Deze wees op Dutulu, en zei: »Hier staat de boodschapper, hij dele aan

de Molonga mede, wat hij gaat doen."

Dutulu aarzelde geen ogenblik en zei: »De bergen zijn woest en hoog,

de bossen dicht begroeid, maar er is geen voetpad dat niet gekend

wordt door Dutulu, de zoon van Manondo. Overdag zal ik me, waar

nodig, verschuilen, en door de karos van de nacht gedekt, zal ik me

voortspoeden. Als de zon driemalen zal zijn ondergegaan, zal ik Panda

van alles onderrichten; en nadat de zon viermalen daarna zal zijn

opgegaan, zal ik zijn antwoord aan Biggar brengen. Als ik dat niet

doe, zal Dutulu opgehouden hebben te leven. Ook aan Dingaan zal ik een

boodschap brengen. Hij moet weten dat Mazesi, zijn boze geest, er niet

meer is. Het hoofd van Mazesi zal ik op mijn assagaai steken, en die

planten voor de hut van hem, die Manondo heeft laten ombrengen."

Met krachtige stem, vergezeld van levendige gebaren, had het jonge

opperhoofd deze woorden gesproken. Hij had indruk gemaakt; de

Boeren-aanvoerders waren van zijn oprechtheid overtuigd.

»Maar waarom u nodeloos in gevaar te brengen, door u te wagen in de stad

van Dingaan?" vroeg Uijs.

»Induna der Molonga," antwoordde Dutulu, »Dingaan zal weten dat Manondo

op Mazesi is gewroken, en kunnen opmaken wat hemzelf te wachten staat.

Hij zal van schrik verstommen; en wat mij aangaat, ik weet de middelen

om tot zijn hut door te dringen. Vrees voor mij niet, dat is het

geringste gevaar dat ik zal moeten te boven komen."

»Dutulu spreekt recht," zei Makoni, »zijn de blanke aanvoerders met

zijn antwoord tevreden, laten wij dan verder overleggen, want de dag

gaat voorbij."

Tot zijn smart zou Makoni, die geheel oprecht was, nog moeten uitvinden,

dat het Panda, die een zwak karakter was, maar al te veel aan moed en

vastberadenheid ontbrak. Maar hierover later.

Onnodig is het verder over de bespreking hunner plannen uit te weiden.

Voldoende zij het te vermelden, dat het resultaat der beraadslagingen

hierop neerkwam: Op de 5de April 1838, zouden de Boeren optrekken

uit hun lager naar Umkungunhlovo, en op diezelfde dag zouden de

Engelsen aan de Baai, die slechts een handvol blanken telden, met hun

Zulu-bondgenoten oprukken, de Tugela oversteken, en uit het Zuiden een

inval in Zululand doen. Dutulu zou dadelik vertrekken om Panda van het

plan bericht te brengen en zijn medewerking te verzekeren. Daarna zou

hij zich aansluiten bij Biggar.

Spoedig daarna verliet Dutulu het lager. Makoni deed hem uitgeleide tot

bij een groep bomen, niet ver van het kamp. Hier was daags te voren door

de broeders de strafoefening aan Mazesi voltrokken. Makoni had gelijk

gehad: gedurende de nacht had het roofgedierte zich aan het lichaam van

de tovenaar te goed gedaan, en zijn van vlees ontbloote geraamte lag

tans te verschroeien in de stralen van de hete middagzon. Het hoofd

ontbrak echter aan de romp; weldra zou dit echter worden opgehelderd.

Dutulu begaf zich naar enige rotsen, wentelde een steen ter zijde, en

bracht het afgehouwen hoofd van Mazesi te voorschijn, overvloedig met

zeezout bedekt, om het tegen spoedige ontbinding te bewaren. Makoni

reikte Dutulu een assagaai met buitengewoon breed en lang lemmer, en

zei: »Daar is de assagaai van Manondo, plant die met het hoofd van

Mazesi er op, voor de hut van Dingaan." Zonder verder een woord te

wisselen, keerde Makoni terug naar het lager, en Dutulu spoedde zich

voort in de richting van de Tugela.

Lezer, hebt ge u al ooit des nachts alleen in de wildernis bevonden?

Het bewustzijn van alleen te zijn, oefent op zichzelf een neerslachtige

invloed uit op de mens, van die de Allerhoogste sprak: »Het is niet

goed, dat de mens alleen zij." Maar _alleen_ zijn in de wildernis, zoals

Dutulu de nacht was,--zie, het vereist sterke zenuwen, een moedig hart

en vaste wilskracht om niet in de eerste schuilplaats die zich voordoet

het lijf te bergen, en te wachten tot het zonlicht weer over de aarde

glanst. Slechts het geoefend, onverschrokken oog kan door de nachtelike

sluier dringen, en de voorwerpen in zijn onmiddellike nabijheid

enigermate onderscheiden, en hoe fantasties wanstaltig doen die, als uit

de nevelen te voorschijn stijgende, zich dan gewoonlik voor! Wij spreken

van een nachtelike stilte: voor het geopend oor bestaat die niet. In de

natuur blijft altijd leven, beweging en geluid. De natuur leeft en zal

blijven voortleven, totdat het tijdstip aanbreekt, waarop de Schepper

het: »Tot hiertoe en niet verder," over het door Hem geschapene voor

zover onze aardbol betreft, zal uitspreken. Zelfs in de nacht blijven

verschillende geluiden, als waren zij de echo van de dag, voortduren.

Leven en geluid; leven en beweging, is wat het menselik oog aanschouwt,

het menselik oor verneemt, gedurende de dag en in de nachtwaken. De

stroom des levens gaat immer voort van geslacht tot geslacht, al

wisselen ook dag en nacht, tot in alle eeuwigheid.

Maar, wij zijn alleen in de wildernis. Wij zien die uit het duister

opdoemende gestalten, wij horen die geluiden, geboren uit de schoot

van de nacht. Welke ons bedreigende gevaren sluiten zij niet in zich?

Verbergt dit zien, dat toch eigenlik geen zien is, voor ons half

ontsluierd oog niet misschien het wapen, dat ons zo aanstonds dodelik

treffen zal; de juiste vorm van het wild gedierte, dat zich binnen

weinige ogenblikken op ons zal werpen, en wie ons uiteengereten lichaam

tot maal zal strekken? Vriendelik flikkeren de sterren, die wachters van

Gods troon, aan de trans des Hemels, maar toch, hun licht strekt slechts

om ons duidelik te doen beseffen hoe zwart de donkerheid is. Wij zijn

ons ten volle bewust van onze nietigheid, onze tans volkomen gevoelde

zwakheid; wij richten de blik naar boven, naar dat helder sterredak,

waaruit een schemering van het licht dat afstraalt van het Eeuwige

Licht, door nacht en duisternis tot ons doordringt en een ongekend

vertrouwen op de Schepper van dat licht en van ons zelf, welt in onze

boezem op, en schoon dikwerf tastende, schrijden wij voorwaarts.

Wekt het alleen zijn in de wildernis gedurende de uren van de nacht

bij ons dat verheven gevoel op, met Dutulu was dit niet het geval. Wat

bekreunde hij zich om dag of nacht! Hij, de Zulu krijgsman, gevormd

in de bloedige school van Tshaka, had als eerste plicht geleerd de

dood te verachten, de vrees niet te kennen. Volgens zijn barbaarse

gemoedsindrukken vervulde hij tans een heilige plicht. In de zak die

hij over zijn schouder droeg, bengelde het afgehouwen, ingezouten hoofd

van Mazesi, de man die oorzaak was geweest van de dood van zijn vader,

en nog de onbeschaamdheid had gehad, hem met zijn schim te bedreigen.

Wat bekommerde hij er zich over, of die tovenaar in zijn laatste

ogenblikken hem met zijn vervloekingen en bezweringen had overgoten.

Hij was krijgsman, en kon maar eenmaal sterven. Het hoofd van Mazesi zou

hij planten voor de intunkulu van Dingaan, of als het zijn moest, zou

hij in de poging om die plicht te volbrengen, als een krijgsman sterven.

Voor hem was de nacht de beste vriend. Bekend als hij was met het land,

wist hij ondanks het donker zijn weg wel te vinden; en zo hij vijand

of verscheurend gedierte ontmoeten mocht, welnu, hij had immer zijn

assagaaien, strijdbijl en knopkieries.

Het was de derde avond na Dutulu's vertrek uit het lager, toen bij het

vallen van de nacht, hij op de rand van een met bossen bedekte bergrug,

op ongeveer zes mijl afstand van Umkungunhlovo te voorschijn trad. Aan

de voet van de berg waarop hij stond, lag een tamelik grote Zulukraal,

waarin de nachtvuren reeds waren ontstoken, en waaruit vele stemmen

en geluiden, door de stille avondlucht voortgedragen, opstegen tot

aan de plaats waar hij stond. »Kalipi laat op zich wachten," zei

hij tot zichzelf. »Onze afspraak was toch, dat hij iedere avond met

zonsondergang hier zou zijn, en zou vertoeven, totdat de tijd was

gekomen om ter ruste te gaan. Zou hem iets zijn overkomen? Ik zal een

tijdje wachten en uitrusten, en komt hij niet, dan blijft er niets

anders over, dan dat ik afdaal en de kraal binnenga." Hij zette zich

neder op een grote steen, aan de voet van een geelhoutboom, plaatste de

zak met het hoofd van Mazesi, te zamen met zijn wapenen aan zijn voeten,

nam uit een zakje dat hem om de schouder hing enige stukken biltong,

en begon met smaak te eten. Niet lang was hij echter neergezeten, of

zijn luisterend oor scheen het geluid van voetstappen te vernemen, als

besteeg iemand de bergbrug aan de zijde van de kraal. »Dat zal Kalipi

zijn," fluisterde hij, »maar toch, men kan niet weten. Ik zal me liever

verbergen, tot ik zeker ben wie het is, die nadert." Hij nam zijn

wapenen op, en dook weg achter de klip waarop hij had gezeten.

De persoon die naderde maakte zo weinig gerucht, dat men het geoefend

oor van de wilde nodig had, om iets te kunnen horen, en scheen schuchter

en bevreesd te zijn. Het was een jonge Zuluvrouw, die, als ware zij

bevreesd voor het geluid harer eigen voetstappen, als een zwarte schim

van struik tot struik voortzweefde, herhaaldelik het oog terugslaande

op de kraal, als duchtte zij vervolgd of bespied te worden. Eindelik

had zij de geelhoutboom bereikt, en bleef staan bij de klip waarachter

Dutulu zich had verborgen. »Weer is hij hier niet," zei ze weemoedig

tot zichzelf. »Dit is nu de zesde maal, dat ik 's avonds hierheen ben

gekomen, en altoos te vergeefs. Zal hij nooit komen? Zal ik hem nimmer

wederzien?" Een geritsel achter de klip deed haar opschrikken. Als een

gejaagde hinde wilde ze wegvluchten, toen de welbekende stem van Dutulu

haar tot staan bracht. »Vrees niet, Deliah, ik weet niet wie je zoekt,

maar voor de zoon van Manondo behoef je niet te vrezen." Slechts enige

schreden en zij stond aan de zijde van de jonge Zulu en omhelsde hem

hartelik. »O, hoe blij ben ik, je eindelik te hebben gevonden. Zovele

avonden heb ik je hier reeds gezocht!" riep zij luider uit, dan de

voorzichtigheid het gedoogde.

»Zachter, zachter," zei Dutulu, »de bomen kunnen oren hebben, en vindt

men ons hier, dan betekent dat mijn dood en jou schande. Dankbaar als ik

ben je te ontmoeten, is dit mij een onverwachte vreugde. Ik dacht niet

je hier te zullen zien, maar wel Kalipi. Zeg me, is hem iets overkomen?"

»Nee, Dutulu, toen hij zeven dagen geleden van hier wegtrok, was mijn

broeder gezond en wel, en het is op zijn verzoek dat ik sedert, elke

avond hierheen ben gekomen om je te ontmoeten. Hij gelastte me, je uit

naam van Panda en van hemzelf te zeggen, dat de grote Olifant onraad

moet hebben gemerkt. Op de dag vóór zijn vertrek, liet Dingaan Panda

roepen. Mijn broeder zegt, hem nog nooit zo vriendelik te hebben gezien.

Hij zei tot Panda: »De kinderen van Koning George, die aan de baai

van Natal wonen, worden woelig, en kunnen het ons lastig maken. Vele

ontevreden Zulu's, waaronder de zonen van Manondo, zijn over de Tugela

gevlucht, en vinden bij hen schuilplaats. Ik moet iemand hebben, die het

oog op hen houden kan, en wie is daar beter geschikt voor dan gij, mijn

Broeder! Gij zult morgen als de dag breekt, met uw regiment optrekken

naar Endouda Kusuka, en je aansluiten bij de impi die daar reeds is, en

waarvan gij de hoofdinduna zult zijn; maar de vrouwen, de kinderen en

het vee zult ge hier in de kraal achterlaten.""

»De ellendeling!" barstte Dutulu woedend uit. »Panda en de zijnen zijn

dan voor ons verloren, tenzij hij als de oorlog uitbreekt, moed genoeg

heeft om met zijn impi hierheen terug te keren, want blijft hij daar,

dan zijn de vrouwen en kinderen hier onbeschermd, en aan de woede van

Dingaan blootgesteld, indien Panda de wapens tegen hem zou keren."

»Luister verder," hervatte Deliah; »de volgende morgen is mijn broeder

met Panda en de krijgslieden vertrokken. Hun werden echter toegevoegd de

induna's Umhlebe, Zulu en Nongalazi. Mijn broeder heeft me opgedragen

je dit alles te zeggen, en je te waarschuwen dat je voorzichtig zijn

moet. Ik heb nu mijn boodschap verricht. Laat me je groeten, Dutulu! en

naar de kraal terugkeren. Ik vrees dat het reeds argwaan heeft gewekt,

dat ik me elke avond verwijder, en men zou me kunnen volgen."

De jonge Zulu was, na lucht gegeven te hebben aan de eerste opwelling

van toorn, weder geheel kalm geworden. Hij en zijn bondgenoten zouden

zich in het onvermijdelike moeten schikken. Nu wenste hij nog enige

ogenblikken door te brengen aan de zijde van haar, die hij zich

als vrouw had uitgekozen. »Ik dank je uit de diepte van mijn hart,

Deliah, voor je trouw en moed, om het te wagen mij deze tijding over

te brengen," zei hij, »maar waarom zo haastig? Lange tijd zijn wij

gescheiden geweest. Lang kan het duren, voor wij elkaar zullen

terugzien. Vertoef nog een weinig, en laat je lieflike stem mijn oren

strelen."

»Nee, Dutulu, dat mag niet zijn," antwoordde het meisje; »ik moet me

terugspoeden naar de kraal. Heb je zoëven niet zelf gezegd, dat als men

ons hier vond, het jou dood en mijn schande zou betekenen? Kom, vaarwel!

Moge er voorspoed op je weg wezen, en de dag spoedig aanbreken, dat je

Deliah kunt voeren naar je hut."

Een zucht ontsnapte de borst van Dutulu. »Ja," zei hij, »het kan niet

anders, maar ik moet nog naar Umkungunhlovo, en zal je vergezellen tot

aan de voet van de berg."

»Naar Umkungunhlovo?" riep het meisje verschrikt uit, »maar dat is

immers de dood in de mond lopen! Ach, Dutulu! Wil je je werpen onder de

poten van de Grote Olifant?"

»Mijn kind," antwoordde hij zacht, »de zoon van Manondo zal gaan waar

hij door plicht wordt geroepen; en mijn plicht roept me heden naar de

kraal van Dingaan."

Een ogenblik stond het Zulu-meisje besluiteloos; toen zei ze: »Ga, dan,

Dutulu, en volbreng je plicht, en je gang zij voorspoedig. Mijn plicht

is het, je nu te verlaten, om je later, in gelukkiger tijden terug te

zien. Vaarwel!" En met de spoed der oribi had zij zich verwijderd, en

Dutulu bevond zich alleen.--Nimmer zouden zij elkander wederzien.

Toen Dingaan de volgende morgen ontwaakte, riep hij luide om de getrouwe

schildwacht, die steeds de nacht voor de deur van zijn hut moest

doorbrengen. Geen antwoord ontvangende, stond de Zulukoning verstoord op

en begaf zich naar buiten. Het plichtverzuim van de schildwacht zou met

zijn leven worden geboet. Maar wat ontmoette de blik van Dingaan, toen

hij de hut was uitgetreden? Wat deed hem wankelen en zich tot steun

vastgrijpen aan de wand van zijn verblijf? Op slechts enige schreden

voor de intunkulu, stond op een in de grond geplante assagaai verheven,

een mensehoofd hem aan te grijnzen. De reeds tot ontbinding overgaande

wangen waren tot berstens toe gezwollen; de opengetrokken lippen lieten

de tanden zien, als tandeknerste en lachte dit doodshoofd de Koning

grimmig tegen. Dingaan scheen als aan de aarde vastgenageld. Ten laatste

had hij de verwrongen gelaatstrekken herkend. »Bij de geest van Majolo!"

riep hij uit, »dat is het hoofd van Mazesi! Wie heeft het gewaagd hem te

doden en zijn hoofd hier te plaatsen." Hij sidderde, en riep een der op

enige afstand staande schildwachten, en begon hem te ondervragen. Maar

de man wist hem niets te zeggen van wat er in de nacht was gebeurd, of

wat er van Dingaan's nachtwacht was geworden. Eindelik zei Dingaan:

»Breng dat hoofd naar de Hloma Amabutu! Maar wacht, ken je niet de

assagaai, waarop het hoofd steekt?"

De krijgsman bezag het wapen nauwkeurig en wendde zich tot Dingaan met

de woorden: »O, Grote Olifant! Die assagaai behoorde aan mijn vroegere

bevelhebber, Manondo." De Koning sidderde en verdween in zijn hut.

Enige ogenblikken later werd het hoofd van de tovenaar neergeworpen

op de heuvel bij de doodsbeenderen van Manondo en Umhlela, zijn

slachtoffers. Op hetzelfde tijdstip spoedde Dutulu zich voort naar de

oever van de Tugela, vergezeld door de krijgsman, welke die nacht als

schildwacht voor de hut van Dingaan had gestaan.

XIII.

Slag van Italeni. Piet Uijs sneuvelt.

Dutulu ontkwam aan alle gevaren en hield getrouw zijn woord, aan de

blanken in de vergadering van de Krijgsraad gegeven. Op de achtste dag

na zijn vertrek uit het lager, meldde hij zich aan bij Biggar, aan de

Baai van Natal, en deed verslag van zijn bevindingen, dat ten gevolge

had, dat hij nog diezelfde dag met Biggar en John Cane vertrok naar het

hoofdlager der Boeren.

Daar werden de berichten die hij bracht met ernst overwogen. Aan de

ene kant zag men duidelik in, dat door Panda met zijn regiment naar

Endouda Kusuka te zenden, met achterhouding van alles waaraan hun hart

hing, de daadwerkelike hulp van de ontevredenen onder de Zulu's bijna

onmogelik was gemaakt. Daartegenover stond echter, dat Dingaan door

velen zijner beste krijgslieden als bewakers van Panda en zijn aanhang

af te zenden, zijn eigen impi te Umkungunhlovo aanmerkelik had verzwakt.

De slotsom der beraadslagingen was, dat de veldtocht in April zou worden

ondernomen, zoals oorspronkelik overeengekomen, en dat de Engelsen

met hun bondgenoten, Panda en zijn impi zouden aantasten, terwijl het

Boerenkommando zou optrekken tegen de hoofdstad van Dingaan. De Engelsen

spoedden zich terug naar de Baai, en de Boeren begonnen onmiddellik de

laatste toebereidselen voor de veldtocht te maken.

't Is de avond vóór de uittocht van het kommando. Piet Uijs is

teruggetrokken in de huiselike kring, door allen die hem na aan het

hart liggen omringd, in zijn tent bij de veldtafel gezeten. Zijn vrouw

zit tussen hem en Dirk, de blonde kloeke zoon, haar eerstgeborene, van

wie de moeder zoveel in de toekomst verwacht, de trots, het leven van

haar leven. De hand van haar echtvriend houdt zij in de hare geklemd;

de linkerarm omstrengelt de hals van Dirkie, haar Dirkie, die morgen,

moedig als een man, zal uittrekken naar het bloedig oorlogstoneel.

Vloeien er tranen langs haar wangen? O nee! De vrouw van de Voortrekker,

de teerhartige moeder, schoon daar zittend met hijgende boezem, heeft

het reeds lang geleerd haar dierbaarste kleinoden, die schatten voor

haar vrouwelik hart, op het altaar van plicht ten slachtoffer te wagen.

Een diepe weemoed, een door God geheiligde ernst, schijnt op aller

gelaat te rusten. Zoëven hebben zij zich verenigd rondom het huisaltaar

in de wildernis. Hun dankoffer voor genoten zegeningen, hun gebed om

bijstand, steun en kracht, is zoëven uit deze eenvoudige tent

opgestegen, als wierook naar de zetel van de Hemelse Vader.

»Kom vrouw," zei Uijs, »laten we ons ter ruste begeven. Onze plicht

roept ons morgen bij het krieken van de dag. Toe Dirk! Ga nu ook

slapen."

De moeder liet de hand van haar echtgenoot los, en sloeg de beide armen

om de hals van haar kind. Haar oog bleef droog, maar een weemoedige

glans, ontsproten aan de diepste schuilhoeken van haar moederlik hart,

scheen op het blonde hoofd van de knaap af te dalen, dat gevleid lag

aan de moederborst. »Goede nacht, mijn dierbaar kind. Slaap zacht;"

murmelde zij, »moge God jou en je vader beschermen. En Dirkie, jong als

je bent, wees voorzichtig, maar moedig. Als ik ooit tranen over je zal

moeten storten, laat het nimmer zijn van schaamte over mijn zoon!"

»Moeder," riep de knaap vurig, en zijn blauwe kijkers waren met tranen

gevuld, »moeder, uw lessen, het voorbeeld van mijn vader, zal ik die

immer vergeten? Ge zult u voor mij niet behoeven te schamen!"

De moeder drukte hem aan haar hart; de nachtkus werd gewisseld, en

weldra lag dit huisgezin, voor de laatste maal onder zijn linnen dak

verenigd, in diepe rust.

De volgende morgen, de 5de April 1838, trok het kommando uit, omtrent

vijf honderd man sterk in twee afdelingen; de voorhoede onder bevel van

Kommandant Uijs, de achterhoede onder Kommandant Potgieter. Dirk Uijs

reed aan de zijde van zijn vader, en de trouwe Galant volgde hen als

achterruiter.

De veertienjarige knaap klopte het hart vol moed en blijdschap, omdat

hij met zijn vader ten strijde trekken kon; en schoon het afscheid van

zijn moeder hem smartelik had aangedaan, had hij de tranen, die in zijn

ogen opwelden, weerhouden, en getracht zich als een man te gedragen.

Onder hen die het uittrekkend kommando nastaarden, waren vele mannen, in

de jongste strijd tegen de Zulu's verminkt en gewond, en niet in staat

tans reeds weer de wapens op te nemen. Het was hen aan te zien, dat het

hun zwaar viel achter te moeten blijven, en geen deel te kunnen nemen

aan de tocht, die het tuchtigen van de zwarte vijand ten doel had.

Het kommando trok voorwaarts, zonder dat enig biezonder voorval de tocht

kenmerkte. Ze hadden hinderlagen en plotselinge aanvallen van de vijand

verwacht, maar niets van die aard gebeurde er. Ongehinderd vervolgden

zij hun weg. Wel bemerkten zij af en toe enige Zulu's op de bergen, die,

na hen enige tijd te hebben gadegeslagen, even spoedig verdwenen als zij

te voorschijn waren gekomen; wel zagen zij des nachts de seinvuren van

de vijand op de bergtoppen flikkeren, maar daar bleef het bij. Deze

plotselinge verschijnende en even snel weer verdwijnende Zulu's, deze

seinvuren, zij waren echter van belangrijke betekenis. Daardoor werd

Dingaan onderricht van al de bewegingen van het kommando, en hij

bereidde de Boeren een warme ontvangst.

In de namiddag van de 13de April 1838 had het lager de voet van de

bergrug bereikt, waarop Dutulu zijn onderhoud met Deliah, enige weken te

voren, gehad had. Deze plaats droeg de naam van Italeni. Nog ontwaarde

men de vijand niet, en de Boeren leidden daaruit af, dat Dingaan

door vrees was bevangen, en zij de volgende dag het een gemakkeliker

taak zouden vinden, dan zij zich eerst hadden voorgesteld, om zijn

krijgsmacht te verslaan, zijn stad in vlammen te doen opgaan, en voor

altijd een einde te maken aan zijn bloedbestuur.

In het lager, dat die avond aan de voet van de bergrug werd getrokken,

heerste dan ook een levendige, vreugdevolle bedrijvigheid. Schoon men

de grootste waakzaamheid in acht nam, en zich op sterke tegenstand

voorbereidde, ingeval die zich onverhoopt mocht voordoen, gingen allen

onbezorgd de dag van morgen te gemoet, overtuigd dat die hun de

overwinning zou brengen.

Bij het derde hanegekraai was het gehele lager in de weer. De paarden

werden gezadeld, de kampbenodigdheden op de weinige wagens geladen, de

orde van de tocht geregeld.

Piet Uijs had zich met zijn zoon verwijderd, en onder de takken van een

grote wilde olijfboom neergeknield, de hand van Dirk in de zijne

gekluisterd, had hij in zijn morgengebed zijn hart uitgestort voor God.

Weldra was alles gereed en stegen de Boeren te paard. Weer leidde Uijs

de voorhoede, en de afdeling van Potgieter volgde. De weg van het kamp

naar Umkungunhlovo liep enige mijlen verder door een enge vallei, aan

beide zijden door hoge bergen ingesloten. Toen het kommando de ingang

van deze vallei bereikte, begon de zon de bergtoppen te vergulden. Uijs

hield zijn paard in en riep halt. Zich richtende tot Louis Nel, die

aan de zijde reed, zei hij: »Neef Louis, deze kloof is gevaarlik. Mij

schijnt het, dat wij die niet moeten intrekken, maar liever halt moeten

houden, en zien of wij niet door de bergen om te trekken, de stad van

Dingaan kunnen bereiken." De aangesprokene antwoordde: »Ik vrees,

Kommandant, dat het daarvoor te laat is. Ook heb ik vernomen dat er

geen betere doortocht door de bergen is." Uijs richtte zich op in de

stijgbeugels, en riep met krachtige stem: »Voorwaarts, broeders! en

houdt u allen gereed om de vijand te ontvangen."

In gesloten gelid reed de voorhoede de bergkloof binnen, door het

gehele kommando gevolgd, dat zich weldra geheel tussen de twee

evenwijdig lopende bergruggen bevond. Nog was er geen vijand te

bespeuren, en de voorhoede had bijna reeds de uitgang van de kloof, in

de richting van de stad bereikt, toen hij zich plotseling de voortgang

belet zag door een dichtaaneengeschaarde Zulu impi, die als uit de

grond opgerezen was. Het eerste gelid van de Zulu's was niet verder dan

vijftig treden verwijderd van de voorste Boeren, waarvan Piet Uijs de

allervoorste was. Zij hieven een vervaarlik krijgsgeschrei aan, waarvan

de bergen daverden, en hun slaan op de schildvellen veroorzaakte een

gedreun, dat met het geluid van de wegrollende donder te vergelijken

was.

»Blijf schouder aan schouder!" klonk het bevel van Piet Uijs boven het

rumoer uit. »Schiet met lopers, en mik niet te laag."

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 11 / 13 段