Tijdens de revolutie, in 1793, ging La Malène in de vlammen

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/

OP DEN TARN.

Door M. Mendell.

De lijn Clermont-Nîmes is een van de meest kunstige werkstukken op

het gebied van spoorwegaanleg. Van Langeac tot Alais, een afstand

van 154 K.M., telt, wie er 't noodige geduld voor heeft, 98 tunnels

en 46 viaducten. Hieruit kan men reeds afleiden, hoe geaccidenteerd

het terrein is. En werkelijk, de trein wringt zich als 't ware

door bergen en over afgronden, om de nauwe vallei van de Allier

te kunnen houden. Bijna overal is die vallei woest en verlaten,

hetgeen een sterk contrast oplevert met het eerste deel van den

weg, van Clermont tot Langeac. Daar heeft men voortdurend het groen

geblokte Auvergnelandschap voor zich met zijn dichtbegroeide Puy's en

goed verzorgde akkers. Na Langeac ontwaart het oog slechts blokken,

rotsen, afgescheurd en afgevreten door het water, dat diep beneden,

bijna onder den trein, bruisend voorbijstroomt. De spoorbaan kruipt

maar aldoor uit en in en langs den rotswand, zich door het ravijn

stroomopwaarts windend.

Wij verlieten den trein in La Bastide; de zijlijn, die wij daarna

volgden, bracht ons naar een streek van gansch andere natuur, namelijk

naar de plateaux der Cevennen, met hun zeer arme bevolking, doch

rijkelijk natuurschoon; naar een land van grotten en onderaardsche

rivieren en meren, een cañongebied, een natuurmuseum voor archeologen.

Om eenigszins een voorstelling van dit deel der Cevennen te geven,

roep ik uw verbeelding te hulp. Verbeeldt u dan een kolossaal breeden

tafelberg 800 tot 1200 M. boven den zeespiegel en stelt u daarbij voor,

dat het bovenvlak bestaat uit heuveltjes en dalen, zooals de Veluwe

ze heeft, doch ook, als de berg zelve, geheel van steen. Voorziet in

uw gedachten nog de geheele massa van barsten, als een uitgedroogde

stopverfberg ze zou bezitten, en het fantasiebeeld is klaar.

De scheuren in het plateau zijn ongeveer 500 M. diep; er zouden dus

zes Westertorens [1] in op elkaar gezet moeten worden, voordat iemand,

die op het bovenste haantje zat, zijn blikken over het plateau zou

kunnen laten weiden. De breedte varieert van 1 tot 5 K.M. Door deze

insnijdingen stroomen riviertjes. De groote massieve blokken, een soort

eilanden, doordat ze aan alle kanten door deze scheuren ingesloten

worden, heeten causses, in het landsdialect caous. Reeds de naam wijst

de geologische gesteldheid aan. Hij staat in verband met 't Latijnsche

woord "calx", welks accusatief "calcem" het grondwoord is van ons

kalk. De scheuren noemt men cañons, eigenlijk een Spaansch woord,

dat "buis" of "kanaal" beteekent. Van de grootste causses noem ik de

Causse de Sauveterre, de vruchtbaarste van alle, voorzoover er bij

deze steenvlakten van vruchtbaarheid sprake kan zijn; verder de Causse

Méjean, de onvruchtbaarste en de hoogste tevens; eindelijk de Causse

Noire, de kleinste, doch voor den toerist de eigenaardigste; ten slotte

de Larzac, de grootste, die meer dan 1000 K.M.2 oppervlakte heeft.

Wij Nederlanders kunnen ons, zonder deze groote steenen tafels gezien

te hebben, moeilijk een begrip vormen van de woeste doodschheid die

er heerscht: geen water, geen boomen, bijna geen menschen. En welk

een klimaat! De beste schildering gaf Reclus, de groote geograaf,

die in een zijner werken schreef:

"Te veel zon, wanneer de causse laag is; te veel sneeuw, wanneer zij

hoog is; altijd en overal een scherpen wind, die het alleenstaande,

armzalige boompje ter aarde wringt; in plaats van meren poelen, voor

een rivier een halsbrekend gat; de rotsachtige weiden kaal geschoren

door dunharige schapen; steenachtige gerst- en havervelden, hier en

daar aardappelen, hoogst zelden koren; wijnstokken, wanneer de hoogte

het niet verbiedt; een rood- of witgekleurden bodem, die met steen

begint en met steen eindigt en waar de rotspieken uit omhoog steken;

keien met de hand opgeraapt eeuwen en eeuwen door en losjes opgestapeld

tot muurtjes, om het land er van te zuiveren en tevens afscheidingen

te maken tusschen de verschillende bezittingen; op elkaar gehoopte

steenen heuvels bijna; plaatsen, als hadden millioenen voorbijgangers

ieder daar hun steen neergeworpen als getuigenis en veroordeeling

van een misdaad, of als ter herinnering aan een slachtoffer; hier en

daar een pijnboom, een eik, een struik, als treurig overblijfsel van

voormalige wouden; talrijke dolmens, die herinneren aan verdwenen

rassen. De Caussenaar alleen kan de causse liefhebben, maar ieder

ander aanschouwt toch verrukt de geweldig diepe valleien, die deze

reusachtige acropolis doorsnijden en omringen.

"Afdalende van het plateau langs geitenpaden in den rand van den

afgrond, verwisselt men plotseling het ingedroogde rotsblok voor

groenende weiden, den uitgestrekten, treurigen, somberen horizon voor

heerlijke stukjes lucht en aarde. Bovenop de steenen tafel wind, koude,

naaktheid, armoede, leelijkheid en leegte--want zeer weinig dorpjes

verlevendigen deze plateaux--; beneden in de boomgaarden is warmte,

vroolijkheid en overvloed.

"Het ongelooflijk scherpe contrast, dat eenige cañons met hunne causses

maken, is een van de zeldzame schoonheden van het mooie Frankrijk!"

Wat zou ik hieraan kunnen toevoegen? Deze aanhaling spreekt voor zich

zelf. Wij hebben een tocht te voet en per wagen over een causse,

bovendien per bark op de rivier de Tarn door een cañon gemaakt en

vonden deze beschrijving volkomen juist. De overgang van de causse

naar de vallei is imposant, het contrast niet te beschrijven.

Van Mende gingen wij te voet naar St. Enimie, om een juist beeld

te bekomen van een causse; 't is een afstand van 28 K.M. langs een

goeden weg, die dwars over de Causse de Sauveterre leidt. Men moest

jaarlijks een aantal Nederlandsche boeren hierheen zenden om hun het

noodelooze klagen af te leeren; zij zouden zich millionnairs voelen

tegenover den armen Caussenaar.

Het is onbegrijpelijk, dat die menschen nog moeite doen hier iets te

telen. Wij zagen havervelden in den oogsttijd, halmen 20 c.M. hoog,

tusschen de halmen afstanden van minstens 10 c.M. Om dat te oogsten,

werd er met het houweel de grond omgewerkt, werden er eeuwenlang de

keien uitgehaald, zooals de steenhoopen langs de velden aantoonen,--en

dan is dat hun oogst! Arme Caussenaar!

Urenlang liepen wij door deze woeste streek, links en rechts keien,

vóór ons keien, achter ons keien. Nu en dan zulke dunne dwerghaver-

of gerstvelden, steeds door een uit opgestapelde steenen ontstanen

rand omgeven; hier en daar in een kuil, beschut tegen den wind

een aardappelveldje; nergens water, geen woning, geen levende

ziel. Eindelijk.... Sauveterre, een dorpje van slechts enkele huizen,

met groote schaapskooien; de keien om ons heen dienden hier om die

woningen te bouwen, zoodat de huizen er verre van frisch uitzien,

integendeel bruin, vaal en somber. Maar daar kijkt een dorstige

wandelaar niet het eerst naar. Dat merkten wij dan ook eerst

later, toen we, op ons gemak uitrustend, de omgeving behoorlijk

opnamen. Ons eerste werk was geweest de herberg op te sporen, hetgeen

vergemakkelijkt werd doordat de postwagen, die ons achteropgereden was,

daar stilhield. Anders geloof ik niet onze herberg zoo gemakkelijk

ontdekt te hebben; er was geen enkele aanduiding en de 10 of 15 huizen,

waaruit het dorp bestaat, zijn uiterlijk zonder eenig onderscheid.

Wij kwamen juist bijtijds en hebben spaarzaam mee mogen genieten

van het weinige water, dat de herbergier nog in zijn regenwaterput

had. Sedert drie maanden had het op de causse niet geregend en het

drinkwater raakte op. Zijn plan was den volgenden dag een vaatje

vol te halen in St. Enimie, een tiental kilometers verder, in het

dal. Daarvoor ging hij de paarden van zijn buurman te leen vragen. Op

mijn vraag, of hij zelf geen trekdieren had, vertelde hij mij,

dat hij wel een paar trekossen had, maar dat een trekos geen vracht

tegen een steilen bergwand kan optrekken. De weg naar St. Enimie is

n.l. zeer steil; dat merkten wij zelf later. Maar dat zoo'n flink

gebouwde werkos, die veel zwaarder vrachten trekt dan een paard,

geen klein vaatje water naar boven kan brengen, wat een paard met

gemak doet, dat was toch iets nieuws voor ons en wij hebben daarom,

telkens wanneer wij trekossen ontmoetten, aandachtig hun lichaamsbouw

bekeken om het waardoor te weten te komen. Doch 't is gebleken,

dat wij niet sterk genoeg in de vergelijkende anatomie waren om dit

raadsel op te lossen, en de boeren, die wij er naar vroegen, gaven

ons in hun dialect antwoord met voor ons onverstaanbare vakwoorden,

zoodat wij maar heel ernstig knikten ten bewijze het begrepen te

hebben, maar overigens even wijs waren als te voren.

Van het dorpje Sauveterre leidde de weg nog eenige kilometers over de

vlakte tot het plaatsje Le Bac, een gehucht met een viertal huizen;

daar begint het ravijn, dat afdaalt naar St. Enimie.

In 1793, toen de hervormers in Frankrijk alles van naam deden

veranderen, werd St. Enimie "Puits-Roc", de Rotsput, gedoopt. Werkelijk

een eenig juiste naam voor dit plaatsje, dat ligt in een onvergetelijke

omlijsting. Van den Tarn ziet men het zilverige water ergens als onder

een rots uitkomend en verderop als onder een andere rots verdwijnend;

slechts een klein deel van de rivier is zichtbaar. Wáár de opening van

het dal is, waaruit zij komt, is niet te zien; de rotsen sluiten zich

daar schijnbaar aaneen. Hoe het dal verder loopt, is ook onzichtbaar;

ook daar schijnen de Causse de Sauveterre en de Causse Méjean aan

elkaar gegroeid.

Wij daalden den zigzag loopenden, doch toch nog steilen weg af, die

onder ons in de diepte schijnt weg te zinken. Het lijkt alsof men zoo

met één stap op het dak van een der huizen kan komen; bij elke bocht,

wanneer men het stuk muur, waarlangs men daalt, hooger en hooger boven

zich ziet oprijzen, denkt men, dat men er is; de weg evenwel slingert

zich steeds verder; telkens een scherpe hoek en weer een eind weg. Bij

iederen draai schijnen de rotswanden mee te draaien, waardoor het oog,

dat urenlang over de vlakte getuurd heeft, verward raakt.

Halverwege de helling komen wij langs steil tegen de rots aangelegde

boom- en wijngaarden, hangende tuinen, die wij met bewondering en

eerbied bekijken; immers, het beetje aarde, dat daar vruchten draagt,

is beneden schepje voor schepje in zakken gedaan en op het hoofd van

den eigenaar naar boven gedragen. Van vader op zoon, jaren en jaren

door, werd zóó de aarde hier aangevoerd, waardoor een boomgaard kon

worden aangelegd.

Het gelukkige, in alle opzichten dubbel en dwars verdiende gevolg is,

dat nu de amandelteelt een belangrijke bron van inkomsten is voor de

circa 1000 inwoners van St. Enimie.

Welk verschil met bovenop de Causse. Daar steenen en graan

van 20 c.M. hoogte; hier weelderige wijngaarden, perziken- en

amandelboomgaarden!

Aanvankelijk koesterden wij het plan te voet den cañon van den Tarn te

volgen, doch de weg, welken wij daartoe zouden hebben moeten volgen,

is nog niet geheel gereed, en, voorzooverre hij gereed is, nog niet

voldoende platgetreden, zoodat hij voor voetgangers zeer vermoeiend

is. De meest gebruikelijke weg voor toeristen is de rivier zelf. Ons

Hollanders trok een watertocht natuurlijk onmiddellijk aan. Naar den

nieuwen weg keken wij dus maar niet meer om. De noodige afspraken

waren spoedig gemaakt en den volgenden ochtend in de vroegte, toen

wij verder wilden, lag een bark gereed om ons op te nemen. Daarop

begon onze verrukkelijke boottocht.

Deze barken zijn heel eenvoudige visschersvaartuigen, plat van bodem,

van achteren vierkant, van voren iets smaller en schuin oploopend;

de onderkant wordt beschermd door ijzeren richels en spijkers met

groote koppen; een bankje, over de twee rechtopstaande kanten gelegd,

dient den reizigers tot zitplaats. De bestuurders staan, één voor,

één achter, en stooten de bark met een stok vooruit. De schuitjes

hebben een diepgang van slechts enkele centimeters, hoogstens 5; ze

kunnen niet meer dan 7 personen, de bootslieden inbegrepen, bevatten.

De barken moeten wel een zeer geringen diepgang hebben, omdat de

Tarn zeer ondiep is en veel stroomversnellingen heeft; daarom is ook

de beschreven vorm noodig; geen ander model schuit zou hier over de

ondiepten heenkomen.

Onwillekeurig dachten wij bij het instappen aan de groote Rijnbooten

en moesten hartelijk lachen bij die vergelijking.

Een van de bootslieden toeterde even op een groote schelp, een sein

voor de landslui om hen te wijzen op de gelegenheid om een eindweegs

mee te varen als de boot langs hun akker gaat, een signaal, dat uit

de verte van de bergmuren terugechode en ons eenigszins in de stemming

bracht voor de poëtische vaart op den Tarn.

Daar niemand gehoor gaf aan de roepstem, zetten de bootslui zich

schrap en duwden de bark af; zachtkens gleden wij voorwaarts, recht

op den rotsmuur aan; dan een stoot met den boom--en wij gingen den

hoek om. Wij keken om: St. Enimie was verdwenen en wij dreven in een

nauw dal, dat aan alle zijden ingesloten is door wanden, 500 M. hoog.

Zoo is onze verdere 30 K.M. lange weg naar Le Rozier. Zacht en kalm,

in een heerlijke stilte, glijden wij over het doorzichtige water,

waarin de forellen geluidloos heen en weer schieten. De oevers rijzen

groen uit het water omhoog en gaan over in steile, hooge borstweringen

met kanteelen, die zich in de rivier spiegelen.

De bootslui, lenig en sterk, spannen hun spieren om de bark, die nu

en dan door den stroom meegesleept wordt, tegen te houden. Alleen

het knarsen van hun stooten op het grint verstoort de stilte. Hier

en daar knarst de boot zelf over den rivierbodem, om plotseling

weer meegesleurd te worden door een versnelling op een plaats, waar

rotsblokken het water den doorgang belemmeren. Nooit komen wij daar

doorheen, meenen we. De bootsman staat voorop, zijn stok gereed;

wij raken de rots bijna; daar ploft de stok neer, een duw, en wij

schieten er om heen! Gevaar is er bij deze vaart niet, het water is

zeer ondiep; slechts hier en daar zijn diepe gaten. De bootslui varen

bovendien van jongsaf op de rivier en kennen bijna ieder steentje,

ja, zij weten zelfs bij elken rivierstand--die verandert bij dezen

bergstroom n.l. dikwijls--precies de plaats te treffen, waar zij

hun stok moeten inplanten om een in den weg liggende rots voorbij

te komen. Zij staan dan ook rustig te wachten, terwijl de reiziger

denkt te pletter te loopen, tot de plaats, waar zij snel hun boom

neerploffen en de bark met een flinken duw afzetten.

Wanneer men bij de eerste versnellingen hun rust en kalmte van

beweging ziet en daarbij bedenkt, dat zij, jaar op jaar, dag in dag

uit, steeds hetzelfde doen, dan verdwijnt ieder gevoel van bangheid,

wanneer dit soms mocht opkomen.

De betrekkelijk groote niveau-verandering van den Tarn op den weg naar

Le Rozier veroorzaakt de versnellingen, welke het boottochtje hoogst

interessant maken en menig spannend oogenblik den reiziger bezorgen.

Achter ons sluit de vooruitspringende Causse Méjean den Tarn geheel af;

voor ons rijzen de rotsen van Conroc onmiddellijk uit het water omhoog;

rechts schuiven langzaam de Egouttiers, rotsen vol gaten, waaruit

voortdurend water sijpelt, ons voorbij; links slingert zich een weg

naar boven; en dáár, rechts, die roode rotsrichel, is de nieuwe weg

van St. Enimie naar Le Rozier. Deze nieuwe weg strekt den ingenieurs

tot eer. Hoe moeilijk is het niet met dynamiet een weg te banen door

deze woeste vallei, zonder het karakter van het landschap te veranderen

of haar schoonheid te vernietigen! Door de opeenhoopingen van rotsen

een weg te boren en de rivier in al haar grillige bochten te volgen,

was op zich zelf reeds een verre van gemakkelijke taak. Zij hebben

hun taak zóó opgevat, dat, wanneer over eenige jaren de rotsen, die

zij hebben laten springen, door sneeuw, regen en wind de kleur van

de omringende rotsen zullen aangenomen hebben, de weg van de rivier

af niet te zien zal zijn. Eere hun navolgingswaardig streven!

Wij komen voorbij de Rocher du Gouffre, waar de bark een oogenblik

onbeweeglijk schijnt te blijven liggen op het hier tamelijk breede,

groenachtige water; dan plotseling pakt haar een stroomversnelling,

die ons meesleurt naar den rechtopstaanden rotsmuur. De bootsman

vóór, kaarsrechtopachtgevend, waakt over ons. Eén stoot met zijn stok

tegen den dreigenden muur en het broze vaartuig zwenkt, om langzaam

verder te glijden. Recht voor ons rijzen de muren als een hemelhoog

vestingwerk op en schijnen als een onoverkomelijke hinderpaal ons den

weg te willen versperren. Daar aan den voet, als een groene poort van

den burcht, ligt St. Chély. De bootsman grijpt zijn schelp en stoot

eenige tonen uit, die schel weerklinken tusschen de hooge muren en

lang blijven nagalmen. Wij naderen het plaatsje.

Als een groen eiland ligt het in die woeste omgeving. Een brug

met slanken boog verbindt het met den tegenoverliggenden oever,

waar een weg voert naar de weinige eenzame dorpjes op de Causse

de Sauveterre. Geheel gelegen in de schaduw van oude olmen, is

St. Chély een oase in de woestijn. Even hebben we er den tijd de

eenige bezienswaardigheid te gaan kijken; 't is de grot Cénarète,

waaruit een krachtige bron water naar den Tarn stuwt. Deze bron vormt

in de grot zelf een onderaardsch meertje, 30 M. lang, 5 M. breed

en 6 M. diep; prachtige stalactieten hangen van het 6 à 8 M. hooge

gewelf. In 1888 heeft de heer E. A. Martel, die de meeste grotten

in dit deel der Cevennen onderzocht heeft, geprobeerd verder in de

grot door te dringen met behulp van een opvouwbare roeiboot, doch

hij moest zijn poging opgeven; de spleet, waaruit het water naar het

meertje vloeit, werd op geringen afstand van haar einde te nauw en

verhinderde daardoor het voortgaan. De ingang van de grot, een zaal

van 15 M. hoogte en 15 M. breedte, is gedeeltelijk ingericht als

kapel voor de H. Maagd; het overschietende deel gebruikt de molenaar

van St. Chély als kelder. Gemoedelijker kan het bijna niet!

In St. Chély verwisselen wij van bark en bootslieden. Iedere groep

bootslieden bevaart nl. slechts een deel van de rivier, daar het

moeilijk is de barken weer stroomopwaarts te brengen. Zij hebben als

ze 2 uur lang de rivier afgezakt zijn, 5 uur noodig om weer thuis

te komen; daarom verwisselt men op den afstand van 35 K.M. viermaal

van bark.

Wij steken weder van wal en zeer spoedig sluit zich de muur weer

achter ons; St. Chély is verdwenen.

Weldra zien we, tegen den rotsmuur aangebouwd, een klein dorpje,

Pougnadoires, een plaatsje, dat binnen niet al te langen tijd

verdwijnen zal. De rotswand boven het dorp is gespleten en dreigt neer

te vallen; het mooie Pougnadoires, dat daar nu zoo rustig tusschen

zijn hoogopgaande boomen ligt, is onherroepelijk veroordeeld. Alles wat

beproefd is om het vallen van de rots te verhinderen, lilliputterswerk

om een reus tegen te houden, is vergeefsch.

Iets verderop zien we een menigte openingen, ingangen van holen,

waarvan enkele door menschen bewoond zijn. Zij deden ons denken aan de

rotswoningen te Geulhem; doch hier zijn de woningen fantastischer. De

ingang van zoo'n hol is afgesloten door een soort huisgevel met ramen;

het dak is vooruitgebouwd als een luifel, half rots, half bijgewerkt

met platte steenscherven. De rook ontsnapt bovenuit door een zwart

geworden spleet. Deze woningen bevinden zich 100 M. boven den nieuwen

weg, welke langs den Tarn gemaakt is. Vroeger leefde in die holen de

beer van den oertijd, van welken men nog herhaaldelijk beenderen vindt;

later dienden zij den voorhistorischen mensch tot verblijfplaats,

zooals de gevonden vuursteen bewijst; heden zijn ze betrokken door

Fransche staatsburgers, door citoyens! Boven hen wonen de raven en

kraaien, die zich in kleinere, hooger gelegen holen genesteld hebben.

Wij naderen een scherpen hoek van de rivier en wij keeren ons om,

ten einde een laatsten blik te slaan op het panorama achter ons. Als

we den blik weer stroomafwaarts laten gaan, is plotseling het décor

veranderd. Spoedig zullen we het Château de la Caze bereiken, dat

eensklaps te voorschijn gekomen is.

Dit kasteel, omringd door hoogopgaand geboomte, hangt als het ware

aan de rots en spiegelt zich in de hier 100 M. breede en 20 M. diepe

rivier. Achter en iets boven het kasteel ontspringt een beekje,

dat zich in den Tarn stort. Beneden voor het kasteel bruist een

stroomversnelling, boven dreigen de rotsen zich neder te werpen en

al het lager gelegene te verpletteren. Het kasteel zelf ligt daar

rustig en sterk met zijn vier hoektorens en zijn wachttoren boven den

ingang, een vesting als 't ware om rotsen en water in toom te houden,

om natuurkrachten te beheerschen.

Vroeger, vertelde de bootsman, zag het er erg vervallen uit, doch

sinds kort heeft een maatschappij het laten restaureeren en tot

hôtel inrichten.

Die oude edellieden verstonden het toch maar, mooie plekjes voor hun

burcht uit te kiezen. Is het gezicht van af de rivier op het kasteel

grootsch en indrukwekkend, de kijk van uit het kasteel op de rivier is

onvergetelijk. Eigenlijk zijn de twee zoo verschillende vergezichten

niet vergelijkbaar. Waar het eerste u toont de macht van den mensch,

zich opwerpend als waker over en beheerscher van de woeste krachten

der natuur, doet het tweede u gevoelen de kleinheid en nietigheid

van den mensch tegenover het groote en machtige waarmee de natuur

hem omsluit, en inzien, dat hij slechts leeft en werkt bij hare genade.

Verder op wordt het landschap nog grootscher. Zacht in ons bootje

voortglijdend, zien we het dal zich beneden verbreeden en boven

vernauwen. De rotsmuren welven zich aan weerszijden over de rivier,

zoodat wij soms de rotsen als een dak boven ons hebben. De opening

boven is geen kilometer breed; rechts bereikt de wand een hoogte

van 530, links van 470 M. En daartusschen schuiven wij in ons nietig

bootje verder, wij, heele kleine wezentjes van nog geen 2 meter hoog!

Van het eene plateau naar het andere reikt de menschelijke stem,

zonder dat zij zich uitermate behoeft te verheffen. Twee herders,

die een wandeling van minstens een uur of vier zouden moeten maken

om elkaar de hand te drukken, kunnen gemakkelijk een praatje houden.

Een scherpe punt steekt vooruit. Aan haar voet moet het dorpje La

Malène (= leelijk gat) liggen, een halteplaats. Met groote vreugde

werd dit rustpunt begroet. Onze maag was ondanks het genot van

zooveel natuurschoon dezelfde gebleven; dus waren na een vaart

van 5 uren de forellen, schaapscôteletten en de traditioneele kip

(in Frankrijk krijgt men bijna bij elken maaltijd kip of "poularde")

hoogst welkom. Toen wij La Malène verlieten en verder voeren, heb ik

dan ook zitten piekeren over de vraagpunten, wat beter voor den mensch

is, een mooi panorama of een flinke lunch, en of men natuurschoon

volkomener geniet met een leege dan wel met een volle maag. Ik voor

mij prefereer een volle maag; dichters en schilders misschien niet?

Van La Malène tot Pas de Soucy vloeit de Tarn door de indrukwekkendste,

meest grootsche passages. Wij voeren om de hooge rots De Montesquieu

heen, een zonderling afgerafelde en verweerde steenmassa. Op een

soort plateau op den top staan nog enkele overblijfselen van een uit

de 12de eeuw dagteekenend slot, gebouwd als een arendsnest bijna 300

M. recht boven den Tarn. Eeuwen lang is het reeds verlaten. De heeren

De Montesquieu du Tarn verlieten het tegen het begin der 16de eeuw,

om een nieuw kasteel te stichten in La Malène.

De bootsman wees ons een grot, welker ingang iets lager dan de ruïne

zichtbaar is en die in verbinding stond met het kasteel. Hij vertelde

daarna de geschiedenis van de laatste barones De Montesquieu du Tarn.

Tijdens de revolutie, in 1793, ging La Malène in de vlammen op en

vluchtte de oude 70-jarige blinde weduwe, geholpen door een herder en

een vertrouwden bediende, naar de ruïne en verborg zich in de grot,

die toen nog van uit de ruïne te bereiken was. De herder bracht haar

maandenlang, ondanks den moeilijken, gevaarvollen weg, dagelijks

het noodige eten. Door een valsch alarm misleid, vreesde hij dat

de schuilplaats ontdekt was en bracht 's nachts de oude vrouw twee

kilometers verder in een andere grot, die op het water uitkomt. Elk

spoor werd daardoor uitgewischt. Zij liet op het signaal van den

herder, wanneer hij het voedsel bracht, een touwladder af in de rivier,

welke zij weer optrok na zijn vertrek. Zoo leefde deze energieke

vrouw negen lange maanden eenzaam in een vochtig hol. Zij werd ondanks

dit alles 90 jaar, zag alle kinderen en kleinkinderen verdwijnen, en

moest ver verwijderde verwanten laten komen om de familiegoederen,

die haar door de regeering teruggegeven waren bij de Restauratie,

aan hen over te dragen.

Iets verder wees de bootsman ons een grot, waarin in 1793 eenige

priesters, die zich daar verscholen hadden, vermoord werden.

Na die grot neemt de cañon een majestueus karakter aan; het is

onmogelijk de grillige vormen van de door weer en wind uitgevreten en

verwrongen opeenstapeling van rotsen weer te geven in woorden. Twee

gehuchten, Colonel rechts, Ganjac links, schijnen ongenaakbaar voor

menschen, alleen te bereiken door de roofvogels, die met breeden

vleugelslag boven den cañon zweven. Toch wonen daar, ver van het

gedruisch der groote steden, menschen, gelukkig en tevreden. Met een

hoogmoedigen glimlach zien ze, een oogenblikje uitrustend van hun

zwaren, vermoeienden veldarbeid, de barkjes na met stadsmenschen, die

diep beneden hen voorbijvaren. Deze twee gehuchtjes liggen daar als

schildwachten aan den ingang van het Détroit, het nauwste deel van het

Tarndal, waar wij zachtjes onder de overhangende muren door glijden.

Machtig en grootsch is nu de cañon, waar wij doorvaren. De onderste,

100 M. hooge, rotsen staan links en rechts loodrecht in de rivier;

de hoogerop iets terugwijkende wanden der beide causses stijgen steil

500 M. in de lucht, waar hun door de zonnestralen rood gekleurde,

verbrokkelde randen en punten prachtig afsteken tegen den diep blauwen

hemel. Boven is de afstand ongeveer 1000 M., beneden iets minder. Hier

ziet men duidelijk, hoe de rivier eeuwen door gestreden heeft tegen

de geweldige steenen gevaarten, die haar omknellen. Meters diep heeft

zij den steen uitgeschuurd, het schuursel medevoerend, zoodat wij,

deze uitholling doorvarend, de blauwe luchtstrook boven ons zien

verdwijnen en plaats maken voor een rotsdak. Links en rechts bemerkt

men telkens weer nieuwe holen en grotten. Naar het midden van den

stroom teruggekeerd, ziet men, scherp zich afteekenend tegen de smalle

luchtstrook, hoog boven zich, langzaam en statig eenige gieren zweven,

die in deze woeste streken nestelen. Hoe klein voelt de mensch zich

bij deze overweldigende natuurtafereelen!

Reizigers, die den nieuwen weg volgen, krijgen deze heerlijke passage

niet te zien. Men heeft den weg hier over de rotsen gevoerd om het

natuurschoon geen afbreuk te doen, zoodat het mooiste gedeelte van de

geheele reis hun ontgaat. Wij betreurden het dan ook niet, de rivier

tot weg gekozen te hebben.

Als om het oog afwisseling te bieden, schenken de rotsen na het

Détroit een menigte kleine verrassingen, welke ons door den bootsman

gewezen werden.

Een rotspoort in de rivier gelijkt op de beroemde Presbischthor in de

Sächsische Schweiz, is evenwel kleiner. Zoo zijn er meer treffende

overeenkomsten tusschen de dalen van Elbe en Tarn, maar hoeveel

grootscher en indrukwekkender is de Tarn!

Iets verder een groote, ronde rots; ze schijnt de beeltenis van

Lodewijk XIV met pruik en hoed; in de punten er omheen, zou men

hofdames met sleepjaponnen en magistraten in toga's kunnen zien;

daartoe behoort echter wel wat veel verbeeldingskracht en een zeer

goeden wil. Anders is het bij de volgende fantasie, de "cour des

moines" genaamd. Hier staan werkelijk eenige monniken in een kring,

de kappen over het hoofd. Duidelijk hebben de rotsen menschengezichten

met baarden.

De bootslieden wisselen snel eenige woorden in het voor ons schier

onverstaanbare dialect, dat wat gelijkt op Spaansch doordat de

uitgang -os heel druk gebruikt wordt. Wij naderen een maalstroom;

een paar krachtige stooten brengen ons er spoedig doorheen. Deze

maalstroom heeft in den zomer bij lagen rivierstand niets te beduiden

en verdwijnt bijna, doch in het voorjaar, wanneer de rivier wast

door het toevloeiende smeltwater der op de causses gevallen sneeuw,

moeten de visschers oppassen; in het Détroit stijgt de waterspiegel

soms meer dan 20 M. Dan zit er een andere vaart in het water, waarop

wij nu zoo kalm en vreedzaam verder drijven.

Weinige oogenblikken later beginnen de muren terug te wijken. Wij

komen in het Cirque des Baumes, een circusdal, zooals men er in de

Pyreneeën zoovele vindt.

Deze kolossale arena meet boven aan den rand 5 K.M. in doorsnede,

beneden 3 K.M. De rotsen bieden een schakeering van kleuren en tinten,

waarin het rood overheerscht, terwijl wit, zwart, blauw, grijs en geel

daar doorheen spelen. Op sommige plaatsen plekken zich tusschen de

rotsen opgeschoten struiken donkergroen af te midden van het weelderige

kleurenspel. Tegen de zijwanden klimmen de rotsen trapsgewijze 500

M. omhoog tot den rand van de causse; de zonderlingste vormen nemen zij

aan, verweerd als ze zijn door regen, zon en vorst. Ook het water van

den Tarn heeft zijn invloed doen gelden in den tijd, toen het volgens

de geologen hier een meer vormde. De rotsen lijken op kasteelen,

torens, bogen, bastions, kathedralen, obelisken, pyramides; onder het

spel van licht en schaduw, van tint en lijn, veranderen zij voortdurend

van voorkomen; dat alles werkt mede om één grootsch geheel te vormen,

dat nooit door dichter of schilder zal kunnen weergegeven worden. Hoe

geblaseerd men ook moge zijn, hier dwingt de natuur bewondering af!

Hoog op een soort plateau staat een kleine kapel tegen den rotsmuur

geleund; hierheen gaan de Caussenaars ter bedevaart om genezing te

zoeken voor oogziekten. Dan laten ze zich de oogen wasschen met water

uit de bron, die naast de kapel ontspringt.

Iets hoogerop (370 M. boven den Tarn) is de ingang van een groote

grot. In 1888 heeft de heer E. A. Martel o. a. ook deze grot,

die vooral uit geologisch oogpunt zeer merkwaardig is, geheel

bezocht en er 9 verticale putten ontdekt van 8 tot 30 M. diepte,

die alle in een onderaardsch meer eindigen. Hij liet zich daartoe,

schrijlings op een dikken tak gezeten, door 5 sterke Caussenaars aan

een touw afzakken. Men moet wel den moed bewonderen van een man,

die, aan een touw hangend, zich in de donkere ruimte laat zakken,

in een gat, waarvan hij de diepte niet kent; het minste verzuim van

den kant zijner medewerkers kon hem het leven kosten!

Voor gewone toeristen is de grot niet bijzonder merkwaardig, al acht

ieder geoloog een bezoek loonend. Toch is het interessant voor den

reiziger, wanneer hij den steilen muur bekijkt, te weten, dat daar

achter zooveel mysterie schuilt. De tegenwoordigheid van een meertje

op die plaats is op zich zelf reeds geschikt de hoogste verwondering

op te wekken. 90 M. diep in een grot en 190 M. onder het plateau

der Causse de Sauveterre, dat wekt geen verbazing; maar 280 M. boven

het niveau van den Tarn, dat schijnt ons in strijd met alle vroeger

geleerde wetten van communiceerende vaten.

De bootsman laat ons niet den tijd te peinzen over de mogelijke

oorzaak. Hij vraagt ons te raden, hoe wij nu verder zullen varen. 't

Is een raadsel.

Ons schijnt het toe, dat de reusachtige arena aan alle zijden door

ongeveer even hooge muren is ingesloten. Rechts, meenen wij te zullen

moeten gaan. Mis! de rivier maakt een scherpe bocht naar links. Ieder

reiziger, hooren wij, raadt hier verkeerd. Zelfs de doorgang, waardoor

wij het dal invoeren, is zonder aanduiding van onzen leidsman niet

terug te vinden.

Wij glijden zachtjes den hoek om en meteen is het geheele Cirque des

Baumes aan ons gezicht onttrokken; langzaam naderen wij de derde zeer

merkwaardige passage, de Pas de Soucy.

De rivier wordt geheel versperd door een chaos van reusachtige

blokken, in 't honderd op en door elkaar geworpen. Verder varen is

hier een onmogelijkheid en wij stappen dus aan wal. Alvorens van

ons afscheid te nemen, wijzen de bootslieden ons eenige bijzonder

sterk vooroverhellende rotsen: de Sourde, een reusachtige, zich aan

zoekende blikken van zelf opdringende steenmassa; en de Aiguille,

een 80 M. hooge, geheel alleenstaande spitse punt. Nog een andere rots

trekt bijzonder onze aandacht; 't is een bisschop met een mijter op,

die zegenend de hand uitstrekt over het dal.

Een verschrikkelijke catastrophe moet hier plaats gehad hebben; geheele

rotsmuren zijn in de rivier neergestort, zoodat het water bruisend en

schuimend zich een weg moet zoeken door spleetjes en gaatjes. Vooral

in het voorjaar, als de sneeuw smelt, moet het hier zeer onstuimig

toegaan; in den zomer echter verdwijnt de rivier bijna geheel en kan

men haar schier droogvoets oversteken. Borrelend en kokend herneemt

zij 400 M. verder haar bovengrondschen loop.

Verschillende legenden zijn in omloop betreffende de oorzaak dezer

verwoesting van het stroombed. Een van de aardigste is wel die van

de Heilige Enimie, welke ik in het kort zal trachten weer te geven:

De vestiging van de H. Enimie te Burle had den duivel totaal uit

zijn humeur gebracht. In deze nogal ongeloovige streek, waar hij in

de vele holen en grotten even zoovele gemakkelijke wegen van en naar

de hel had, had hij vrijwel kunnen doen en laten, wat hij wilde. Dat

was nu uit. Hij trachtte daarom de heilige te verleiden, maar dat

gelukte hem niet. Toen probeerde hij het met de nonnetjes, die danig

in de war raakten. De heilige Enimie begreep eindelijk, waardoor

zulk een wanorde in haar klooster werd teweeggebracht en verkreeg

toen na langdurig en vurig bidden de macht den duivel te ketenen,

wanneer hij weer in het klooster zou willen binnensluipen. Maar

moeilijk was het, dan den slimmerd te pakken te krijgen! Op een

goeden dag werd hij ontdekt en vluchtte daarop langs den Tarn. De

H. Enimie joeg hem na. De jacht was lang en afmattend, want Satan

kende alle hoekjes en gaatjes op een prik. Eindelijk kwamen vervolgde

en vervolgster in het Cirque des Baumes. Daar woonde in een grot de

heilige Ilère, de biechtvader van St. Enimie. Dezen was reeds vroeger

order gegeven zijn biechtelinge behulpzaam te zijn. De duivel, die

dit wist, maakte zich heel klein om minder in het oog te vallen,

en daar juist de H. Ilère in het gebed verzonken was, zag en hoorde

deze niets. Hijgende en uitgeput bleef St. Enimie aan den ingang van

het dal staan; de duivel zou haar ontgaan, want hij was reeds vlak

bij de plaats, waar de Tarn buitengewoon diep was door een ravijn,

dat zich daar onder water uitstrekte en waarin hij zich gemakkelijk

kon laten neerzinken om van daar naar de hel te ontsnappen.

St. Enimie viel op de knieën en geheel haar machtig geloof uitte

zich in den kreet: "Te hulp, bergen, houdt hem tegen!" Al de rotsen

vielen voorover, maar de duivel, sterk en vlug, weerstond of ontweek de

kleinere rotsblokken en zijn voet bereikte reeds den bodem der diepte,

waardoor hij ontkomen wilde, toen de rots Sourde over hem heen viel. De

Aiguille, door haar lengte niet zoo vlug kunnende vooroverkomen, riep

haar toe: "Hebt gij mij noodig, zuster?" Waarop de Sourde antwoordde:

"Onnoodig; hij kan niet meer weg!" De H. Enimie hoorde dit en zag den

duivel gevangen. Zij wenkte de rotsen maar te blijven staan. Deze

verstijfden in hun val en staan daar nu nog voorovergebogen. De

rotsblokken, die den Tarn versperren, zijn die van de Sourde. De duivel

heeft evenwel een taai leven en is zeer sterk. Hij wrong zich los,

ondanks het gewicht van de Sourde, en sloeg, alvorens te ontsnappen,

in zijn razende woede met zijn bebloede hand tegen de rots, zoodat

een roode handafdruk in den steen achterbleef. Dit teeken aan den

voet van de Sourde is bij een groote overstrooming in 1875 verdwenen,

doch de rotsen hellen nog voorover en de Tarn wordt nog altijd versperd

door rotsblokken.

De geologen zijn het er in het algemeen over eens, dat hier twee

steenstortingen hebben plaats gehad, de eene in lang vervlogen,

de andere in dichterbij gelegen tijd. Vermoed wordt, dat de tweede

een gevolg is geweest van de groote aardbeving in het jaar 580, die

reusachtige verwoestingen moet hebben aangericht in de Pyreneeën

en de omliggende landen. Dat zou, als 't waar is, overeenstemmen

met den tijd, waarin St. Enimie en St. Ilère waarschijnlijk geleefd

hebben. Men heeft dan de legende van deze heiligen in verband gebracht

met een catastrophe, die een geweldigen indruk op de bevolking moet

hebben gemaakt.

Een wagentje, dat speciaal voor de toeristen op en neer rijdt, brengt

ons langs den chaos eenige kilometers verder naar het plaatsje Les

Vignes, waar de Tarn weer bevaarbaar wordt.

Van Les Vignes voeren weder een weg rechts en een weg links naar en

over de causses; 't schijnt hier reeds van oudsher een druk gebruikt

overgangspunt en dus een middelpunt van verkeer geweest te zijn,

hetgeen de vele dolmens aantoonen en de talrijke vroeger bewoonde

grotten, waarin zeer vele voorhistorische voorwerpen gevonden werden.

Van Les Vignes naar Le Rozier, het eindpunt onzer bootvaart, behoeft

men met de bark slechts twee uren, doch de rivier stroomt zoo snel

en heeft zoovele groote versnellingen, dat de arme bootslieden acht

uren noodig hebben om hun leege bark naar Les Vignes terug te sleepen.

Bij ons vertrek uit Les Vignes was de lucht reeds een weinig betrokken

en vreesden de bootslieden voor onweer. En jawel, wij waren nog geen

10 minuten onderweg, of daar begon het. Wij vonden het geen onaardige

afwisseling, want de vaart kreeg nu iets avontuurlijks. De onweders

zijn in deze streek meestal kort van duur, maar ongemeen hevig, en

gaan vergezeld van zware slagregens. Bij reizen in bergstreken moet

men er op gewapend zijn, en zoo hadden wij dus ook onze voor water

ondoordringbare capes bij ons. Onze bootslieden waren zoo goed als

onmiddellijk drijfnat.

Het dal is nu wat breeder dan meer stroomopwaarts, en ofschoon er

eenige merkwaardige rotspartijen zijn, die ons door den neerslaanden

regen ontgingen, is dit deel der vallei niet zoo grootsch als het

Détroit met het Cirque des Baumes en de Pas de Soucy. Daar staat

tegenover, dat hier de rivier vaker versperd is door rotsblokken en

meer versnellingen vormt, waaronder er zijn, die zelfs zeer moeilijk

gepasseerd kunnen worden, en die dan ook van de bootslieden langjarige

ervaring en groote voorzichtigheid eischen. Kantelt de bark, wat enkele

keeren door onnoodig angstmisbaar van dames wel gebeurt, dan komt men

er af met een flink voetbad, want juist op de plaatsen, die den schrik

wekken, is de rivier zeer ondiep. Maar, zooals gezegd, ongelukken

komen maar heel enkele keeren voor. De bootslieden, die op dit deel der

rivier bijna allen eigenlijk visscher van beroep zijn, zijn verbazend

handig, lenig en sterk, en--zij kènnen de rivier. Zij waarschuwen

telkenmale, wanneer er een grootere versnelling te passeeren is. Men

bemerkt dit bovendien zelf reeds op een aanmerkelijken afstand door

het tegen de rotsen wild opschuimen en uit elkaar stuiven der golven.

Ons verging het hooren en het zien. Boven ons zigzagde onophoudelijk de

bliksem door de lucht en onafgebroken rolde en ratelde de donder door

het dal. Om ons woelde en spatte het opgezweepte water van den Tarn,

terwijl kletterend de regen bij stralen neerviel. In de versnellingen

spatte het schuimende water ons om de ooren. De bootslieden hijgden en

zwoegden en waren een en al aandacht; de regen verblindde hen; toch

geen enkele misstoot. Nu links een stoot, dan rechts een ruk, daarop

bogen beiden naar één kant over; de bark schoot met den opgewipten kant

over een rots heen. Bij elke versnelling kregen wij golfjes water over;

de regen deed er het zijne bij en wij zagen weldra onze handtasschen in

de boot ronddrijven. Onze voeten stonden een hand breed in het water;

wij bemerkten het niet; ondanks onze capes waren wij over ons geheele

lichaam kletsnat.

De voorman greep een hoosblok en begon het water over boord

te hoozen. Eensklaps moest hij zijn schepper laten varen

(letterlijk!) om vlug zijn stok te grijpen; wij naderden weder een

versnelling. Hijgende vroeg hij mij, of ik hoozen kon. "Jawel,"

zei ik en greep de schep. "Blijf zitten," klonk er tot antwoord,

"of wij gaan om!" Juist schoten wij zigzag tusschen in de versnelling

liggende blokken door. "Nu kunt U even uw gang gaan." Dan hoosde ik;

nu en dan kwam kort en krachtig een bevel om te zitten en dan plakte

ik weer neer op de natte bank, om even later opnieuw te hoozen.

Het mooiste deel van den cañon genoten wij bij helderen zonneschijn,

zoodat wij het in zijn onvergetelijke kleurenpracht konden

bewonderen. Hier, waar het water het moeilijkst en wildst is,

troffen wij daarentegen juist onstuimig weer, een weer als waren

alle elementen tegelijk in opstand gekomen. Feitelijk hadden wij het

niet beter kunnen treffen, al was het gevolg ook, dat wij druipnat

aankwamen in het Grand Hôtel du Rozier, dat prachtig gelegen is met

een terras aan den oever van den Tarn.

Bij het afscheidnemen merkte een van de bootslieden op, dat wij

niet voor den eersten keer uit varen waren geweest. "Nu, dat zou

ik ook meenen," antwoordde ik, "wij zijn ook uit het waterland." Ik

vertelde hem toen een en ander over ons land, waar wij bijna overal

water hebben, de huizen op palen bouwen en waar enkele deelen onder

den zeespiegel liggen, enz. Daar zette hij groote oogen van op. Maar

toch, zij hadden aan het water uitscheppen wel gemerkt, dat het niet

voor den eersten keer was, dat ik een hoosblok hanteerde; meestal

kregen zij Parijzenaars in hun boot en dan waren vooral de dames

altijd zeer lastig door haar mallen angst. Ook hadden zij wel eens

Engelschen gehad, maar met die was het ook geen gezellige vaart,

omdat zij doorgaans geen Fransch verstonden.

Zoo zijn zij allen, de visschers van den Tarn; op het eerste gezicht

lijken zij bromberen, even ontoegankelijk als hun rotsen; weet men

echter het gesprek te leiden, dan komen zij los en verstaan het,

door het aanwijzen van merkwaardige punten en door het vertellen van

boeiende verhaaltjes en legenden, den tijd te korten. Over het algemeen

spreken zij een goed en duidelijk Fransch, zoodat vreemdelingen hen

gemakkelijk kunnen verstaan. Alleen onder elkaar bedienen zij zich

van hun dialect, wat zij nog zooveel mogelijk in tegenwoordigheid van

reizigers uit beleefdheid vermijden, omdat, zooals een der bootslieden

mij vertelde, er wel eens toeristen zijn, die zich aan 't gebruik

van het dialect ergeren, meenende dat er over hen gesproken wordt.

Zooals ik reeds opmerkte, hadden de bootslieden voor het laatste

traject, dat men in 2 uur aflegt, 8 uur noodig om weer stroomopwaarts

te komen; één van hen moest dan bij iedere versnelling te water

gaan om de boot te trekken. Dit hebben zij nu sinds kort veranderd;

de voortschrijdende beschaving heeft ook hier reeds haar invloed

uitgeoefend. Zij vereenigden zich namelijk en hebben in Le Rozier een

soort kraan gebouwd. Nu lichten zij heel eenvoudig hun bark op een

gereedstaanden wagen en laten dezen door een flink stel paarden naar

Les Vignes trekken. Zij zelf peddelen op de fiets er achteraan en zijn

nu in een uurtje thuis. Mogelijk is dit geworden bij de openstelling

van den nieuwen weg, die zeker nog wel meer veranderingen in deze

streek zal teweegbrengen.

Le Rozier en het daar tegenoverliggende Peyreleau liggen aan de

samenvloeiing van Jonte en Tarn. Veel water vloeit er hier niet in

den hoofdstroom, want de Jonte is 's zomers bijna droog. Hier komen

drie causses bij elkaar: de Causse de Sauveterre, de Causse Méjean en

de Causse Noire. De laatste wordt aldus genoemd naar de hooge denne-

en pijnboomen, waarmede haar hellingen begroeid zijn en die er een

somber aanzien aan geven.

Le Rozier ligt zoo mooi en het Grand Hôtel, een goed ingericht modern

hôtel, ligt zoo rustig en kalm aan de rivier, dat wij den lust niet

konden weerstaan er een dagje te blijven uitrusten; de uitkijkjes

van het hôtelterras zijn zoo verrukkelijk, dat wij ons zelven niet

behoefden te beklagen over het door den staat onzer kleeding eenigszins

gedwongen oponthoud.

Den volgenden ochtend maakten wij een tochtje naar het plateau

van de Causse Noire; het was wel niet precies, wat men uitrusten

noemt, die 400 M. naar boven, maar wij kwamen er toch op, al was het

voetpad steil en slecht. Het uitzicht van den rand loonde rijkelijk

de moeite. Wij overzagen het laatste gedeelte van de rivier, dat

wij bevaren hadden, van het Cirque des Baumes tot aan Le Rozier,

en rechts den 20 K.M. langen, kronkelenden cañon van de Jonte. Om

ons heen en aan de overzijden der valleien weer de platte, akelige

verlaten steenvlakten!

Des middags gingen we er weer op uit; met in het hôtel geleende hengels

op de forellenvangst. Nu moet ik even eerlijk bekennen, dat wij nog

nooit op forellen gevischt hadden, ja, heelemaal niet veel aan visschen

deden. In Parijs heeft men daartoe niet zoo de gelegenheid. Maar wij

brachten toch een prettigen middag door. Een paar uur lang klauterden

wij onder struiken door van steen op steen om ten slotte thuis te komen

met acht heel kleine vischjes, niet grooter dan spieringen. Evenwel,

wij hadden de groote forellen gezien, en dat telt toch ook mee!

Den volgenden morgen vertrokken wij met den Alpenzak op den rug door

de vallei der Jonte naar Meyrueis. Veel loopen of wandelen schijnen

de menschen hier niet te doen; of zij zien de stadsmenschen voor zeer

zwak aan. Ten minste men verwonderde zich algemeen er over, dat wij 20

K.M. wilden loopen. Geen inwoner zou dat doen, al is hij nog zoo arm;

hij neemt de diligence; de toeristen huren een rijtuig. Het beviel

onzen hôtelier dan ook in 't geheel niet, dat wij te voet gingen;

hôtelier en wagenverhuurder was hier, als op zoovele andere plaatsen,

één.

Ook onze Alpenzakken trokken groote belangstelling. Deze voor den

toerist zoo gemakkelijke transportmiddelen--voor de hoogstnoodige

bagage en eenigen mondvoorraad--schenen hier onbekend te zijn,

en wij zagen menigen glimlach, waaraan wij ons natuurlijk niet in

't minste stoorden. Misschien komt het, doordat men hier het klimaat

te warm acht voor voettochten; die worden hier niet gemaakt zooals

in Zwitserland en in de Fransche Alpen, doch--menigmaal heb ik het

daar heel wat warmer gehad.

Onze overige bagage hadden wij met de diligence vooruitgezonden.

Het dal van de Jonte is regelmatiger dan dat van den Tarn, ook minder

woest; doch daarentegen komen hier de prachtige kleurschakeeringen

beter uit.

Wij passeerden verschillende bijzonder mooie rotsgroepen, waarvan de

St. Gervais het sterkst onze aandacht trok. Reeds in de verte zagen

wij de rots als een reusachtig rond kasteel in het dal vooruitsteken;

dichterbij gekomen bemerkten wij, dat deze 300 M. hooge top door

een ravijn bijna geheel van de Causse Méjean gescheiden is en dus

als een geweldige toren zich uit het dal verheft. De acht huizen van

het gehucht Douze liggen nietig en klein aan den voet. Boven op het

platform staat een oude kapel, omgeven door het eenvoudige kerkhof

van Douze.

De bewoners van dit plaatsje brengen hun dooden langs het moeilijke

voetpad, dat zich langs de rots omhoog windt, in een zak naar boven,

om daar gekist en aan de aarde toevertrouwd te worden.

Ook deze kapel is een bedevaartplaats. Daarheen trekken op den

19en Juni alle boeren uit de omliggende gemeenten; de herders op

de beide causses drijven hun kudden tot aan den rand van het plateau

tegenover de kapel; en de priester, staande op het hoogste punt van den

St. Gervais, leest een plechtige mis, sprenkelt met den wijwaterkwast

naar de vier hemelstreken en smeekt de zegeningen des Hemels af over

menschen, dieren en gewassen.

Op den Tarn De Aarde en haar Volken, 1909 · 第 1 / 3 段