Goed- of kwaadschiks moesten van nu af aan de rantsoenen

worden verminderd, wilde men met den voorraad nog langeren tijd

toekomen. Hoofdzakelijk de hoeveelheid dranken was sterk verminderd;

vooral die van het zoozeer geliefde Göppinger water was zeer

geslonken. Zoo sleepte de eerste groote vergissing eene reeks van

onaangename gevolgen na zich, waarvan de uitwerking niet was te

overzien. Stiller werd, hoe meer hij daarover nadacht, hoe langer

hoe somberder. Allereerst stelde hij zich de vraag, hoe hij het best

zijn collega's zou mededeelen, dat de vermindering der dagelijksche

hoeveelheid spijs en drank dringend noodzakelijk was. Het scheen

professor Stiller bijna onmogelijk om dit te doen zonder zijne

reisgenooten te kwetsen en hunne reeds zoo groote opgewondenheid nog

te doen toenemen. Gebeurde er toch maar een wonder en werd de snelheid

van den Argonaut toch maar verdubbeld, dan waren al die moeilijkheden

ineens overwonnen!--dacht professor Stiller. Maar er gebeurde geen

wonder, en hoe nauwkeurig de professor de snelheidsmeter ook gadesloeg,

de Argonaut bleef zich gelijkmatig voortbewegen.

"Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,--waarachtig

wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind

te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door

vermindering van hun rantsoen, nog 't beetje genoegen bederf dat

eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker

den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar

bij het oude laat. En daarmede uit!"

Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!

De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe

jaar ingetreden.

Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op

aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.

Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen,

die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken

ontnam. "Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik

merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan

zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch

geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,"--aldus sprak

op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere

heeren toestemmend knikten.

Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk

de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den

buitengewoon kritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den

Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega's vrijwel

overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken

over middelen en wegen om de reis te bekorten.

"Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar

nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein

en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om

een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze

zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het

werkelijk?" vroeg professor Stiller zichzelf af. "Waarvoor vrees

ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat

in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft,

maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?"

Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut,

die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was

op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten

zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam,

had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou

mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn

vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren

zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou

hij als een zwakkeling den moed laten zakken? Wat moest hij wel van

zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met

alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk

het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner

jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de

wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch

als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden,

ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde

nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden

zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der

wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige

luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs,

een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf

de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst

zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.

Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken

en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast

te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende

dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg

juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht

der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd,

wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie

op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.

Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk

was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en

verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij

bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen,

dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige

mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed

einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven

omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!

Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de

nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig

gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden,

en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.

"Wat voert ge daar toch uit, Stiller?" klonk het van uit de

verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.

"Ik werk aan onze redding," antwoordde de aangesprokene kortaf.

"Dat is een prijzenswaardige arbeid," merkte Frommherz met zwakke

stem op.

"Verklaar ons uw plannen eens," sprak professor Dubelmeier.

"Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijn gang gaan. Bij mijne

verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou

omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden."

"Stiller heeft gelijk," besloot professor Piller, "geef mij liever

uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken

vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken."

"Ge drinkt bepaald te veel, Piller," waarschuwde Dubelmeier maar

voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een

flesch met het fonkelende roode vocht. "Alcohol is verderfelijk voor

de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten."

"Voor mijn part!" merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij

een flinke teug nam. "Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets

boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend,

ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke

hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze

vervloekte reis niet uit!"

Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en

sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen

lethargischen toestand terug.

Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming

gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk

meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop,

dat alles naar wensch ging,--toen er al weer iets anders gebeurde.

"Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?" vroeg Piller, plotseling

opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid,

gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.

"Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze

steenen rotsblokken met zich voert," bracht Dubelmeier in het

midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar

voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor

Stiller op.

"Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet

vergis is er een sterrenregen in aantocht."

De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo

snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte

zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.

Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen

andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna

vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De

plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een

kleinen meteoor getroffen.

Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas

gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend

en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag

was de gondel met zóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen

de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd

hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude

gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon

aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.

Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de

verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.

"Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond," spotte Piller,

nadat hij de wond had onderzocht.

"O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan," steunde de verwonde, toen

Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.

"Bah," hernam Piller droogjes, "wat een groot woord, onmensch! Dank

uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u

wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!"

"Wat zal men van mij denken?"

"Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo 'n ongelukkig gezicht meer. De

wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt

in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht

weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar

dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond."

"Was het maar eerst zoover!"

"Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen

met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde

komen!" bromde de dokter mismoedig.

Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal

onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis

niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen

van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk

maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In

plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan

nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.

Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De

levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de

deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend

afnam.

Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige

dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen

met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een

bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.

Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot,

het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.

Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene

doordringende koude, die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af

te weren, deed zich gevoelen.

De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij

schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van

bewusteloosheid. Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen

te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.

Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel

vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de

gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun

doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen

schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen,

en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk

zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.

Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang

het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend

waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.

Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan

mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters,

om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking

was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde

onmiddellijk duidelijk.

"Hoera, hoera!" riep hij opgewonden uit. "Hoera! wij zijn gered! Wij

hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even

geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk

gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen,

maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij

zijn gered, ge...." professor Stiller viel bewusteloos neder.

Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn

te brengen.

"Waar zijn wij," vroeg professor Stiller met zwakke stem.

"Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet

op vasten bodem," antwoordde professor Piller.

"Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen,"

zeide Stiller.

"Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?"

"Het moet eenvoudig!"

Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik

door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon

te overtuigen.

Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde

eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene

tropische plantengroei welig tierde.

Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden

en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterend

wit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide

kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne

verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan,

hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij,

dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik

voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen

op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.

HOOFDSTUK IV.

OP MARS.

Van Mars uit--want het was werkelijk die planeet--was de ballon reeds

lang opgemerkt. Toen hij nu bijna den grond had bereikt, stroomde

een groot aantal menschen, die in den omtrek woonden, naar de plaats

waar het luchtschip nederdaalde. De Argonaut werd naar eene groote

groene weide gestuurd, waar troepen van de edelste diersoorten

graasden. Professor Stiller wierp het touw met het anker met een

geweldigen zwaai uit de gondel, en gaf door teekenen en gebaren aan

de menschen daar beneden te kennen, wat zij ongeveer moesten doen om

den ballon vast te maken. De Marsbewoners begrepen dadelijk wat de

vreemde man in zijn gebarentaal van hen verlangde. Zonder eenige haast,

doch met bekwamen spoed en opvallend handig, werd aan den wensch van

den professor gehoor gegeven. Weldra lag de ballon vast en stevig

voor anker. De touwladder werd nu nedergelaten, en met de daarvoor

bestemde haken vast gemaakt. De zeven mannen uit het Zwabenland

daalden hierlangs naar beneden, om als eerste bewoners der aarde,

Mars te betreden.

Eene zachte weldadige en met welriekende geuren bezwangerde

lucht, omringde de stoutmoedige luchtreizigers, toen zij de gondel

verlieten. Een gevoel van vreugde, van veiligheid en rust vervulde

de harten van die halfdoode menschen, toen zij na zoovele weken voor

de eerste maal weder vasten grond onder hunne voeten voelden. Ja,

zij moesten zich eerst eens overtuigen of het wel grond was,

waarop zij stonden. Zij trachtten zich met hunne handen van den

aard van dien bodem te overtuigen. Neen, het was geen droom, het

was werkelijkheid. Zij stonden inderdaad op vasten grond. Innige

dankbaarheid rees uit hun hart ten hemel op, nu zij hun doel

mochten bereiken. Tranen van geluk, van de reinste vreugde, rolden

de zwaarbeproefde mannen over hunne gebaarde wangen, waaraan sedert

lang niet meer de minste zorg was besteed.

"Drommels, wat zien wij er uit!" riep professor Piller ontsteld

uit, toen hij in het volle zonlicht zijne reisgenooten eerst wat

nauwkeuriger bekeek. Toen begonnen de heeren over hun eigen uiterlijk

eens hartelijk te lachen.

Professor Stiller nam inmiddels de om hem en zijne reisgenooten

heenstaande menschen eens wat nader op. Het waren inderdaad menschen

van vleesch en bloed, die de aardbewoners met vriendelijken glimlach

begroetten.

"Zij zijn zeker helderder, grooter en mooier dan wij. Of zouden wij

misschien bij de Goden van den Olympus zijn terechtgekomen, in plaats

van op Mars?" merkte professor Hämmerle op, nadat hij zijn bril had

schoongemaakt en op zijn neus gezet.

"Hoe komt ge daarbij?" vroeg professor Dubelmeier.

"Die menschen hier lijken mij een gezelschap Goden. Kijk maar eens naar

die bijna klassiek schoone gezichten, dien krachtigen lichaamsbouw

en die prachtige vormen, die de antieke kleederdracht zoo voordeelig

doet uitkomen!"

"Er valt zeer zeker veel voor die vergelijking te zeggen, antwoordde

professor Stiller, "maar we waren vrij wat dichter bij den Olympus

dan bij Mars. Dit eene feit vernietigt reeds uwe illusiën, mijn

waarde Hämmerle."

Daarop haalde hij zijn chronometer te voorschijn; die stond op

acht uur.

"Het is nog vroeg in den morgen, wij zullen zien wat deze eerste dag op

Mars voor merkwaardigs zal opleveren. Laten wij eens probeeren, of we

ook een gesprek kunnen aanknoopen met onze vrienden, want dat zij ons

goed gezind zijn, bewijst mij hunne voorkomende welwillende houding."

Bij deze woorden stapte professor Stiller op een vooraanstaanden

Marsbewoner toe, die hem met eene zekere voorname kalmte liet naderen,

zonder van eenige vrees of verwondering blijk te geven.

"Wij zijn hier toch op Mars, nietwaar?"--Hij deed deze eenigszins

banale vraag in het Duitsch. De omstanders schudden het hoofd, en

antwoordden in een zeer welluidende taal, iets wat op zijn beurt,

professor Stiller weder niet verstond, maar waaruit hij meende te

moeten opmaken, dat zij het betreurden de vreemdelingen niet te

begrijpen.

"Duitsch kennen zij natuurlijk niet. Dat hadt gij toch wel dadelijk

kunnen begrijpen, Stiller," merkte professor Hämmerle op.

"Welnu, examineer gij ze eens, Hämmerle, misschien gelukt het u met

uwe uitgebreide talenkennis een tongval te vinden, waarin wij ons

voor hen verstaanbaar kunnen maken."

Met krachtige stem begon Hämmerle in het oud-Grieksch:

"Vrienden, wij begroeten u recht hartelijk, wij die van de aarde zijn

opgestegen, om u te bezoeken."

Maar hij kreeg geen antwoord; zij glimlachten slechts, waardoor zij te

kennen gaven dat zij hem niet begrepen. Hämmerle herhaalde nu zijne

begroetingen in het Latijn, maar wederom volgde dezelfde stilte,

dezelfde glimlach.

"Misschien komen wij met onze moderne talen verder, want van de

klassieke schijnen zij volstrekt niet op de hoogte te zijn," zeide

Hämmerle, die zich wat boos maakte over het totaal mislukken van

zijne eerste pogingen. Maar ook met Engelsch, Fransch, Spaansch,

Italiaansch, Russisch, ja ten slotte met Arabisch en Hebreeuwsch,

bereikte men niet het gewenschte doel.

"Dat is een goed begin," bromde professor Brummhuber.

"Het schijnt dat wij de Marstaal zullen moeten leeren," merkte

Thudium op.

"Dat schijnt wel zoo," bevestigde Frommherz.

"Maar kijk eens, wat komt daar voor een oude heer aan," riep

Dubelmeier uit.

Een eenigszins bejaarde man, met eene statige gestalte, grijs haar en

een grijzen baard, blootshoofds, baande zich een weg door de menigte,

en stapte op de zeven Zwaben toe. De kleeding was gelijk aan die der

anderen. Zijne hooge edele gestalte was gehuld in een overblousend

sneeuwwit hemd, uit de fijnste wollen stof vervaardigd, en met purperen

belegsels afgezet. Om de heupen werd het door een breeden gordel,

eveneens in purperkleur, bijeengehouden. Aan zijne bloote voeten droeg

hij sandalen van fijn geel leder. Eerbiedig gingen de anderen voor

hem uit den weg, en de heeren uit Zwaben maakten de gevolgtrekking,

dat deze man maatschappelijk eene hooge plaats innam.

Eerbiedig ontblootten zij het hoofd, en wachtten vol spanning wat er

verder zou gebeuren.

De oude keek eerst naar den Argonaut, en vestigde toen zijne heldere

donkerblauwe oogen, waaruit zoowel verstand als goedheid sprak, op

de zeven vreemdelingen, die hij in zijne harmonische taal aansprak,

waarbij hij af en toe op het kolossale luchtschip wees, terwijl hij

hun eindelijk met vriendelijke gebaren verzocht met hem mede te gaan.

De heeren volgden nu den ouden man. Bij hen sloten zich kalm en

waardig aan, al de Marsbewoners, die bij de nederdaling van den

Argonaut hadden geholpen.

Het was den professor, alsof een sprookje uit de "duizend en een nacht"

werkelijkheid geworden was. Zij hadden geen oogen genoeg voor al het

mooie en eigenaardige dat zij op hunnen weg ontmoetten.

Van de weide af kwamen zij op een schaduwrijk pad, dat met fijn wit

zand was bestrooid, en aan weerszijden was beplant met prachtige,

rijk met vruchten beladen boomen. Dit pad voerde naar een aantal

vrijstaande gebouwen, die door heerlijke tuinen waren omringd. Te

oordeelen naar de grootte, schenen dit openbare gebouwen te zijn,

wier schitterend wit tegen het groen der omgeving scherp afstak.

Overal ontwaarde men hoog opgaande palmen en daartusschen prachtige

lichtgroene bananen en varenplanten, en een bloemenpracht, zooals

de Tübinger professoren nog nooit te voren hadden aanschouwd. Rozen,

leliën, myrthen, orchideeën en eene menigte andere bloemen wedijverden

met elkander, in glans, schoonheid, kleurenpracht en geur. Vlinders

in alle grootten en kleuren wiegden zich in de heerlijke zachte lucht

en bont gekleurde vogels deden in de boomen hun welluidend lied hooren.

"Het is een paradijs, waar wij te land zijn gekomen," sprak professor

Stiller tot professor Piller, die naast hem voortliep. "Ik moet mijn

gevoel lucht geven, mijne bewondering onder woorden brengen! Zeg,

Piller, zijt gij ook zoo wonderlijk plechtig gestemd, en gevoelt

gij ook iets van datgene wat onze onsterfelijke Uhland in zijne

zondagsliederen heeft uitgedrukt?"

"Nu, nu," hernam professor Piller droogjes, "ook mij bevalt die

intocht op Mars bijster goed; overigens is het vandaag juist Zondag,

wist gij dat niet, Stiller?"

"Neen, mij is in de laatste weken de tijdrekening geheel ontgaan. Maar

hoe weet gij dat?"

"Wel, toen gij van morgen allen in onmacht laagt, heb ik met mijn

horloge in de hand, uw hartslag gecontroleeerd. Nu wijst dit toevallig

behalve de uren, minuten en seconden, ook nog de maanden en dagen

aan. Wij hebben vandaag Zondag 7 Maart."

"Zondag 7 Maart! Alweder het heilige getal. Moge dit ook verder ons

nabij zijn en beschermen," riep professor Stiller uit.

"Vóór alles, zou ik wel graag iets goeds te eten en te drinken

willen hebben; dit wekt de levensgeesten wat op, en doet meer goed en

helpt beter dan uw heilig getal zeven. Wij hebben ons in de gondel

ontzettend moeten behelpen, het wordt hoog tijd, dat wij weder eens

een behoorlijk huiselijk leven krijgen."

"O, professortje, professortje!" hernam Stiller lachend, "hongeren en

dorsten zult gij hier zeker niet. Kijk maar eens naar al die vruchten!"

Professor Piller keek in de aangewezen richting. "Drommels,"--kwam

het over zijne lippen,--"zouden die kolossale bessen misschien tot

het geslacht der druiven behooren?"

"Geraden! Wat gij daar ziet zijn wijndruiven, die alleen in zeer

zuidelijke klimaten in deze grootte worden aangetroffen."

"Vaarwel dan, heerlijke roode wijn, vaderlandsche drank!"--riep

professor Piller zóó luide uit dat al zijne collega's het

hoorden. "Vaarwel! want het vocht dat men uit deze kolossale bessen

perst, moet iemand als een vurige stroom door de aderen vloeien,

en halfdooden als wij zijn, weder tot nieuw leven wekken. Ik verheug

mij op een teug van dien drank!"

"Wij schijnen hier nectar en ambrozijn te vinden," lispelde Frommherz.

"Dat Grieksche Godentuig schenk ik je gaarne, wanneer hier onze magen

maar iets goeds menschelijks te verorberen krijgen," antwoordde Piller.

Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars · 第 3 / 9 段