aan oude gebruiken en gewoonten; en daarbij tamelijk bijgeloovig. Deze
bijgeloovigheid vindt haar oorzaak voornamelijk in het karakter
van het land; bovenal boezemen de talrijke mysterieuse "Avens"
den Caussenaar vrees in, een vrees, die leidt tot bijgeloof van
allerlei aard. Een "Aven" is een geheimzinnig, duister gat in den
grond, waaraan de boeren 500 M. en meer diepte toeschrijven. Daar
de plateaux voor het grootste gedeelte uit een kalkformatie bestaan,
zijn ze inwendig voorzien van grotten, kanalen en meren; 't hemelwater
dringt door 't poreuze gesteente heen en holt dit uit, ook al doordat
kalk in koolzuurhoudend water, dus in regenwater, oplost. De door het
regenwater gevormde onderaardsche stroomen en plassen geven hun teveel
aan de door de dalen stroomende rivieren af door middel van openingen
(bronnen) in de zijwanden der causses. Nu is in den loop der eeuwen
menig grotgewelf, dat zich niet diep onder de oppervlakte van het
plateau bevond, ingestort, waardoor een geheimzinnig, duister gat
ontstond. Die gaten noemt men "Avens".
Over deze avens hadden wij menigmaal iets gelezen en ook op onze
reis verscheidene keeren hooren spreken, zoodat wij besloten bij den
molen Sourbette, waar een voetpad naar boven leidt, onzen weg verder
over een causse te nemen, om eenige van die donkere gaten van nabij
te bekijken. De eerste aven, waar wij aankwamen, was de Aven Armand,
in 1897 door den heer E. A. Martel onderzocht. De opening van zulk een
zwart gat van 10 tot 15 M. doorsnede maakt iemand werkelijk angstig
en men moet verbazend voorzichtig zijn niet op losliggende steenen
te stappen; men zou met steenen en al in de diepte storten en te
pletter vallen: de schacht gaat 75 M. loodrecht naar beneden. Men
is van plan deze aven voor toeristen toegankelijk te maken. Er moet
zich een grotzaal in bevinden, die alle beschrijving te boven gaat,
een zaal, zooals geen tot nu toe bekende grot bezit. Men vond er een
woud van meer dan 400 rechtopstaande fantastisch gevormde stalagmieten
van 1 tot 30 M. hoogte, een woud als 't ware van versteende palmen,
hetwelk men met recht "het maagdelijk woud" heeft genoemd.
Wij konden alleen nog maar den ingang zien en begrepen best, dat de
onontwikkelde Caussenaar zijn vrees voor die geheimzinnige gaten niet
kan afschudden. Zij spreken dan ook met eerbied en diepe bewondering
over den heer Martel, die in meer dan honderd van deze avens is
neergedaald; bijna iedereen kent hem.
Zeer interessant en onderhoudend zijn de beschrijvingen door
hem in zijn werken, vooral in die over de Cevennen, van zijn
onderzoekingstochten gegeven. Hij vertelt daarin, hoe hij met zijn
neef Gaupillat en eenige vertrouwde, moedige helpers van gehucht naar
gehucht over de causses heen en weer trok. Zij vormden een complete
karavaan met hun wagens met 500 M. kabel, touwladders, hijschblokken,
windassen, bokken, telephoon, apparaten voor magnesium- en electrisch
licht, hun twee opvouwbare roeibooten, een volledige inrichting voor
kampement met veldkeuken, voor topographie en photographie. Men vroeg
hem dan ook wel eens, of hij met een circus reisde; in Millau noemde
men hem "de Meneer, die voor de gaten reist." Eens smeekte hem een
troepje oude boerinnen, die bij de toebereidselen voor een neerdaling
stonden toe te kijken, er toch van af te zien. Toen hij desondanks toch
order gaf hem neer te laten, maakten zij een kruis en riepen hem toe:
"Je komt er wel in, maar nooit zul je er weer uitkomen."
Zeer groote moeite kostte het hem flinke, degelijke mannen te krijgen
om een handje te helpen en desnoods mee neer te dalen.
Een stevige wandeling bracht ons naar een andere aven, de Hure. Hier
was de opening anders dan bij de Armand. Wij kwamen aan een gewone
holopening in een plooi van het terrein. Dit hol voorzichtig een
meter of wat binnengaande, stonden wij aan den rand van de eigenlijke
aven. Steenen, welke wij daarin gooiden, kaatsten met veel geraas
van wand tot wand. Het eind van den val konden wij niet hooren;
het geluid stierf zacht weg.
De boeren beweren, dat deze put 500 M. diepte heeft en op water
uitkomt; zij verbeelden zich verder, dat dit water uitloopt in
het meertje van de grot Cénarète bij St. Chély, waarover ik reeds
schreef. Dat zou een heel eind weg zijn. De heer Martel, die ook hier
afgedaald is, constateerde slechts 150 M. (toch nog een aardig gaatje)
en stuitte werkelijk op water. Of dit in verbinding staat met het
meertje Cénarète is moeilijk uit te maken.
Een overoude legende toont aan, dat reeds in vroeger eeuwen de boeren
vermoedden, dat deze avens in verbinding staan met de bronnen, die
zich aan de zijwanden der causses bevinden.
Eens liet een jonge herder zijn zweep in de aven de Hure vallen en
zijn moeder, die aan de andere zijde van de causse aan den oever van
een beekje woonde, vond eenige dagen later de zweep in dat beekje
terug. De jongen beloofde haar langs den zelfden weg een schaap te
sturen. Dit schaap spartelde op den rand van den afgrond tegen, wat
ten gevolge had, dat de herder zijn evenwicht verloor en zelf naar
beneden stortte. In plaats van het beloofde schaap vond de moeder
het lijk van haar zoon!
Ik moet eerlijk bekennen, dat de avens een angstwekkenden indruk op
mij gemaakt hebben. Den nacht na de bezichtiging werd ik door een
akeligen droom gekweld en zelfs nu nog krijg ik bij de gedachte aan
die duistere, diepe gaten weer kippevel.
De Hure is niet ontstaan door instorting; hier heeft in den loop der
eeuwen het afstroomende water zich een weg gebaand en daardoor dezen
enormen put geboord. Op die wijze zijn vele andere avens ook gevormd,
welke dus te vergelijken zijn met de zoo bekende "orgelpijpen" uit
den St. Pietersberg bij Maastricht. De andere ontstonden, als ik
reeds zeide, door instorting van een daaronderliggend grotgewelf.
Over de causse vervolgden wij onzen weg naar Meyrueis. 't Is de Causse
de Méjean, nog woester dan de Causse de Sauveterre, en er groeit
nog minder. Hier kan men eerst recht zien, wat het uitroeien van
bosschen tot gevolgen kan hebben. Vroeger moet deze streek tamelijk
dicht bevolkt geweest zijn; dat bewijzen de gevonden grotwoningen,
de dolmens en de vele ruïnes uit den tijd der Romeinen. Nu zijn de
causses bijna verlaten; zij konden haar bevolking niet meer voeden,
niet het minst doordat het verdwijnen der bosschen het klimaat ruwer
deed worden. De onvruchtbaarheid neemt op de causses, die gezamenlijk
een oppervlakte bezitten van ongeveer een half millioen hectaren,
zelfs van jaar tot jaar toe. En nu nog verkoopen de boeren op de
causses uit winstbejag de weinige boomen, die er zijn, voor de
luttele som van een of twee franken per stuk, terwijl het ongeveer
van honderd tot twee honderd jaar duurt voor hier een nieuwe boom
volwassen is. Wel tracht de staat nieuwe bosschen aan te planten,
doch de geiten richten telkens groote verwoestingen aan in de jonge
aanplantingen. De domheid der inwoners vooral dus heeft deze streek,
derhalve hen zelf, tot armoede gedoemd.
Door het beklimmen en overschrijden der causse hadden wij een grooten
omweg gemaakt en de wandeling tot een marsch van 30 K. M. doen
worden. Vermoeid, invermoeid kwamen wij te Meyrueis aan. Daar zouden
we overnachten om den volgenden ochtend op te breken naar de beroemde
grot van Dargilan. Hadden wij onzen weg niet over de Causse Méjean
genomen, dan zouden wij deze grot voorbijgekomen zijn. Wij wilden
evenwel voor het bezoek, èn omdat het zeer vermoeiend is, èn omdat
het een uur of vijf vergt, een afzonderlijken dag nemen en hadden
daarom besloten eerst naar Meyrueis te gaan.
Den volgenden morgen togen wij vroegtijdig op weg naar de grot,
welke op de Causse Noire aan den rand van de vallei der Jonte op 6
K. M. afstand van Meyrueis gelegen is. De ingang bevindt zich 270
M. boven de rivieroppervlakte. Op een eigenaardige wijze werd zij in
1880 ontdekt.
Een herder zag een vos in een gat verdwijnen en wilde trachten het
beest te vangen door het hol uit te rooken. Reintje kwam niet weer te
voorschijn. De herder doofde toen zijn vuur, maakte de opening van het
gat breeder en kroop in het nauwe gangetje; doch verschrikt keerde hij
terug; hij was in een reusachtige donkere ruimte terechtgekomen. Zoo
werd de prachtig-mooie Dargilan-grot gevonden.
Niemand durfde zich in de donkere spelonk verder te wagen dan tot in
de eerste zaal. Tot weer de heer Martel er bij kwam met zijn volledig
materiaal en den ontdekkingstocht voortzette. Aan hem dus danken de
toeristen een van de mooiste grotten, die bekend zijn.
Bij den ingang kleedden wij ons in een witlinnen pak, hetwelk ons
verstrekt werd om het bederven van de kleeren te voorkomen. Als
monniken, ieder met een kaars in de hand, traden wij achter onzen
leidsman de donkere ruimte binnen.
Bijna onmiddellijk bij den ingang splitst de grot zich in twee
deelen; wij bezochten in den voormiddag de eene helft en de rest des
namiddags. Het eerste, wat ons trof, was de mooie zachte ivoorkleur
der druipsteenen. Hier zijn deze niet door walmende fakkels met een
zwarte roetlaag overdekt, zooals in het grootste gedeelte der grot
van Han, waar enkel in de nieuw ontdekte zalen alleen electrisch
licht geschenen heeft. In de grot van Dargilan lichten de gidsen
bij met magnesiumdraad, dat weldra vervangen zal worden door een
electrische installatie. Doch Keulen en Aken zijn niet op één dag
gebouwd; voorloopig moet er nog hard gewerkt worden om den toerist
de vermoeiende passages te vergemakkelijken door het plaatsen van
ijzeren laddertjes, leuningen, handvatten, enz.
Van de Groote Zaal aan den ingang, die 120 bij 60 en 35 M. hoog is,
daalt men langs een natuurlijke trap van stalagmieten, de Kristallen
Trap, af in de Schildpadzaal, zoo genoemd naar een op zoo'n dier
gelijkende steenmassa; deze zaal vormt nagenoeg een voortzetting van
de Groote Zaal. Hier heeft men echter het reuzengewelf 70 M. boven
zich. Ze is een van de vijf grootste grotzalen der wereld. Buitengewoon
mooie stalagmieten en stalactieten vormen de twintig grootere en
kleinere gewelven, waarin ze den grooten koepel verdeeld hebben.
Tot de meest bezienswaardige zalen behooren de 30 M. hooge zaal der
Moskee met haar ragfijne minaret, en bovenal de Kerkzaal, waarin
een woud van slanke kolommen met kruisbogen, hoogaltaar, orgels,
koren en tribunes, alles in ivoor gebeeldhouwd. Door tegen eenige
der neerhangende kolommen te kloppen, liet de gids ons een heerlijk
klokkenspel hooren. Zware, zuivere tonen dreunden door de ruimte om
over te gaan in het hooge geklep van het angelusklokje, dat langzaam
als in de verte wegstierf. De illusie is zoo goed als volkomen;
men krijgt de neiging het hoofd te ontblooten.
Dan nog de zaal van den Waterval, zoo genoemd naar een schijnbaar
boven een afgrond tot ijs gestolde vallende watermassa; een fijn
geciseleerde lustre hangt er aan het 40 M. hooge gewelf. Wanneer daar
electrische lampjes tusschen hangen, welke schitterende lichteffecten
zal hier dan de doorzichtige druipsteen veroorzaken! Enkele kaarsen
gaven er ons een flauw idee van.
Maar dit alles wordt nog overtroffen, wanneer plotseling het
magnesiumlicht opflitst en de Torenspits uit het donker oprijst. Een
20 M. hooge alleenstaande stalagmiet! De natuur heeft hier een heerlijk
kunstwerk geschapen. Hoe fier staat deze kunstig uitgesneden, als kant
opengewerkte en doorzichtige toren, scherp afstekend tegen den donkeren
achtergrond. Verrukt blijft men dit zeldzame natuurwonder aanstaren,
't Gezicht er van zou alleen reeds opwegen tegen alle vermoeienis. En
moe waren wij. Niet alleen van het klimmen en dalen, ook van het vele
schoon, dat te genieten viel.
Een uur of vijf steen op, steen af, nu een helling, waar men
afdaalt langs ijzeren pennen, dan weer ladders, hier en daar op
handen en voeten door gaten en scheuren, langs en over afgronden,
die bij klaarlichten dag zouden doen terugdeinzen, en voortdurend een
glibberige bodem; 't is geen kleinigheid, maar--men gaat niet voor
zijn gemak op reis. Verwonderen zal het wel niet, dat toeristen met
een flink embonpoint zich met een bezoek aan de Groote Zaal moeten
tevreden stellen; die is breed genoeg, een goede 60 M.; voor de
overige zalen is een niet te groote omvang en eenige turnvaardigheid
gewenscht. Toen wij deze opmerking maakten, antwoordde onze gids,
toch heel graag onhandige bezoekers te vergezellen. Onze vragende
gezichten deden hem er aan toevoegen: "Zij geven groote fooien, te
grooter, naarmate wij meer hulp moeten verleenen. Zij tellen voor
ons meest dubbel." Gelijk had hij!
Dit bezoek aan de grot van Dargilan was een van de prettigste dagen
van onze reis. Tusschen de beide tochten in gebruikten wij de lunch in
het houten paviljoentje, dat op den alleruitersten rand van de causse
staat. Boven onze verwachting was het eten uitstekend. Men diende
ons een dejeuner voor, dat menig eerste klasse prijzen rekenend hôtel
in Nederland nimmer op tafel ziet. En dat in een klein houten hutje,
eenzaam en verlaten, hoog in de lucht.
Hoe gezellig hebben wij daar zitten babbelen met de gidsen, hoog en
droog boven de stille vallei der Jonte. Hoe onderhoudend waren hun
verhalen over tochten met den heer Martel, over hun wederwaardigheden
en doorleefde angstige oogenblikken. Ernstig peinzend dwaalden dan
hun blikken over de Causse Méjean, als wilden zij door de steenen
heen zien om de daaronder verborgen geheimen te doorvorschen. De
heer Martel heeft van deze eenvoudige mijnwerkers--'s winters werken
zij in de kolenmijnen bij Alais en Décazeville--hartstochtelijke
natuuronderzoekers gemaakt. Zij vermoeden, dat in de grot van
Dargilan nog veel meer gangen en zalen te ontdekken zijn, wanneer
men op de juiste plaats door den wand breekt. Ik merkte op, dat dan
het bezoek nog langer zou duren. O, aan den toerist dachten zij niet,
de natuuronderzoeker en -bewonderaar sprak.
Zij wezen ons aan de overzijde der vallei in den wand van de Causse
Méjean de opening van de op wetenschappelijk gebied zoo bekende
grot Nabrigas. Uit de overblijfselen daar gevonden heeft men kunnen
bewijzen, dat de primitieve mensch hier al leefde in den tijd van
den holenbeer en zich toen reeds bediende van aarden vaatwerken. Die
ontdekking heeft indertijd heel wat opschudding in de geleerde wereld
teweeggebracht.
Onze Nederlandsche taal konden de gidsen niet thuisbrengen. Zij
vertelden ons er over geredetwist te hebben wat voor landslui wij
toch wel zouden zijn; de een wilde ons Engelsch hebben, de ander
Duitsch, tot zij het er zoo half en half over eens geworden waren,
dat wij Russen moesten zijn.
Hollanders kwamen hier ook nooit. Vóór ons had dit jaar slechts
één Hollander de grot bezocht, de eenige, dien zij zich herinneren
konden. Nu zullen er, zonder dat zij het wisten, wel meer geweest zijn,
maar dan toch zeer weinige. Daarom hoop ik, dat dit schrijven er toe
moge bijdragen, dat zich meer Nederlanders in deze streek zullen wagen;
want werkelijk, een bezoek is de moeite en de kosten overwaard.
Onze landslui zijn toch niet bang voor het Fransch? Of wel? Gaan zij
daarom liever steeds naar Duitschland, waar zij zich kunnen redden met
bijv. "halten sie mein reissakkie es vast?" Dat is toch niet zoo. De
meeste Nederlanders leeren Fransch van af hun 7de of 8ste jaar; de
grammatica komt er wel goed in; daaraan ligt het dus niet; alleen
de praktijk ontbreekt. Welnu, waarom dan niet eens ter afwisseling
hierheen getrokken? Men leert andere zeden en gewoonten kennen in
een mooi land, want Frankrijk is mooi, en men oefent zich tevens in
het spreken der taal.
Na nogmaals in Meyrueis overnacht te hebben, vertrokken wij den
volgenden dag zeer vroeg in den morgen per wagen, om over den Mont
Aigoual Le Vigan te bereiken, een plaatsje, dat aan het spoor
ligt. Onderweg wilden wij een blik werpen op het onderaardsche
riviertje Bonheur.
De weg slingert zich omhoog door een dichtbegroeide vallei, waar
de dauwdroppels op takken en bladeren in de schuin door het groen
brekende zonnestralen schitterden als diamanten. De zon verjoeg den
nevel uit het dal der Buhézon, een stroompje, dat zich bij Meyrueis
met de Jonte vereenigt. Het poëtisch gelegen kasteel Roquedol werd
een oogenblik zichtbaar in zijn donkergroene omlijsting.
Welk een verschil met de cañons van den Tarn en der Jonte! Hier is
alles groen. Ook is het landschap levendiger. Wij ontmoetten weder
stevige koeien, die zich op haar gemak te goed deden aan malsch
gras. In de streek, waar wij doorgetrokken waren, hadden wij alleen
schapen gezien, zoekende naar tusschen de rotsen opschietende magere
sprietjes.
Nu schenen ons de Cevennen zoo verlaten en zoo onherbergzaam toe, dat
wij bijna een onbillijk oordeel velden, vergetend voor een oogwenk,
hoeveel natuurschoon wij genoten hadden.
De koetsier hield even stil om ons de gelegenheid te schenken een
grootsch panorama te aanschouwen, 't Was of alles nog eens aan ons
voorbijtrok: St. Enimie in de diepte, onze bootvaart op den Tarn,
het Château de la Caze, het Détroit, het Cirque des Baumes, de Pas de
Soucy, de cañon der Jonte, de geheimzinnige avens en het heerlijke
tooverpaleis van Dargilan. Toen viel de vergelijking gunstiger voor
de Cevennen uit, want van dit alles spraken de naakte causses, die
wij gingen verlaten. Zullen wij ze ooit terug zien?
Maar we moesten verder. Korten tijd later kwamen we aan Bout de Cote,
waar een wegwijzer ons aanwees, waar wij ons bevonden, en ook ons tot
spoed aanmaande. We waren op 1100 M. hoogte, 13 K. M. nog van Camprieu,
20 K. M. van den Aigoual en 51 K. M. van Le Vigan, het eindpunt van
den rit, verwijderd.
Langzaam stijgt de weg langs de flanken van den berg Parc aux Loups,
die de geheele streek als overheerscht. Hier heeft de staat grooter
voldoening van haar aanplantingen; de rotsen zijn weer bedekt met
bosschen, waar vroeger kale ravijnen waren; volgens het zeggen van
onzen koetsier zijn aldus 500 H. A. rots in boschgrond herschapen.
In Camprieu gekomen, gingen wij te voet het riviertje Bonheur, dat
van den Mont Aigoual komt, in zijn merkwaardigen loop volgen.
Ik sprak er boven reeds van, hoe het water op de causses geweldige
putten, de avens, heeft te voorschijn geroepen, en hoe de heer Martel
pogingen in het werk gesteld heeft, aan te toonen, dat deze avens
ondergrondsch in verbinding staan met de in de dalen uitloopende
bronnen. Slechts in één geval heeft hem dit mogen gelukken en wel
bij de Bonheur.
Vroeger stortte dit bergstroompje zich over den rand van het plateau
in een ravijn, dáár door zijn onstuimig water uitgeknaagd; in den
loop der eeuwen boorde het zich een weg door het gesteente en verdween
onder den grond om 700 M. verder, doch 90 M. lager, in het ravijn te
voorschijn te komen en tusschen diens nauwe rotswanden in wilde vaart
zijn weg te vervolgen naar het dal, onderweg talrijke watervallen
vormend, die met zulk een oorverdoovend geloei neerstorten, dat men
hier den stroom Bramabiau, d.w.z. loeiende stier, genoemd heeft.
Tusschen de plaats, waar de Bonheur in den grond verdwijnt, en die,
waar de Bramabiau er uit te voorschijn komt, vormt de stroom in
de onderaardsche gewelven zeven watervallen, waardoor het groote
niveauverschil van 90 M. op den geringen afstand van 700 M. verklaard
wordt.
De gids leidde ons eerst door een horizontalen tunnel, die bij
den ingang begint, een tunnel, zoo regelmatig als ware hij door
menschenhanden gemaakt; die heeft echter zijn ontstaan aan het water
te danken, dat vroeger hier door moet hebben gestroomd. Na ongeveer
100 M. afgelegd te hebben, zagen wij de Bonheur onder onze voeten
verdwijnen in gaten en spleten, waarin geen mensch haar kan volgen. Na
een omweg gemaakt te hebben door eenige parallel met het stroompje
loopende gangen, die het water in vroeger tijden hier uitgehold heeft,
vonden wij haar terug; wij bevonden ons toen boven den eersten (van
den ingang af te tellen) waterval, welke 4 à 5 M. hoog is.
Verder doordringen schijnt onmogelijk; het water vervolgt
zijn weg door een 1 à 3 M. breede bedding met glad gepolijste
wanden. Volgens den gids is de nauwe spleet 50 M. hoog. En daar zijn
menschen doorgetrokken! Maar hoe? De eersten waren--dient het nog
vermeld?--de heer Martel met drie zijner makkers. Hoe zij daar zonder
eenig hulpmiddel doorheen gekomen zijn, is ons een raadsel. De gids
verhaalde, dat zij alle werktuigen, zooals ladders, opvouwbare boot,
telefoon, enz. moesten achterlaten, en dat zij, zich met de nagels
aan den rechten gladden rotswand vastklemmend, het lichaam tegen
den anderen muur gedrukt, zijdelings vooruitschoven, gebruik makend
van elke oneffenheid, hoe gering ook, der wanden; of wel schrijlings
met tegen iederen wand een voet. Dan weer werkten zij zich zwemmend
voorwaarts. Dat alles gebeurde in de diepste duisternis, druipnat,
met een kaars, die natuurlijk ieder oogenblik uitdoofde, tusschen de
tanden, terwijl zij elkander slechts met moeite konden verstaan door
het onafgebroken geraas dat de watervallen tusschen deze overwelfde
muren veroorzaken.
Na dit groepje stoutmoedige mannen hebben nog eenige anderen,
onder welke ook onze gids, hetzelfde waagstuk volbracht. Wij echter
moesten rechtsomkeert maken en stonden spoedig weer in den helderen,
warmen zonneschijn. Dat deed ons goed. Maar wij hadden slechts het
begin van de onderaardsche rivier gezien; dus nu naar het eind en de
zon weer voor een poosje vaarwel gezegd. Een kortstondige wandeling
bracht ons aan de Bramabiau, waarvan nu behoorlijk is vastgesteld,
dat zij eigenlijk Bonheur moest heeten, al werd het reeds lang vermoed,
doch die haar eigenaardigen naam behouden heeft.
Van dezen kant konden wij stroomopwaarts komen tot den 5en waterval,
van waar wij bij den schijn van het magnesiumlicht in de verte den
4en konden zien. Van de zeven die er zijn, kan de toerist er dus vijf
bewonderen; de twee overige blijven verborgen in de duisternis der
diepe nauwe spleet.
Men is bezig kapitaal bijeen te brengen om de geheele onderaardsche
rivier voor toeristen toegankelijk te maken; dit schijnt echter niet
heel vlot te gaan, wat jammer genoeg is.
Ofschoon het frissche neervallende water tot langer oponthoud noodde,
konden wij niet te lang aan de Bramabiau vertoeven, daar wij moesten
trachten tegen den middag op den Aigoual te zijn. Dus maar weer op weg!
Een uur later hield onze wagen stil voor de houtvesterswoning op den
top van de Sérreyrède (1290 M.), gelegen juist op de waterscheiding
tusschen de stroomgebieden van den Atlantischen Oceaan en van de
Middellandsche Zee. De regendruppels, die broederlijk te zamen op
het dak van deze woning neervallen, worden hier onherroepelijk van
elkaar gescheiden; door de linkerdakgoot vervolgen zij hun weg naar
de Middellandsche Zee, door de rechter naar den Oceaan.
Het uitzicht was hier niet volkomen; alleen naar het Oosten hadden
wij een prachtig vergezicht over de diepe vallei van Vallerangue
met de daarin stroomende Hérault, welke op den Aigoual ontspringt;
naar het Westen over de geheele Causse Noire.
Te voet beklommen wij een tamelijk steil voetpad, dat naar den top
van den Aigoual leidt, waar wij hijgend en bezweet in de nabijheid van
het observatorium aankwamen. Gelukkig blies boven een frissche wind;
anders zou het zuidelijke zonnetje ons zeker te machtig geworden
zijn. We bevonden ons nu op een der hoogste toppen der Cevennen,
1567 M. boven de zee en genoten er een verrukkelijk vergezicht. Het
eerste wat den blik trok was heel in de verte de Middellandsche
Zee. Het azuren hemelgewelf smolt er samen met het donkerblauwe water,
waarin de kust van Languedoc afhangt als franje van Kaap d'Agde tot de
binnenzeeën van la Camargue. Het geheele landschap Languedoc breidde
zich voor ons uit met zijn steden en dorpjes, zijn rivieren, beken
en plassen. Een weinig naar het Oosten rijst de alleenstaande berg
Saint Loup als een reusachtige mijlpaal op uit de vlakte. Meer naar
het Westen, doch ook aan den Zuidkant, zagen wij de zeven toppen van
den Camigou en de keten der Pyreneeën. Naar het Noorden en Westen
rijen zich de causses als groote steenen tafels aan elkander; in
het Oosten verheft zich na de sombere Cevennenketen het vulkanische
berglandschap, waar de Ardèche met haar talrijke zijstroompjes zich
door het bazalt wringt en waarachter aan de overzijde van het Rhônedal
het kale massief van den Mont Ventoux (waaiberg) zich vertoont. Aan
den horizon glooien zacht de Zee-Alpen weg in zee.