Met de nabijheid van de maan ontvingen de luchtreizigers weder het

licht van de zon en konden de gondelbewoners zich weder verheugen in

de schitterende stralen van die bron van alle kracht. Ofschoon ze nog

geen 24 uur onderweg waren, maakte de duisternis die hen omringde op

de heeren den indruk van een al te langen nacht. Zij begonnen daarover

te spreken.

"Wij zijn kinderen van het licht der zon, en voelen dadelijk haar

gemis," zei professor Dubelmeier.

"Dat is wel waar!" bevestigde Fridolin Frommherz. "Alle licht, ook

dat onzer zielen, komt van boven."

"Alles zonlicht, mijn waarde!" liet professor Hämmerle er op volgen.

"Noem het zooals ge wilt, het laatste van alle raadsels, de werkelijke

oorzaak van alles wat leeft en bestaat, blijft voor ons stervelingen

toch altijd verborgen, en wie weet of dit niet zeer goed is!" hernam

Frommherz.

"Daarover zullen wij hier in onze gondel nu maar niet redetwisten,

maar ons liever verheugen in het vooruitzicht, dat we binnenkort uit de

duisternis van het aetherruim, weer in het volle zonlicht zullen komen,

al is het dan ook om zeer spoedig weder in duisternis te worden gehuld

en dan voor langeren tijd!" bracht professor Stiller in het midden.

Plotseling werd het gesprek afgebroken. De Argonaut begon te trillen

en scheen een oogenblik stil te staan. Het trillen van den grooten

ballon deelde zich aan de gondel meê. "Wat is er aan de hand! Om

's hemels wil, wat is er gebeurd?"--dit waren vragen die door het

meerendeel der opgewonden geleerden werden geuit.

"In de eerste plaats kalmte, geen opwinding die tot niets dienen zou,

beste vrienden!" aldus stelde professor Stiller zijn verschrikte

reisgezellen gerust. "Het schijnt dat wij ons bevinden binnen het

bereik van de electrische aantrekkingskracht van de maan, waarop

de Argonaut met zijn eigen electrische stroomingen dadelijk heeft

gereageerd; vandaar het plotselinge trillen," ging professor Stiller

voort. "Ziet maar, hij wordt al weder kalmer en gaat weder vooruit,

en nu met nog grootere snelheid, een bewijs voor de juistheid mijner

beweringen." Met deze woorden verliet professor Stiller een oogenblik

zijn waarnemingspost, waarheen hij echter dadelijk weder terugkeerde.

Van de verbazende snelheid, waarmede het luchtschip zich voortbewoog,

bemerkte men in de gondel weinig of niets. Met groote opmerkzaamheid

sloeg professor Stiller de snelheidsmeter gade. Na verloop van een uur

constateerde hij hoofdschuddend, dat een afstand van 4500 Kilometers

was afgelegd.

"Waarom schudt gij het hoofd?" vroeg professor Piller aan zijn collega.

"Hij gaat minder snel vooruit dan ik mij voorstelde en volgens mijne

berekeningen ook heb verwacht."

"Nu, mij dunkt dat niemand het ons zoo makkelijk na zal doen om

4500 Kilometers in een uur vliegend af te leggen; zulk een snelheid

overtreft alles, zelfs de stoutste berekening," bracht Brummhuber in

het midden.

"Gij ziet daarbij de onmetelijke afstanden over het hoofd, die wij

hebben af te leggen alvorens ons doel te bereiken," hernam professor

Stiller. "Maar ik hoop, dat het verder niet in dit tempo zal gaan;

want anders," liet hij er eenigszins gedwongen glimlachend op volgen,

"zouden wij wat al te laat op Mars aankomen."

"Op een paar dagen meer of minder komt het bij onze reis niet aan,"

hernam Thudium.

Stiller gaf geen antwoord meer; ernstige gedachten hielden hem bezig

en kwelden hem, doch die gedachten wilde hij voorloopig liever

vóór zich houden. Waarom nu reeds de rust en het vertrouwen van

zijn reisgenooten verstoord? De tijd bracht van zelf wel raad, en

misschien ook.... hulp....! Zoo ging de tweede en ook de derde dag

der reis voorbij.

Toen bedroeg de afgelegde afstand 324.000 K.M. De snelheid van

den Argonaut was dus eenigszins toegenomen, dank zij de meerdere

electriciteit aan de voortstuwers afgegeven van uit de toestellen,

die door professor Stiller met Piller en Hämmerle nauwkeurig werden

nagegaan. Zoo verliep het eene uur na het andere. Geen der heeren

kon slapen, want naar alle waarschijnlijkheid moest de Argonaut nog

dezen nacht in de onmiddellijke nabijheid der maan komen.

Een plotseling helder licht dat van buiten af in de gondel drong, deed

professor Stiller onmiddellijk de electrische stroom afsluiten. Het

luchtschip begon zich langzamer voort te bewegen en hield eindelijk

geheel stil. De heeren liepen naar de vensters van de gondel om te

zien waaraan die onbegrijpelijke stilstand van den ballon was toe te

schrijven. Het schouwspel dat zich daar aan hunne oogen voordeed,

was zoo overweldigend schoon, dat het als verlammend werkte op de

bewoners van de gondel. Zij stonden eenige oogenblikken in stomme

bewondering; toen gaven zij daaraan eindelijk lucht.

"Prachtig! Onvergelijkelijk schoon! Alleen al een reis

waard! Voorbeeldeloos! De maan, de maan!" klonk het van aller lippen.

Onmiddellijk beneden hen, vertoonden zich aan hun oog reusachtige,

hier en daar gespleten, trotsch opgaande bergen, die hel beschenen

door de zon, zonderlinge en buitengewoon scherpe schaduwen

wierpen. Daartusschen gaapten afgronden, duizenden meters diep,

terwijl tusschen die afgronden en de rotsmuren een overgroot aantal

uitgebrande kraters zichtbaar waren. Tamelijk vlakke landschappen

werden omringd door een muur van vroeger geweldige vulkanen. Dit land

lag aanmerkelijk hooger dan dat wat zich buiten dien ring bevond, en

waarboven hier en daar weder kegelvormige bergen, overblijfselen van

vroegere vulkanen, scherp uitstaken. De eigenaardige belichting met

de eenig mooie schaduwbeelden, de geheele indruk was zoo eigenaardig,

en zoo geheel afwijkend van wat de heeren op aarde hadden gezien,

dat zij daarmede geen vergelijking konden maken. Waarheen ze hun

blik ook richtten, nergens konden zij een spoor van plantengroei

of water ontdekken. Geen meer, geen rivier, geen bruisende oceaan,

geen groene weiden, geen boomen of struiken, niets, niets was er te

zien. Dat stomme aangrijpende beeld van den kouden dood, dat zich hier

aan het oog der reizigers voordeed, liet niet na een grooten indruk op

hen te maken. De eerste kreten van bewondering werden weldra gevolgd

door een diepe stilte, een plechtigen ernst, dien de dood bij ieder

denkend en gevoelend mensch wakker roept. Men kon slechts weinig tijd

besteden om de maan te bekijken aan de zijde die van uit de gondel

waarneembaar was. De Argonaut begon langzaam te dalen.

"Op de maan kunnen wij ons niet laten braden, en evenmin wenschen wij

er te bevriezen," riep professor Stiller uit. "We zullen dus maken dat

wij zoo spoedig mogelijk buiten den invloed harer aantrekkingskracht

en weder in de neutrale aetherruimte komen."

Met de meeste snelheid werd de electrische machine weder aangezet,

de schroef draaide en de Argonaut verwijderde zich hoe langer hoe

meer van het doode kind van de levende Moeder Aarde.

Volgens de berekeningen van prof. Stiller moest de Argonaut na de baan

van de maan te hebben gekruist en haar aantrekkingskracht te hebben

overwonnen, in het bereik van de aantrekkingskracht van Mars komen,

als zijnde het grootste hemellichaam, dat zich het dichtst bij de

aarde bevond. Deze nabijheid van de aarde moest natuurlijk grooten

invloed hebben op de aantrekkingskracht tusschen Mars en de aarde

die berust op electromagnetische stroomingen.

Daaruit volgt dat, wanneer voorwerpen, die aan deze aantrekkingskracht

onderhevig zijn--zooals bijv. op het oogenblik de Argonaut--binnen

het bereik van die kracht komen, zij meer door Mars zullen worden

aangetrokken, naar mate zij dichter bij de aarde staat of verder

daarvan verwijderd is. De Argonaut was nu precies 386,492 K.M. van de

aarde verwijderd. Er bestond dus geen twijfel meer of de Argonaut was

reeds onder den invloed van de aantrekkingskracht van Mars. Hiermede

werd de juistheid van de berekening van Stiller bewezen, want de ballon

ging met gelijkmatige snelheid in oostelijke richting verder. Voor

de aanvankelijk gevreesde inwerking van de aantrekkingskracht van de

zon, behoefde men geen angst meer te hebben. De Argonaut was op den

rechten en den naasten weg naar het doel.

Buiten de gondel was het reeds lang stikdonkere nacht en heerschte

eene verschrikkelijke koude. In weerwil van de hermetische afsluiting

en de dikke pelsbekleeding van de gondel, konden de reizigers zich

alleen door electrische verlichting en verwarming beschutten.

De eene dag na de andere verliep. De eerste week werd gevolgd door

een tweede, de tweede door een derde, de derde door een vierde, en

nog altijd scheen de tocht van den Argonaut geen einde te zullen nemen.

Op zekeren dag--in de vierde week werd de stilte in de gondel door

een eigenaardig geluid onderbroken.

"Wat is er aan de hand," vroegen de geleerden verwonderd aan professor

Stiller.

"Ik kan het mij niet verklaren," antwoordde deze, "noch onze horloges

noch de snelheidsmeter kunnen de oorzaak van dit opvallend geratel

zijn. En toch moeten wij die oorzaak hierbinnen zoeken, want het is

bekend dat de aether geen geluidgolven overbrengt."

Terwijl Stiller zoo sprak zocht hij naar de oorzaak van het steeds

sterker wordende geluid.

"Ik kan werkelijk niets vinden. Al onze apparaten voor lucht

en electrische kracht zijn in orde, en werken rustig, zonder

stoornis. Maar wacht eens even, daar valt mij wat in; het is de lucht

in onze gondel zelf die het geluid voortplant, waarvan de oorzaak

daarbuiten in het wereldruim moet liggen."

"Dan is het waarschijnlijk het een of ander hemellichaam, in welks

nabijheid wij gekomen zijn," merkte professor Hämmerle bezorgd op.

Het was in de gondel een getik en een geraas als in een

klokkenmakerswinkel. Het was alsof er honderden wekkers tegelijk

afliepen.

"Wat is dat een helsch leven, daar zou iemand hooren en zien bij

vergaan," viel professor Thudium woedend uit. Maar het geluid van

zijn stem werd overheerscht door het oorverdoovende geratel.

De zeven menschen in de gondel werden opgeschrikt door een plotseling

hel licht als van flikkerend vuur. Het was door het vreeselijke lawaai

onmogelijk een woord te wisselen. De reizigers sloten onwillekeurig

de oogen, die pijnlijk werden aangedaan door het bliksemende licht

dat door de vensters drong.

De pijn werd heviger bij iedere poging om ze weder te openen. Op

dit kritieke oogenblik dacht professor Dubelmeier gelukkig aan

zijn gletscherbril, dien hij als hartstochtelijk bergbeklimmer

steeds bij zich droeg, en dien hij goed verpakt, in een foudraal

had meegenomen en in een van de zakken van zijn rok moest gestoken

hebben. Voorzichtig betastte hij den rok van buiten. Juist, daar voelde

hij hem in den bovensten rechter zijzak, het was de bril, den hemel

zij dank! Eindelijk had hij hem op zijn neus gezet. Beschut door de

donkere glazen, kon hij nu zijne oogen open doen. Allereerst keek hij

de gondel rond. Daar lagen zijne reisgenooten stom en met gesloten

oogen. De uitdrukking van hunne gelaatstrekken was die van mannen,

die zich geschikt hadden in hun lot, waaraan niet viel te ontkomen.

Met knikkende knieën en kloppend hart sloop professor Dubelmeier

naar het naastbijzijnde mica venster. Hij wilde probeeren het

scherm dat daarvoor was aangebracht neer te laten, iets, waaraan

bij het krankzinnig lawaai tot nu toe nog geen der heeren gedacht

had. Voorzichtig keek hij daarbij naar buiten in het onmetelijk

wereldruim. Welk een grootsch schouwspel vertoonde zich aan zijn

oogen! Van loutere opwinding daarover, vergat hij het geheele scherm;

al zijn denken en zinnen was in beslag genomen door het prachtig

natuurtooneel daarbuiten.

Millioenen lichtgevende bollen, die evenals de melkweg, aan den

nachtelijken hemel een breeden stralenkrans vormden, fonkelden en

schitterden in de verte in wonderlijke pracht! Wat dit wel wezen

mocht? Dat moest hij dadelijk aan zijn collega Stiller vragen,

want wellicht kon hij het gevaar, dat de luchtreizigers dreigde,

nog afwenden.

Professor Dubelmeier liet nu eerst de schermen voor de vensters

zakken, ging toen naar Stiller toe, zette hem den bril op zijn neus

en schudde hem flink door elkaar. Verbaasd over zijn plotseling

teruggekeerd gezichtsvermogen, stond professor Stiller met den bril

van zijn vriend op den neus op, en volgde diens stomme pantomime. Hij

trok het scherm voor een der vensters weg en keek naar buiten, ook

hij bleef eenige oogenblikken aan het venster staan, geheel onder

den machtigen indruk dien het prachtige natuurtooneel daarbuiten op

hem maakte. Nu werd hem ook de oorzaak van het oorverdoovende geraas

duidelijk. De Argonaut was op zijn weg naar Mars terechtgekomen in de

nabijheid van een komeet, die met groote snelheid door het aetherruim

vloog en juist dezen weg kruiste. Een direct gevaar bestond daarbij

voor de luchtreizigers niet, althans niet voor de eerste uren, in

aanmerking genomen den nog altijd grooten afstand en de verbazende

snelheid waarmede de komeet zich bewoog. Gerustgesteld, maar nog half

versuft door dit eenig schouwspel, verliet Stiller het venster.

Stiller deed nu met zijn collega Piller, zooals Dubelmeier met

hem had gedaan. Piller zorgde weder voor Hämmerle en zoo voort,

totdat ieder der reizigers zonder gevaar voor zijn gezichtsvermogen

het eenig prachtige schouwspel had kunnen gadeslaan. Men kon zich

daarover echter eerst uitspreken na verloop van eenige uren, toen het

lawaai van de voorbijtrekkende komeet langzaam begon af te nemen. Toen

verklaarde professor Stiller aan zijne reisgenooten de oorzaak van

het verschijnsel en verkondigde den lof van Dubelmeiers bril.

"Bij de keus van hetgeen ik mee zou nemen, heb ik aan allerlei gedacht,

en ik meende ook, dat ik werkelijk niets vergeten had; ik moet echter

eerlijk bekennen, dat de praktische en toch zoo voor de hand liggende

gedachte aan den donkeren bril niet in mij is opgekomen. Daaruit

ziet men alweer, dat een mensch aan zichzelf niet genoeg heeft,

en men nooit op zich zelf vertrouwen kan. De zorg van onzen vriend

Dubelmeier is ons van groot nut geweest."

"Maar, mijn beste man, vertel mij nu toch eens, hoe ge op het denkbeeld

zijt gekomen om in een luchtballon een gletscherbril mede te nemen,"

vroeg professor Piller nieuwsgierig.

Dubelmeier werd verlegen, en wist eerst niet best wat te zeggen. Toen

men echter van alle kanten begon te vragen en te dringen, bekende

hij eindelijk, dat hij zich niet had kunnen vereenigen met de

gedachte, misschien jaren lang zijne geliefde bergtochten te moeten

ontberen. Daarom had hij, in de stille hoop dat daartoe misschien ook

op Mars gelegenheid wezen zou tenminste zijn gletscherbril medegenomen.

"En waar is dan uw bergstok en verdere uitrusting? Daarvan zie ik

niets!" vroeg professor Brummhuber.

"Met uitzondering van mijne schoenen met spijkers, heb ik alles

zuchtend in Tübingen achtergelaten," antwoordde Dubelmeier.

"Dat was verstandig, want onze gondel is niet berekend op het

medenemen van dergelijke bagage," merkte professor Stiller lachend op,

"maar uw bril heeft de eer van ons uitstekende diensten te hebben

bewezen!" Het doorsnijden van de velden der van Mars uitgaande

aantrekkingskrachten, had een ongunstigen invloed uitgeoefend op

de snelheid van den Argonaut. Toen hij de snelheidsmeter nauwkeurig

opnam, bemerkte professor Stiller tot zijn schrik, dat, in de angstige

uren, die zij hadden doorgebracht, de ballon zich in de richting van

Mars had voortbewogen met slechts 1/10 deel der tot hiertoe gevolgde

snelheid. Eerst langzamerhand scheen de Argonaut deze weder te zullen

bereiken. Dit moest een zeer ongewenschte verlenging ten gevolge

hebben van de toch reeds zoo moeilijke reis, die, verschillende

omstandigheden in aanmerking genomen, noodlottige gevolgen hebben kon.

In de plaats van de vroegere levendige gesprekken, en het zoowel

lichamelijk als geestelijk welzijn, waarin allen zich mochten

verheugen, was een zekere matheid gekomen, eene meerdere of mindere

loomheid, waaruit de verschijning van de komeet, allen slechts

voor korten tijd had kunnen opwekken. Bij dezen en genen der heeren

vertoonde zich als een dreigend spook, de verveling, het begin der

lethargie. De reis in de betrekkelijk toch kleine besloten ruimte

begon te lang te duren. Daarbij kwam nog het gebrek aan lichamelijke

beweging en de gewone geestesarbeid.

De wetenschappelijke onderwerpen, die zoowel het algemeen als ieder

afzonderlijk interesseerden, de bijzonderheden van den loop van de reis

tot hier toe, waren reeds zoo vaak en op zoo velerlei wijze besproken,

dat deze hare aantrekkelijkheid verloren hadden. Stil, zonder een

woord te spreken, bijna gevoelloos, lagen of zaten in hunne pelsjassen

gewikkeld, de meeste heeren die tot voor korten tijd zoo vroolijk en

levenslustig waren geweest. Niemand zou gaarne voor de tweede maal

zulk een ontzettend langen tocht meemaken, waarop men niet eens een

goed warm maal kon krijgen of zijne verstijfde ledematen wat beweging

geven kon! En, was men er dan zoo zeker van, dat het doel bereikt

zou worden, zoo niet, wat dan? Ja, wat dan? Dat waren de gedachten

en de angstige vragen, die rondwoelden in de hersens der heeren.

Die vervloekte reis naar Mars! Wat had die hun aangelokt, wat hadden

zij zich daardoor van de wijs laten brengen, en hoe hadden zij den

invloed van het langdurige verblijf, in die enge smalle ruimte en

het langdurig gemis van het zonlicht onderschat!

Professor Piller had bij het begin van de reis weliswaar geklaagd over

een begin van bloedarmoede, en in weerwil van den uitstekenden eetlust,

ook over storing in de spijsvertering en dergelijke, maar nu lag hij

ook half versuft in een hoek van de gondel, en verwenschte in stilte

zichzelf, zijne reisgenooten, den Argonaut, het gansche heelal, maar

het meest den verleidelijken Mars. Dat waren zoo te naastenbij ook

de gedachten der overige heeren. Zij herinnerden zich hoe gezellig

en aangenaam zij eenmaal binnen Tübingens muren hadden geleefd, hoe

zij iederen avond na volbrachten arbeid bij elkaar hadden gezeten aan

hun stamtafel in "de Beer," "de Walvisch," "de Kroon," en op andere

zoo gezellige plaatsen in de oude universiteitsstad in vroolijk

gezelschap en onder het genot van een glas koelen geurigen wijn,

en voelden levendige spijt, dat zij deze dwaze reis hadden ondernomen.

"Ik wilde dat Mars naar den drommel liep," riep professor Piller uit,

daarmede uiting gevende aan zijne gedachten.

"Laten wij dat nu maar niet wenschen," hernam Stiller op eenigszins

scherpen toon. "Dat de expeditie met allerlei gevaren en tegenspoeden

zou te kampen hebben, en wij ons allerlei ontberingen zouden moeten

getroosten, hebben wij van te voren geweten; daarover kunnen wij ons

achteraf niet beklagen, zulke klaagliederen zijn onzer onwaardig. Zwijg

en verdraag, dat moet onze leuze zijn!"

"Goed gesproken," bevestigde Bombastus Brummhuber, "maar eindelijk

moet er aan dat zwijgen en verdragen ook een eind komen!"

"Wacht maar eerst af wat komt," riep professor Stiller boos uit.

"Maar gij hebt toch gezegd, dat de reis niet langer dan eenige

weken zou duren," bracht Frommherz in het midden, "nu is deze tijd

verstreken, en....."

"Gij moogt het allerminst uw geduld verliezen, Frommherz," viel Stiller

zijn reisgenoot in de rede. "Overigens heb ik nooit precies opgegeven

hoelang de reis duren zou, om de eenvoudige reden, dat ik dat niet

kon. Ik sprak van eenige weken in het allergunstigste geval. Laat het

u echter niet ontmoedigen, dat de reis langer duurt dan mij zelf lief

is. Integendeel laten wij moed houden! We hebben dien dringend noodig!"

"Wat beduidt dat, druk u duidelijker uit, Stiller!" klonk het van

verschillende zijden.

"Nu, ik geloof dat het duidelijk genoeg is, wat ik met deze weinige

woorden wilde zeggen; wij hebben slechts een zeer klein gedeelte van

onze reis achter den rug, vóór ons ligt nog een groote afstand, die

aan onzen moed en ons weerstandsvermogen hooge eischen stellen zal."

"Hoe groot is die afstand nog?"

"Nog ongeveer 30 millioen Kilometers."

"Dertig millioen Kilometers? Dan zijn we nauwelijks op de helft! Het

is gewoon verschrikkelijk," bromde professor Dubelmeier.

"Hoe moet dat eindigen!" zuchtte Frommherz.

"Laten wij hopen van goed, mijn waarde Frommherz, want anders zoudt

gij wat eerder ten hemel varen dan u waarschijnlijk lief is," spotte

professor Stiller, over wien langzamerhand een soort galgenhumor

was gekomen.

Deze stemming duurde echter bij den professor niet erg lang. Zij werd

al heel gauw op den achtergrond gedrongen door de zorg over het wel en

wee der expeditie. Hij had de geheele zaak, het waagstuk, eigenlijk op

touw gezet, en droeg dus ook alleen de volle verantwoordelijkheid voor

het leven zijner reisgenooten die, vertrouwende op zijn aanwijzingen,

zonder aarzelen aan den tocht hadden deelgenomen. Professor Stiller

was bij al zijn zenuwachtigheid en zijne neiging om alles van de

beste zijde te bekijken, en de moeilijkste problemen met een zekere

lichtvaardigheid te behandelen en in weerwil van zijn opvliegend

karakter, toch een veel te rechtschapen en eerlijk man, om zijn

eigen doen en laten niet telkens weer aan een streng zelfonderzoek

te onderwerpen.

Meer dan eens had hij in stilte gewenscht, dat hij de reis maar alleen

had ondernomen of slechts vergezeld van een trouw dienaar in plaats

van zijn collega's mede te nemen. Tot op dit oogenblik hadden zijn

reisgenooten hem nog geen enkel verwijt toegevoegd. Het korte gesprek,

dat zij zoo even hadden gevoerd en de lichamelijke en geestelijke

toestand waarin zijn reisgenooten zich bevonden, bewezen genoeg, dat

de goede en vreedzame verstandhouding, die tot nu toe in de gondel

had geheerscht, den eersten zwaren schok had gekregen. Reeds in de

eerste dagen der reis was hij door een zekeren twijfel en sombere

gedachten gekweld geworden, die hij in den beginne nog van zich had

kunnen afschudden, maar die zich telkens sterker aan hem opdrongen

en zich nu niet zoo spoedig lieten verdrijven.

Wat professor Stiller het meeste verontrustte, was de betrekkelijk

geringe snelheid van den Argonaut. Hij had er vast op gerekend, dat de

ballon zoodra hij in het veld der aantrekkingskracht van Mars gekomen

was, zich met bliksemsnelheid naar die planeet zou voortbewegen en nu

moest hij bekennen, dat hij zich daarin schromelijk had vergist. Deze

groote vergissing sleepte twee andere na zich; de voorraad versche

lucht en electrische energie waren op eene kortere reis, dat wil

zeggen op eene grootere snelheid berekend, en moesten binnen enkele

weken zijn verbruikt. Om de maat van zorgen vol te meten, verminderde

ook de voorraad voedingsmiddelen snel. Men had weliswaar een voorraad

eten en drinken voor drie maanden mede genomen, doch professor Stiller

had daarbij geen rekening gehouden met den gezonden eetlust van zijne

reisgenooten. In het begin had hij zich over dien eetlust verheugd,

in de verwachting dat de Argonaut het doel bereiken zou in de helft

van den tijd waarvoor de levensmiddelen bestemd waren, maar nu hij

zich in die verwachting zag teleurgesteld, kwam bij alle andere ook

nog de zorg voor de voeding.

Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars · 第 2 / 9 段