kegel op de vlakte. Het gezicht
op de donkergroene bosschen, glinsterende meren en stroomen is
hetzelfde. Daarbij komt nog zoowel hier als daar, de doorschijnende
lucht, het heldere blauw van den hemel en de geheimzinnige stilte
der natuur," antwoordde de bereisde Dubelmeier.
"Dat kan ik niet beoordeelen. Maar dit is zeker, dat van deze hoogte
gezien het land van Mars een toonbeeld is van vrede, bekoorlijkheid
en schoonheid. Van waaruit men het ook beziet, overal treft ons dit
als eene hoogere openbaring," riep Stiller vol geestdrift uit.
Bij deze woorden van zijn collega, zuchtte Piller diep. "Gij hebt
gelijk, Stiller, maar hier zijn spijs en drank uitstekende middelen
tegen dergelijke gevoelsaandoeningen." Bij deze woorden greep Piller
naar eene flesch en schonk zich een glas Marswijn in, dat hij in één
teug ledigde.
Het was nacht geworden. Phoebus en Deimos bewogen zich stralend en
verlichtend langs hun weg, toen het gezelschap opbrak om, over de
vast gevroren sneeuw langzaam verder te klimmen naar den top van den
berg. Prachtige donkerroode tinten aan den oostelijken hemel kondigden
het opgaan der zon aan, toen de Zwaben eindelijk gelukkig den top
van den berg hadden bereikt. Als een vuurbal vertoonde zich weldra
de zon, en wierp hare stralen over berg en dal. Een overweldigend
schoon natuurtooneel was het loon der heeren voor den moeilijken tocht.
De berg der Zwijgenden was aanmerkelijk hooger, dan al de bergketenen
in den omtrek. Hij was het hoogste punt van het oostelijk gedeelte
van Mars.
Het uitzicht was naar alle kanten vrij en onbelemmerd, zelfs de
verst verwijderde voorwerpen waren, dank zij de dunne heldere lucht,
duidelijk zichtbaar.
Ver, ver in het Noorden, konden de drie geleerden met behulp van den
scherpen Marskijker, dien zij hadden meegenomen, een witte boogvormige
lijn onderscheiden. Deze teekende zich scherp en duidelijk tegen
den wazig blauwen horizont af. De heeren wisten eerst niet waarvoor
zij deze eigenaardige lijn, die een uitgestrekte ijszee insloot,
moesten houden.
"Maar dat is de Noordpool van Mars," riep Stiller plotseling uit.
De andere toeschouwers waren ten zeerste ontroerd. Het was alsof zij
hier in aanraking kwamen met het oneindige. Zulk eene uitwerking van
het vergezicht hadden zij niet verwacht. Zij konden de oogen bijna
niet afwenden van de zoo duidelijk waarneembare afronding.
"Er valt niet aan te twijfelen, het is de Noordpool. Hoe wonderlijk,
dat hier op eene andere planeet, onze oogen datgene mogen aanschouwen,
wat op aarde in weerwil van alle daartoe gedane pogingen nog aan
niemand is gelukt," zeide Stiller, "wat moet dat bij nacht een schoon
gezicht zijn!"
"Hoe meent gij dat?" vroeg Dubelmeier.
"Wel, ik denk aan de vurige electro-magnetische uitstroomingen der
polen," antwoordde Stiller.
"Dan blijven wij zoo lang hier," besloot Piller. "Maar ziet eens
vrienden, wat is dat daar beneden?"
Stiller en Dubelmeier draaiden zich om. Ongeveer tweehonderd
meter beneden hen, lag in het heldere zonlicht, in den krater
van den vroegeren vulkaan, een meer, helder licht-smaragdgroen
gekleurd. Schoone bloemen bloeiden aan zijn oevers.
"Bloemen en water, ijs en sneeuw, wat een wonderlijke contrasten, hoe
zijn die met elkander in overeenstemming te brengen?" vroeg Piller. "We
schijnen hierboven van het eene wonder in het andere te komen!"
"Op Mars schijnt er aan alle merkwaardigheden geen einde te
komen!" hernam Stiller glimlachend, "maar laten wij de zaak
onderzoeken, en nederdalen in den krater, die buitendien eene
uitstekende rustplaats zou kunnen zijn."
Weldra waren de heeren bij het meer aangekomen. Daar, waar de sneeuw
ophield en de plantengroei begon, was de grond warm, een bewijs, dat
de vulkaan nog niet geheel was uitgewerkt. Het water van het meer was
eveneens warm en had eene temperatuur van 30° C. Door het wonderlijk
heldere bijna doorzichtige water, dat eenigszins zout smaakte, kon
men duidelijk den bodem van het meer zien, die met een donkerrood
tapijt scheen te zijn belegd.
"Dat ziet er uit alsof er een sterke minerale kleurstof over is
uitgestort," zeide Piller tot zijn collega Stiller.
"Het schijnt een soort ijzeroxide te zijn, dat op den bodem van het
meer is neergeslagen. Waarschijnlijk is het water zeer ijzerhoudend,"
hernam Stiller.
"Dat is wel mogelijk, en daardoor was dan tevens te verklaren, het
totaal gemis aan dieren in dit water."
De heeren wijdden nu hunne aandacht aan den rijken plantengroei op
de oevers. Het was een kleurig, geurig bloementapijt, dat op de
aardbewoners een hoogst aangenamen indruk maakte. Alle mogelijke
soorten van planten, verwant met die, welke in de Alpenstreken
thuis hooren, waren hier vertegenwoordigd. Met genoegen vertoefden
de heeren gedurende dien dag in den krater, en betreurden het, dat
hunne vrienden niet waren meegegaan. Tegen den avond gingen zij in
hunne pelzen gehuld, weder naar den top. Het land was reeds weder
in diepe duisternis gehuld, toen de reizigers den rand van den
krater bereikten. De Mars-manen waren nog niet opgegaan, maar in
de richting van den Noordpool, dien de vrienden dien morgen hadden
gezien, begon het te lichten, eerst langzaam, maar hoe langer hoe
sterker. Eindelijk zag men vurige stralen, die een halven cirkel
vormden aan den poolhorizont, en weder verdwenen. Eene prachtige
kleurwisseling van schitterend roodgoud tot het helderst saphier
blauw, samengaand met het toe- en afnemen der trillende stralen,
bracht de vrienden in verrukking.
"Deze heerlijke natuurverschijning is een waardig besluit van onzen
tocht naar dezen berg," zeide Stiller tot zijne vrienden, toen het
poollicht meer en meer werd verdrongen door de schitterende manen
van Mars, die inmiddels waren opgegaan.
"Hier boven op Mars, is alles licht en helder, zelfs de nacht. Welk
eene prachtige wonderschoone reflectie brengt het licht van de maan
daar beneden te weeg!" Met deze woorden wees Piller naar het meer in
den krater, waar de trillende stralen der beide manen duizendvoudig
gebroken, werden weerkaatst. Het was alsof lichtgevende wezens uit
de diepte van den berg waren opgestegen, en aan de oppervlakte van
het water hun dartel spel speelden.
De drie flinke Zwaben, namen nu, een heerlijke herinnering rijker,
eenige uren later den terugtocht aan, om met hun vier collega's naar
Lumata terug te keeren.
HOOFDSTUK VII.
HET AFSCHEID.
Na den terugkeer uit het rijk der Uitgeworpenen, begon Frommherz
den omgang met zijne reisgenooten, meer en meer te beperken. Hij
nam weliswaar nog aan de gemeenschappelijke maaltijden deel, maar
trok zich verder, voor zoover dit ongemerkt te doen was, uit het
gezelschap zijner vrienden terug. Op de avonden, die anders gewijd
waren aan algemeene gesprekken en gedachtenwisseling over het schoone
land Lumata, ging hij nu alleen wandelen, en genoot in stilte van
de eigenaardige betoovering der heldere nachten. En hij zou weer weg
moeten van hier, verdreven uit dit Eden, en weer moeten terugkeeren
naar die koude aarde?!! Frommherz leed inderdaad onder die gedachte. De
andere heeren waren te zeer bezig met zichzelf, om veel waarde te
hechten, aan het zonderlinge gedrag van hun reisgenoot. Door Eran
had Stiller aan het hoofdbestuur van den stam der Wijzen, te Angola,
doen meedeelen, dat hij en zijn vrienden vast besloten waren naar de
aarde terug te keeren. Als datum van vertrek hadden zij den tweeden
verjaardag van hun aankomst op Mars gekozen.
Daarop was als antwoord eene uitnoodiging gevolgd om nogmaals naar
Angola te komen. De ontvangst dáár liet aan hartelijkheid niets te
wenschen over. Er werden feesten gegeven te hunner eer en ter viering
van het naderende afscheid. Het beste en schoonste wat beeldende en
uitbeeldende kunsten op Mars konden opleveren, werd bij deze feesten
de bewoners der aarde te genieten gegeven, maar de schaduw van het
afscheid van deze schoone planeet, begon reeds te drukken op de Zwaben,
en was oorzaak, dat zij niet meer ten volle genoten van al het schoone
en goede dat hun geboden werd.
Het laatste middagmaal had plaats in de groote spiegelzaal van
het paleis der Wijzen. Genoodigden van alle streken van Mars, en
vertegenwoordigers van alle stammen waren daar verschenen.
In het Westen begon het eeuwige licht, de zon, te dalen. De ontelbare
spiegels in de zaal weerkaatsten, duizenden malen gebroken, hare
zachte koesterende stralen. Het was in de zaal een en al licht,
het was oogverblindend. Door de geopende vensters drong heerlijke
bloemengeur naar binnen en de kronen der palmen daarbuiten wiegden
zachtkens in den zoelen avondwind. Rustig en stil lag het donkerblauwe
meer onder het groene bladerdak der boomen, waarin nog haastig een
paar tsjilpende vogels heen en weer vlogen, en de bloesems der lianen
in heerlijke kleurenpracht schitterden.
Zacht glooiende heuvelrijen, rood getint door de laatste stralen der
ondergaande zon, omlijstten het heerlijke landschap, dat de bewoners
der aarde voor de laatste maal aanschouwden. Deze waren het eerst
de zaal binnengekomen, en stonden voor de hooge vensters in stomme
bewondering van het prachtig tooneel daarbuiten.
"Het afscheid wordt ons waarachtig moeilijk genoeg gemaakt," zei Piller
zacht tot Stiller, die naast hem stond. "Frommherz heeft gelijk. Is dit
niet een land, dat met recht den naam van Paradijs zou kunnen dragen?"
"Ongetwijfeld," antwoordde Stiller, "het is een Eden, als geschapen
voor bedroefden, voor menschen zonder vaderland, zooals wij voortaan
zullen zijn."
"Zonder vaderland! Hoe meent ge dat, Stiller?"
"Zonder vaderland, zeker!" hernam Stiller, en zijne lippen trilden
zenuwachtig, toen hij na een oogenblik zwijgens voortging: "Gelooft
ge dan, dat wij ons in ons vaderland weder zullen thuis voelen, nadat
wij hier twee volle jaren hebben vertoefd, te midden eener heerlijk
schoone natuur, in een land een Paradijs gelijk, onder fiere, vrije,
edele menschen? Nooit! Vreemdelingen zullen wij zijn daar, waar
wij zijn geboren, daar, waar wij vroeger hebben geleefd, gewerkt en
gestreden voor onze overtuiging."
"Stiller, maak mij, als 't u blieft, het afscheid niet heelemaal
onmogelijk!"
Piller moest zooals altijd, wanneer hij hevig ontroerd was, herhaalde
malen zijn neus snuiten; toen ging hij naar de tafel, schonk zich
een glas wijn in en dronk dat in één teug leeg.
"Het zij verre van mij, u het afscheid onmogelijk te willen maken, want
wij moeten vertrekken, maar"--en de oogen van den spreker schitterden
bij deze woorden--"we zullen daar beneden op aarde zonder veel woorden
te gebruiken, het zaad uitstrooien voor een toekomst, zooals wij die
hierboven zoo heerlijk verwezenlijkt hebben aangetroffen."
Als teeken van instemming drukte Piller zijn collega stilzwijgend
de hand.
Langzamerhand vulde de zaal zich met genoodigden. Alle traden op de
zonen der Aarde toe en schudden hen de hand.
Nadat Anan was verschenen nam de maaltijd een aanvang. Naast
de Oudsten der Ouden zaten de zeven Zwaben. De kroonlichten der
zaal bestonden uit electrische lampen, die haar schitterend licht
wierpen op de rijk versierde tafel en het groote feestelijk gestemde
gezelschap. Beneden in de spiegelgalerij was een koor van zangers en
muzikanten opgesteld, die gedurende den maaltijd verschillende nummers
ten gehoore brachten. Toen de tafel was afgeloopen stond Anan op.
"Mijne broeders en zusters," aldus ving hij aan "de ure is gekomen
waarop van Angola zal worden afscheid genomen. Onze gasten uit het
verre Zwaben gaan daarheen terugkeeren. Mogen zij gelukkig en gezond
hun vaderland weder bereiken! Zij zullen bij ons steeds in aangename
herinnering blijven! Wij hebben besloten, om hunne namen in vergulde
letters op marmeren gedenksteenen hier in deze zaal aan te brengen,
met hunne beeltenissen, opdat onze nakomelingschap worde herinnerd aan
hunne moedige reis hierheen en hun langdurig verblijf in ons midden,
dat door geen wanklank werd verstoord. Verder hebben wij besloten om
ter herinnering aan het verblijf van de eerste en laatste aardbewoners,
de verschillende mededeelingen die zij ons omtrent het leven en streven
der volkeren op aarde hebben gedaan, te boek te stellen, welk werk
wij hier in ons tehuis eene eereplaats zullen geven. Behalve de namen
van onze gasten zal dus ook datgene worden geboekstaafd wat zij ons in
plechtige oogenblikken hebben verteld. Hiermede zal de herinnering aan
hun bezoek tot in lengte van dagen, bij ons in eere worden gehouden.
"En nu mijne waarde vrienden!"--bij deze woorden wendde Anan zich tot
de zeven Zwaben, "voor U hebben wij eenige geschenken, ter herinnering
aan ons en onze planeet, bestemd; voortbrengselen van de kunst en
wetenschap van onze kinderen des Lichts.
"Neem hetgeen daarginds op tafel ligt, mede, als een herinnering aan
uw verblijf te onzent. Het bevat de ontwikkelings-geschiedenis van
ons volk. Met den algemeenen vooruitgang der beschaving en de grootere
ontwikkeling van het zelfbewustzijn werd bij ons de wetgeving meer en
meer vereenvoudigd. Zij is eigenlijk alleen gegrond op de stelling:
"Doe niets wat gij niet wilt dat u gedaan zal worden." Gij zult dus,
wat dit betreft, in dit boek weinig meer vinden; want hoe grooter het
aantal wetten, hoe minder zelfstandig een volk blijkt te zijn. Het
boek bevat ook onze opvattingen over de natuurlijke moraal, de eeuwige
onverwoestbare grondstelling die bij ons het werk der loutering heeft
voltooid. Moge ook in dit opzicht uw gevaarvolle en moeilijke tocht
naar ons ver verwijderd hemellichaam en uw verblijf te onzent rijke
vruchten afwerpen!"
Anan ging weer zitten.
Een diepe stilte volgde op deze woorden van den grijsaard. Nu stond
Stiller op. Op ontroerden toon dankte hij allereerst in naam zijner
reisgenooten voor al het goede dat men hun hier had bewezen. Hij
had hier eene mate van ontwikkeling aangetroffen waarvan hij vroeger
had gedroomd, maar die hij in werkelijkheid niet voor mogelijk had
gehouden. Hij en zijne vrienden hadden hier boven veel geleerd en
waren van menige dwaling genezen geworden.
"Zoo heb ik ook altijd gedacht dat de hoogere ontwikkeling der menschen
niet mogelijk was zonder dat daaraan de moeilijke strijd om het bestaan
was voorafgegaan en dat die bepaald noodzakelijk was om den mensch
te reinigen en te louteren. Van die meening ben ik door hetgeen ik
hierboven heb gezien, genezen geworden. De zware strijd is slechts het
gevolg van lage zelfzucht, de ware naastenliefde tracht dien strijd te
verzachten, en die liefde ontbreekt bij ons helaas nog in hooge mate!
"Ook hierboven wordt een strijd gestreden, maar hoe hemelsbreed
verschilt die van datgene wat men daaronder op aarde verstaat! Hier
is ieder er op uit aan zijne evenmenschen en broeders, het beste te
schenken wat hij te geven heeft en wat dienen kan tot bevordering
van het welzijn van zijn evenmensch. Hier leeft ieder het groote
gemeenschapsleven mede, omdat ieder zich een integreerend deel
van die gemeenschap voelt, want gaat het den een goed dan komt
het ten bate van 't geheel. Lijdt daarentegen een der leden,
dan lijdt ook de gemeenschap. En hoe gezond en krachtig is deze
hier. Hoe ver daarentegen zijn wij op onze aarde nog verwijderd
van deze levensidealen en levensopvattingen. Hoe klein zijn wij in
vergelijking van u! En toch, eens moet en zal 't ook op aarde anders
en beter worden. Wij, die hier bij u hebben vertoefd, wij zullen, voor
zoover 't in ons vermogen ligt, het zaad uitstrooien van een schooner
en reiner leven in de toekomst, zooals wij dat hier zoo heerlijk
hebben leeren kennen. Onze reis hierheen was niet tevergeefs. Wat
toch beduiden de vermoeienissen en gevaren, die wij hebben doorstaan,
vergeleken bij al het reine, schoone en goede wat wij hier hebben
mogen genieten. Wij aanvaarden onze thuisreis met een bezwaard hart,
met het bewustzijn dat wij hier ons rijkste en schoonste stukje
leven hebben doorgebracht, dat zoo oneindig rijk is aan heerlijke
herinneringen. Moeder Aarde verlangt echter terug, wat haar toebehoort.
"Nooit, tot onzen laatsten ademtocht, zullen wij vergeten, wat
gij ons hebt gegeven, wat gij voor ons geweest zijt, en hoe gij
ons hebt geëerd. Wanneer wij later, teruggekeerd in ons vaderland,
in nachtelijke uren van uit de verte, uw Mars, uw Kind des Lichts,
zien schitteren, dan zullen onze gedachten bij u verwijlen en met
stillen weemoed zullen wij terugdenken aan dezen, den schoonsten tijd
onzes levens!
"Vaartwel, waarde vrienden! Vaart allen wel! Ik omhels Anan voor u
allen en druk hem voor u allen den broederkus der Aardbewoners op het
reine voorhoofd. Want broeders zijn wij allen, die zich "menschen"
noemen, of zij hier boven dan wel op de aarde wonen."
Stiller's woorden hadden op alle aanwezigen een diepen indruk gemaakt,
en toen hij nu op Anan, den eerwaardigen grijsaard toetrad en hem
den broederkus gaf, dreunde de zaal van luide bijvals-betuigingen.