grote schild, het lijf bijna geheel bedekkende, in de rechterhand de
steek-assagaai met breed lemmer houdende, toen de roeren losbrandden,
en hen als met een zeilsslag neermaaiden, en in een spartelende hoop
neerstorten deden.
Op dat ogenblik drong een ruiter, uit de achterhoede gekomen, naar
voren, en bereikte de zijde van Uijs. »Kommandant!" riep hij uit,
»Kommandant Potgieter laat u weten, dat een impi ons ook van achteren
aanvalt, en dat de terugweg afgesneden is. Kijk, we zijn omsingeld!"
riep hij vervolgens uit. Het was zo: de beide bergruggen krioelden van
gewapende Zulu's, de Boeren waren van voren en van achteren en van
beide zijden bezet.
»Zeg aan Potgieter," riep Uijs uit, »dat hij me van achter moet dekken.
Onze weg ligt naar voren. Wij zullen in die zwarte massa bres schieten
en doordringen tot de stad. Hij moet mij zoals ik voortruk, bestendig
volgen, zodat er geen breuk in onze gelederen komen kan."
Met moeite bereikte de boodschapper Potgieter, die door gestadig te
laten vuurgeven slechts in staat was de Zulu's te beletten tot bij zijn
manschappen voort te dringen. Met het antwoord van Uijs bracht zijn bode
hem tevens het noodlottig bericht, dat hij bemerkt had, dat de Zulu's
die van de bergzijden waren afgestormd, de eenheid van het kommando
hadden verbroken, en de voorste van de achterste afdeling hadden
gescheiden.
Potgieter zei: »Dan blijft ons niets anders over, dan de zwarten die ons
van achteren aanvallen terug te drijven en te verslaan, en daarna de
voorhoede te hulp te snellen. Moedig, mannen!" riep hij uit, »vermorst
geen kogels, maar schiet raak!"
De Boeren hadden geen aanmoediging nodig. Zij beseften, dat het een kamp
op leven en dood was, en losten de roeren zo snel als zij die konden
laden.
Met uitzondering van enige induna's en hun lijfwachten, die ook
werpspiesen droegen, waren de Zulu's slechts gewapend met de
steekassagaai, de umhkonto door Tshaka ingevoerd. Was het hun gelukt
tussen de Boeren in te dringen, dan zouden zij met dit wapen een
vreselike slachting hebben aangericht, en dan zou waarschijnlik niemand
van de blanken zijn ontkomen; maar tans, door het wel onderhouden
geweervuur op een afstand gehouden, was hen dit wapen nutteloos. Wel
werden er enige assagaaien geworpen, en sommige Boeren gewond, maar
hoewel gehele rijen Zulu's onder het dodend lood bezweken waren, was er
nog geen enkele blanke gedood.
De strijd was tans verdeeld in twee afzonderlike gevechten: dat van
de voorhoede en dat van de achterhoede. De Zulukrijgslieden hadden de
benedenhelft van de bergbrug ter linkerzijde geheel ontbloot, en hadden
zich aangesloten bij de aanvallers van Potgieter, die voet voor voet
strijdende, tot tegen de bergrug ter rechterzijde was teruggedrongen.
Potgieter gaf bevel om met de grootste snelheid enige salvo's op de
Zulu's die hun de pas van achteren afsneden, te vuren, dan op hun
paarden te springen, door de Zulu's te breken, zich weder te verzamelen,
en dan de vijand in het front hebbende, de strijd voort te zetten, en
hen terug te drijven, tot men zich met de afdeling onder Uijs verenigen
kon. Deze beweging, met spoed en beslistheid uitgevoerd, had het
gewenste gevolg. Vóór de Zulu's, verward door de hevige losbrandingen,
zich konden herenigen, drong de gehele afdeling ruiters op hen in,
stootte hen overhoop, en baande zich een doortocht naar het open veld.
Slechts enige Boeren, met assagaaien doorstoken, bleven in de bres
achter.
Toen men zich door de vijand geslagen had, trachtte Potgieter zijn
manschappen te verzamelen en opnieuw tegen de vijand te leiden; doch dat
bleek weldra onmogelik te zijn. De mannen in zijn onmiddellike nabijheid
gehoorzaamden hem, maar de anderen op enige afstand, zijn bevelen niet
kunnende of niet willende horen, reden voort, en toonden spoedig dat
de weluitgevoerde krijgsbeweging ontaard was in een vlucht. Nog bood
Potgieter met zijn handvol dapperen een geduchte weerstand tegen
de aanstormende Zulu's; maar het bleek spoedig, dat ook hij moest
terugtrekken, wilde hij niet opnieuw omsingeld en met de zijnen gedood
worden. Al schietende reed hij de vluchtelingen achterna, door de Zulu's
gevolgd.
Intussen was de afdeling onder Uijs in bloedige strijd gewikkeld. Hij
had spoedig bemerkt dat de voorhoede van het overige gedeelte afgesneden
en door de vijand omringd was. Zijn positie was gevaarliker dan die
van Potgieter, daar hij zich in het nauwste gedeelte van de bergkloof
bevond, en derhalve zijn mannen niet dicht aaneengesloten kon verenigen.
Hij en de zijnen weerden zich dapper, en Dirk streed aan zijn zijde
met de koelbloedigheid van een ervaren krijgsman. Op eens drong een
sterke bende Zulu's ter rechterzijde de bergkant af, en viel de
blanken van terzijde aan. In een ogenblik waren Jozef Kruger en François
Labuschagne, die hun geweren hadden afgesloten, onder de assagaaien
bezweken. De Zulu induna hief zijn umhkonto op tegen Dirk en wilde hem
doorsteken, toen met een uitroep die in het slaggewoel verloren ging,
de trouwe Galant zich tussen de Zulu en zijn kleinbaas wierp, en de
dodelike stoot in zijn borst opving. De oude dienaar zeeg in elkaar, en
op hetzelfde ogenblik verpletterde de kogel van Dirk de hersenpan van de
induna. De jongeling sidderde, en tranen verduisterden zijn ogen, toen
hij op het stuiptrekkende lichaam van Galant aan zijn voeten nederzag.
Doch tans geen tijd voor aandoening of weeklagen. Strijden, strijden
om het lieve leven. Laden en op de vijand losbranden. Steeds nauwer en
nauwer werd de kring waarin de Boeren zich bevonden, en schoon gehele
gelederen der zwarte vijanden het slagveld bedekten, trad voor iedere
Zulu die werd neergeschoten, een ander koelbloedig over zijn ontzield
lichaam in zijn plaats.
De dappere Karel Landman, die zich als een leeuw verweerde, was met
enige mannen tegen de helling van de berg opgedrongen, zodat hij de
gehele kloof kon overzien. Een vreugdekreet der Zulu's, die hun vorig
krijgsgeschreeuw overtrof en boven het rumoer van de strijd uitklonk,
trok zijn aandacht. Hij sloeg zijn blik naar de plaats waar de
achterhoede slaags was, en waar Potgieter zich juist door de vijand had
geslagen. »Mijn God! Zij vluchten!" riep hij uit, »alles is verloren!"
Zijn ervaren oog bemerkte, dat de vijand het gebergte aan de linkerzijde
verlaten had. Hij baande zich een weg tot Uijs, en riep hem toe:
»Kommandant, de achterhoede is op de vlucht geslagen. Wij moeten
retireren, of allen hier sterven. Ter linkerzijde is de berg door de
vijand verlaten, in die richting moeten wij ons een doortocht maken."
Tijd voor lang overleggen was er niet. »Broeders," antwoordde Uijs,
»neem het op je, de manschappen te doen verstaan wat zij doen moeten.
Laten zij zich door de vijand slaan. Ik en zij die mij omringen, zullen
de aftocht dekken."
In weinige ogenblikken hadden de Boeren zich tegen de linkerzijde van
de aanval verenigd, hun geweren afgeschoten en hun paarden bestegen,
en waren ze door de vijand gedrongen. Een ieder gaf, zodra hij in het
vrije veld kwam, zijn paard de teugel en rende weg. Slechts Uijs en
zijn weinig dapperen, bij wie Karel Landman zich gevoegd had, trokken,
gestadig vurende en de vluchtelingen beschermende, zich langzaam terug,
door de vijand op de voet gevolgd. Opeens bemerkte Landman, dat Uijs
ineenkromp, en voorover boog op de hals van zijn paard. Met een
krachtige beweging hief hij zich echter dadelik weer op, en trok
met eigen hand een assagaai uit, die hem in de lendenen getroffen
en een diepe wonde veroorzaakt had, juist toen hij zijn paard had
doen stilstaan, om de vuursteen van zijn geweer te scherpen. Bijna
gelijktijdig zakte Louis Nel, die bij hem reed, met zijn paard ineen.
Maar spoedig was Nel weer ter been, slechts zijn paard was dodelik
getroffen, hij zelf was ongedeerd. »Om 's Heren wil, Kommandant!"
riep hij uit, »laat me niet in de handen van de vijand vallen." »Nee,
broeder," antwoordde Uijs, »dat zal ik niet. Welsier is sterk en moedig,
en kan ons beiden dragen. Spring achter op mijn paard." Slechts enige
schreden hadden zij zo voortgereden, toen Nel, dodelik door een assagaai
getroffen, zijn handen ten hemel hief, en van het paard tuimelde.
Uijs was intussen doodsbleek geworden. Met moeite hield hij zich in de
zadel. De wond die hij ontvangen had, was dodelik. Zijn levensbloed
stroomde uit de wond, en droop af langs de zijde van zijn paard. Zijn
manschappen, dit ziende, kwamen twee hunner en reden aan iedere zijde
één, en trachtten hem te ondersteunen. De wakkere voortrekker wist
echter dat het te laat was. Hij voelde zijn einde naderen. Met nog
altijd krachtige stem zei hij: »Ik dank je, broeders, maar met mij is
het voorbij, ik moet toch sterven. Ge kunt nog ontkomen. Red je. Sla
je door de vijand heen. Houd God voor ogen!" Met weemoed lieten zijn
krijgsmakkers hem los en reden voorwaarts. Zijn trouwe Welsier deed nog
enige stappen, toen rolde Uijs van hem af.
Dirk was enigszins vooruit gereden. Toen de andere ruiters hem
bereikten, miste hij zijn vader. »Waar is mijn vader?" vroeg hij
angstig en keek achterwaarts. De stervende krijgsman, bijna reeds door
zijn vijanden omringd, had het hoofd opgeheven, misschien om, schoon
worstelende met de dood, nog een laatste blik te werpen op zijn Dirk,
zijn zoon. »Ik sterf met mijn vader!" riep de knaap met geestedrift uit,
toen zijn oog dat van zijn vader ontmoette; en vóór zijn metgezellen het
konden verhinderen, had hij zijn paard omgewend en stormde hij alleen
tegen de vijand in. Driemaal weerklonk de knal van zijn geweer; dat was
het enige dat de krijgsmakkers van het uiteinde van hem en zijn vader
later konden mededelen.
Twee moedige harten hadden opgehouden te kloppen, en terwijl de
barbaarse vijand zich vermaakte met het verminken hunner lichamen,
stegen twee reine zielen, die van vader en zoon, opwaarts naar de troon
van God; naar die eeuwige woningen, waar geen strijd of smart, geen
lijden of leed immermeer zijn zullen.[7]
Hun as werd door de wind verstrooid. Geen erezuil, geen grafgesteente
kenmerkt de plek, waar zij het leven lieten. Hun schoonste monument,
onvatbaar voor de tand des tijds, is echter hun moedig mannelik leven
en sterven, en zal in de geschiedenis van Zuid-Afrika's edelste zonen
steeds een eerste plaats innemen.
XIV.
Slag van Endouda Kusuka.
Wat hadden intussen de Engelsen aan de Baai gedaan? Hadden zij met de
Boeren woord gehouden? Voorzeker, ja! Op de afgesproken tijd vertrok hun
kommando van de Baai, onder bevel van Robert Biggar en John Cane. Het
telde slechts weinig blanken, niet meer dan achttien, allen van erkende
moed, en met het land en de taktiek der inboorlingen goed bekend. Deze
blanken hadden onder zich omtrent dertig Hottentotten en drie duizend
kaffers, de meesten Zulu's waarvan omtrent vier honderd met geweren
gewapend waren. Makoni en Dutulu met hun volgelingen waren aan de spits
van het kommando; bij hen bestond nog de hoop, dat de ontevredenen in de
Zulu impi, op het zien van hen, zouden overlopen en met hen gemene zaak
maken.
Toen zij de Tugela doorgetrokken waren, stuitten zij op een afdeling
Zulu's die op verkenning uit waren, en na een schermutseling
terugtrokken. Het kommando vervolgde zijn tocht, en bereikte weldra
Endouda Kusuka, waar slechts een regiment Zulu's aanwezig was, zijnde de
hoofdimpi, op bevel van Dingaan enige afstand landwaarts in getrokken,
om in geval van nood, hem in de strijd tegen de Boeren te hulp te
kunnen snellen. De Boeren echter verslagen zijnde, was deze impi reeds
weer op weg om zijn vorige stelling in te nemen.
Endouda Kusuka werd, vóór de morgenschemering brak, omsingeld, en van
alle zijden met de geweren hevig beschoten. De kogels drongen door de
wanden der strohutten en pondokken, en vele vrouwen en kinderen, die in
hun broze woningen veiligheid hadden gezocht, vonden daar de dood of
werden verwond. Nadat dit geweer-bombardement geruime tijd had geduurd,
werd bevel gegeven om de kraal te bestormen. Met gejuich stortte
het kommando zich van alle zijden over de zwakke verschansingen, en
ontmoette slechts geringe tegenstand. Schoon de blanken ook al trachtten
onnodig bloedvergieten te voorkomen, konden zij hun zwarte hulptroepen
niet beteugelen. Deze hadden maar al te wel van de Zulu-aanvoerders
geleerd, dat oorlogvoeren met het verdelgen van ieder tot de vijand
behorend menselik wezen gelijk staat, en zij staken allen overhoop die
zij bereiken konden. Makoni was handgemeen geworden met een forsgebouwde
vijandelike krijgsman. Hij herkende in hem Losabi, de induna van het
regiment dat in de kraal gelegerd was. Hevig was de strijd, want beiden
waren dappere mannen, bedreven in de hantering van assagaai en schild.
Eindelik trof Makoni zijn tegenstander met zoveel kracht in de borst,
dat de assagaai door zijn lichaam drong, en de punt tussen zijn
schouderbladen uitstak. Losabi stond enige ogenblikken te waggelen;
zijn hand liet de assagaai los; hij greep in de lucht als zocht hij een
houvast om het evenwicht te bewaren, toen viel hij ruggelings ter aarde,
en zijn groot schild, nog aan zijn linkerarm bevestigd, deed met de
val een dof gedreun horen, als sloeg het de roffel van zijn dood. De
stervende Zulu sloeg zijn reeds brekend oog op zijn tegenstander, en
zei met gorgelende stem: »Ah, Makoni! met mij kunt ge doen wat ge wilt.
Mij kunt ge doden. Maar spoedig zal de poot van de Grote Olifant je
verpletteren."
De strijd was tans geëindigd, er was niemand overgebleven die zich
verdedigen kon. Het vuur werd in de hutten gestoken, en weldra steeg een
zwarte rookkolom uit Endouda Kusuka in de lucht.
Dacht het kommando dat de dag gewonnen, de strijd voor ditmaal geëindigd
was, weldra zou het blijken anders te zijn. De kraal was door een
heuvelreeks omringd, waarvan landwaarts in, steile hellingen en diepe
kloven, naar de lager gelegen vlakten afschoten. In deze vlakten had
de terugkerende Zulu impi overnacht, en was reeds weer op mars toen de
aanval op de kraal plaats vond. De impi bestond uit zeven regimenten, en
was ongeveer tienduizend man sterk. Toen zij de voet van de heuvelreeks
bereikten, zagen zij de rookwolken aan de andere zijde omhoog stijgen.
Umhlebe, die hoofd-induna was, riep uit: »De Engelsen hebben Endouda
Kusuka aangevallen en in brand gestoken! De impi spoede zich, opdat wij
heden nog de vijand verslaan!" Met versnelde pas rukten de Zulu's tegen
de heuvel uit, en de top bereikt hebbende, zagen zij hun kraal in bezit
van de vijand, en hun vee reeds verzameld en voortgedreven naar de drift
van de Tugela. Een gebrul van woede ging uit het Zululeger op. De
induna's Umhlebe, Zulu en Nongalazi kwamen op een heuveltop, vanwaar
zij alles konden overzien, bijeen, en gaven bevel dadelik de vijand te
bestormen.
Intussen hadden de Engelsen de naderende Zulu's bemerkt. Met de grootste
haast verzamelden zij hun verspreide manschappen in slagorde voor de
brandende kraal. De blanken en Hottentotten met hun geweren vormden
de voorste gelederen, en werden door hun zwarte bondgenoten gedekt.
Nauweliks was hun slagregeling voltooid, of de voorhoede van de Zulu
impi kwam als een zwarte lawine van de heuvelhelling op hen afstorten;
doch hij werd ontvangen met zulk een welgericht en goed onderhouden
geweervuur, dat hij weldra zwenkte en zich terugtrok, het slagveld met
zijn doden en gekwetsten overdekt latende.
Er kwam een ogenblik van verademing, maar ook slechts een ogenblik. De
impi vormde zich in de slagorde door Tshaka uitgedacht en ingevoerd,
die van een halve maan, waarvan het middengedeelte recht op de vijand
aantrok, terwijl de beide hoorns hem gestadig omsingelden. John Cane zag
de beweging die de Zulu's gingen uitvoeren. Dadelik zond hij Ogle met
een afdeling der hulpbenden tegen de zuid-westelike hoorn af, en hijzelf
richtte een aanval tegen de noord-oostelike. De afdeling van Ogle
dreef de vijand terug, en reeds verheugde men zich over het behaalde
voordeel, toen door een oorzaak, die nimmer is verklaard, zijn afdeling
uiteenstoof, en het op een lopen zette naar de drift van de Tugela.
»Zie, hoe ze kunnen lopen!" riep de Zulu bevelhebber juichend uit,
en beval de algemene bestorming. Ogle, te trots en te moedig om te
vluchten, vond de dood, zich dapper verwerende. John Cane met Biggar en
Stubbs, bijgestaan door de afdeling van Makoni, wierp zich naar voren,
om de vijand te ontvangen. Hij kreeg een assagaai in de borst, die hij
met eigen hand uittrok, maar op hetzelfde ogenblik wierp een Zulu hem
met een assagaai tussen de schouders. Het wapen stond te trillen in zijn
vlees. Dutulu, die achter hem was, vloog toe, om de spies uit de wonde
te trekken; Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet,
en denkende dat het een vijand was, loste hij zijn geweer, over zijn
schouder, en schoot het hoofd van Dutulu te pletter, op hetzelfde
ogenblik dat diens hand de assagaai aanraakte. De trouwe Zulu viel ter
aarde, en ter zelfder tijd rolde Cane stervend naast hem neder. Nog
enige minuten en ook Stubbs en Biggar lagen met wonden overdekt,
zieltogend op de met bloed doorweekte bodem uitgestrekt.
Toen de blanke aanvoerders gevallen waren, nam het gehele kommando de
vlucht, en kon, daar het tans door de hoorns van de Zulu slagorde aan
beide zijden was ingesloten, slechts één richting nemen, en wel naar de
oever van de Tugela, die op dit punt, ongelukkig voor de vluchtelingen,
uit bijna loodrechte, honderd voet hoge rotsen bestond. Tijd tot
aarzelen of bedenken, was er echter niet. Achter hen en van beide zijden
naderde de onfeilbare dood; vóór hen bestond er nog enige, schoon maar
geringe kans op levensbehoud, en de vluchtelingen stortten zich over de
rotsen. Van de eerste honderden die de gevaarlike sprong waagden, bleef
slechts een zeer klein gedeelte behouden, de meesten vielen verpletterd
aan de voet der rotsen, en eerst toen de hoop doden, zieltogenden
en verminkten de afstand had verminderd, en de val of sprong brak,
bereikten de meeste vluchtelingen de rivier. Doch ook hier was men
nog niet veilig, want een sterke afdeling der Zulu's was de rotsen
omgetrokken, en had zich te water begeven, de stroom rood kleurende
met het bloed der onder hun assagaaisteken bezwijkende vluchtelingen.
Op deze wijze vond hier Blankenberg, een der laatst overgebleven
aanvoerders, de dood.
Ons verhaal spoedt ten einde. Na hun overwinning te Endouda Kusuka toog
het Zulu leger door de Tugela, en rukte op naar de Baai van Natal. De
weinige overgebleven blanke mannen vluchtten met de vrouwen en kinderen
op een klein eiland in het midden van de Baai. Van hier moesten zij het
aanzien, hoe alles wat zij bezaten door de Zulu's weggevoerd of verwoest
werd, en hoe weldra slechts enige kale muren en rokende puinhopen de
plaats aanwezen waar hun vreedzame nederzetting had gestaan. Diezelfde
nacht werden de blanken aan boord genomen van »The Cornet", een vaartuig
dat, gelukkig voor hen, juist in de Baai voor anker lag, en dadelik
daarna zee koos. Het overblijfsel hunner bondgenoten vluchtte landwaarts
in, en Makoni trok, met het overschot zijner volgelingen naar het lager
der Boeren.[8]
Aanhangsel.
Noot [1] (Bladz. 33).
Marthinus Oosthuizen. Door tussenkomst van mijn vriend, de WelEd. Heer
M. J. Beukes, Lid van de HoogEd. Volksraad, O. V. S. voor het dorp
Vrede, die ik om enige inlichtingen had verzocht, kreeg ik een brief
aan hem gericht, door, zoals hij schrijft, »de oude held Marthinus
Oosthuizen, die omtrent 83 of 84 jaar oud is, eigenhandig geschreven."
Schoon zijn verhaal enigermate van het mijne verschilt, laat ik zijn
brief hier in zijn geheel en letterlik, ook wat spelling betreft,
volgen.
ENON den 19 Jannuary, 1897.
Den WelEdele Heer, M. Beukes.
Waarde vriend.