staat tegen de blauwe achtergrond van de steeds helderder wordende
lucht, een bekende. Wij hebben hem vroeger reeds in de kraal van Dingaan
ontmoet. Het is niemand anders dan Mazesi, de hoofdziener of toverdokter
van de Zulukoning, wiens beschuldiging de moord van Manondo ten gevolge
heeft gehad, en die toen had doen blijken, hoe goed hij op de hoogte was
van de plannen en bewegingen der blanken in Natal. Dat zijn doel tans
was, verder bericht omtrent deze plannen te verkrijgen, hebben wij
reeds kunnen opmaken uit de weinige woorden die hij zich heeft laten
ontvallen. Maar wie zou hem berichten uit het lager brengen? Hoe zou hij
de plannen der Boeren te weten komen?
In het lager bevonden zich verscheiden kleurlingen, uit het overschot
der stammen die oorspronkelik Natal hadden bewoond, en door Tshaka
waren verslagen en onderworpen. Zij werden door de Zulu's als slaven
gehouden, en de naam waaronder heden nog de afstammelingen van dat
volk bekend zijn, die van Fingoe, aan welk woord de betekenis van
hond wordt gegeven, geeft genoegzaam te kennen op welke sport van de
maatschappelike ladder onder de Amazulu zij stonden. Aan hun meesters
ontvlucht, hadden zij zich bij de trek aangesloten, werden door de
Boeren vertrouwd en als veewachters gebezigd. Immers, de vrees voor de
wrede dood, die hen wachtte, indien zij in de handen hunner vroegere
meesters zouden vallen, scheen voldoende waarborg voor hun trouw. Zij
waren echter doordrongen van al het bijgeloof, barbaren eigen. Voor
hen geen verschrikkeliker wezen dan de toverdokter, en Mazesi had
uit dit bijgeloof zijn voordeel weten te trekken. Hij had het weten te
overleggen, om met enigen dezer veewachters, die hem van vroeger kenden,
in aanraking te komen, toen zij met het vee in het veld waren, en had
hen door de vreselikste bedreigingen overgehaald, zijn spionnen in het
lager te worden. Het klipkopje, waar wij hem heden morgen vinden, was de
gewone plaats van samenkomst, en heden verwachtte hij van zijn
handlangers belangrijke mededelingen.
De oude tovenaar had de tekenen van zijn waardigheid afgelegd. Het feit
dat hij een Zulu was, had hij niet willen of kunnen verbergen, maar
overigens was zijn kostuum dat van de vrede: zijn wapens bestonden
slechts uit een lichte knopkierie, dienst doende als staf, en enige
assagaaien, dadelik als jachtbenodigdheden, en niet als oorlogswapens
kenbaar.
Mazesi keerde zich om en sloeg het Boerekamp aandachtig gade. »Ah,
Molonga," fluisterde hij, »ge sluimert gerust, maar de Zulu is wakker.
Ge rekent op uw vuur en dood uitspuwende wapenen; nog enige dagen, en de
Zulu-assagaai zal roodgeverfd in uw bloed, de Zulu-knopkierie overdekt
zijn met uw hersens. Het vee wordt uitgejaagd: weldra zullen mijn
spionnen hier zijn, en over enige dagen zal Dingaan al uw plannen weten,
zo goed als gij zelf en zullen de dagen van Tshaka terugkeren voor de
Amazulu."
Was het toeval of de vinger Gods, dat op ditzelfde ogenblik een kleine
ruiterbende, waaronder wij Louis Nel en de jeugdige Dirk Uijs herkennen,
de lagerpoort uitreed? 't Waren allen mannen van de afdeling van Uijs,
die uitgingen om de morgen met jagen door te brengen, en zij wendden de
teugel in de richting van het kopje, waar Mazesi in bespiegeling van het
lager verdiept stond. De ruiters hadden reeds de helft van de afstand
tussen het kamp en zijn schuilplaats afgelegd, eer de aandacht van de
tovenaar meer bepaald op hen werd gevestigd.
»Aha!" riep hij verstoord uit, »de Molonga schijnt op mij af te komen.
Persoonlik ben ik echter veilig, want met hun paarden zullen zij deze
rotsen wel niet beklimmen, en ik zal me slechts voor een ogenblik
moeten verbergen, totdat zij voorbij, of teruggegaan zijn, maar het
zal onveilig zijn voor mijn spionnen, om mij het afgesproken bezoek te
brengen." Hij bukte achter enig struikgewas, door de toppen waarvan hij
onafgebroken de naderende ruiters gadesloeg.
Onze jagers hadden de voet van het klipkopje bereikt, toen Nel zei:
»Laat ons even stilhouden, dan zal ik op het kopje klimmen en met mijn
verrekijker de vlakte opnemen en zien waar wild is." En hij steeg van
zijn paard.
»Wacht, oom Louis, we gaan samen," klonken enige stemmen, waaronder die
van Dirk Uijs, en verscheiden ruiters wierpen zich uit de zadel, en
voegden zich bij Nel, die reeds begonnen was het kopje te beklimmen.
Met schrik had Mazesi bemerkt wat er geschiedde, maar spoedig had hij
een plan doordacht. Aan moed ontbrak het hem niet, en kon het niet
anders, dan zou hij zijn leven verdedigen. Zijn eerste plan was echter
zich te verbergen, en mocht hij worden ontdekt, dan zou hij zo goed
mogelik door gebaren, want de taal der Boeren spreken kon hij niet, zich
laten doorgaan voor een vluchteling uit Zululand, die de bescherming van
het lager zocht.
De Boeren hadden intussen het kopje beklommen, en op de hoogste rotspunt
stond Louis Nel de vlakte door zijn verrekijker te verkennen. Aan de
voet van het rotsblok stonden Dirk Uijs, Doris Botha en enige anderen.
Op eens riep Doris uit: »Maar daar zit iets in die klipscheur achter
de struiken," en zonder verzuim had hij de kolf van zijn roer aan de
schouder.
»Schiet niet!" riep Dirk uit, »het is een mens;" en hij sloeg de loop
van het geweer van Doris naar boven.
Nel, door hun geroep opmerkzaam geworden, sprong dadelik van de rots en
stond naast hem. »Zowaar," riep hij uit, »daar zit een outa; toe, ou
kerel, kom uit!"
Mazesi, zich ontdekte ziende, en aan de gebiedende houding van Nel
bemerkende dat hem gelast werd voor den dag te komen, kroop, als viel
het hem moeilik zich te bewegen, uit zijn schuilhoek, zijn wapens in de
hand houdende.
»Bij de hoed van mijn grootvader!" riep de verwonderde Nel uit, »het is
een oprechte oude Zulu! Wat doe je hier, outa?"
Mazesi wierp zijn wapens op de grond, echter binnen zijn onmiddellik
bereik, sloeg zijn ogen ten hemel, en wees met de ene hand op zijn oor,
en met de andere op zijn mond, ten teken, dat hij hen niet verstaan en
evenmin in hun taal beantwoorden kon.
»Hij is zeker een spion," zei een der Boeren; »wat vermorsen wij de tijd
over hem? Sta op zij, en ik zal hem de kogel geven."
»Dat nooit!" riep Dirk Uijs uit. »Zie, de Zulu heeft zijn wapens
neergeworpen en geeft zich over. Bovendien kan je niet zien dat hij een
afgeleefd en bijna weerloos man is?"
»Wel, Dirkie," hervatte de ander, »je bent nog maar een kind, en het is
je niet ten kwade te duiden, dat je hart nog week is. Maar wat ik vragen
wil is dit: als hij een blanke, en wij Zulu's waren, zou de blanke dan
niet zonder verzuim naar de eeuwigheid zijn gezonden?"
»Dat zal ik niet betwisten," zei Nel, »maar dwaas zou het zijn de Zulu
te doden. Wij weten niet wat hij te zeggen heeft. Als wij hem naar het
lager brengen, zal een tolk spoedig genoeg kunnen uitvinden, wat hem
hierheen heeft gebracht, en dan kunnen de hoofden beslissen, wat met hem
zal worden gedaan. Kom, van onze jachtpartij zullen we vooreerst moeten
afzien; outa moet naar het lager worden gebracht!"
Door tekenen trachtte hij hierop aan de tovenaar duidelik te maken, dat
hij hen naar het lager vergezellen moest. Mazesi begreep hem en knikte
met zijn hoofd ten bewijze van instemming; toen bukte hij zich om zijn
wapens op te nemen, maar Dirk kwam hem voor, en raapte de assagaaien op,
met de woorden: »Nee, outa, die heb je nu niet meer nodig. Ik zal ze
dragen. Je knopkierie mag je houden, daar kan je nog op steunen."
Weldra trokken onze ruiters met Mazesi in hun midden naar het lager
terug. Zij reden slechts stapvoets, want de tovenaar, die grote
vermoeienis en uitputting voorwendde, sleepte zich slechts langzaam
voort.
Intussen was de lang verbeide vergadering van de Krijgsraad
bijeengekomen. Ze werd ditmaal gehouden in de open lucht, en een kleine
afgezonderde ruimte in het lager was de vergaderplaats. Sarel Cilliers,
die weder de leiding op zich had genomen, was vergezeld van de drie
mannen, die voor het Kommandant-Generaalschap waren genoemd. Het stond
op hun aller gelaat te lezen, dat zij tevreden en vergenoegd waren, en
een kreet van vreugde steeg op, toen Cilliers de vergadering mededeelde,
dat de aanvoerders onderling tot overeenstemming waren gekomen, en
tans slechts van de Krijgsraad de bekrachtiging van hun overeenkomst
verlangden. Hij ging er toe over om breedvoerig uit te leggen op welke
wijze die overeenkomst was tot stand gebracht en waarin die bestond.
Herhaaldelik viel men hem met betuigingen van goedkeuring in de rede, en
nog was hij niet geëindigd, toen hij moest staken, tengevolge van een
rumoer, dat aan de buitenste kring der toehoorders was ontstaan.
»Wat heeft dat te beduiden?" vroeg hij enigszins verstoord, toen de
kring van luisterenden zich opende en Louis Nel met de zijnen, Mazesi
in hun midden voerende, nader trad.
»Oom Sarel," begon Nel, enigermate verlegen, want het was hem niet
ontgaan, dat Cilliers verstoord scheen te zijn, »wij willen de
Krijgsraad niet hinderen, maar uitgaande om te jagen, vinden wij deze
Zulu, en rekenden, het plicht om hem dadelik hierheen te brengen."
Aller ogen waren met nieuwsgierigheid op Mazesi gevestigd, die, het
gevaar van het ogenblik ten volle beseffende, de houding van volslagen
zwakheid door ouderdom en lichaamsafmatting aannam, en met halfgesloten
ogen strak voor zich staarde.
Piet Uijs nam het woord. »Waar heb je hem gevonden, neef Louis? Hij
schijnt mij meer een vluchteling dan iets anders. Dingaan zal geen
afgeleefde grijsaard zoals deze, voor spion uitzenden. Heeft hij
tegenweer geboden toen je hem gevangen nam?"
»Nee, Kommandant; we beklommen het klipkopje, dat u daar in de vlakte
zien kunt, en daar vonden wij hem, zich in een klipscheur verschuilende.
Hier zijn de enige wapens, die hij bij zich had, en die heeft hij
dadelik afgegeven."
»Hij zal waarschijnlik een vluchteling zijn," zei Gert Maritz, »en in
dat geval zal hij ons misschien omtrent Dingaan en zijn bewegingen
belangrijke mededelingen kunnen doen. Ik stel voor dat wij het punt
onder behandeling, een weinig uitstellen, en door tussenkomst van een
tolk horen wat deze oude te zeggen heeft."
Een tolk trad naar voren. Door Maritz naar zijn naam gevraagd zijnde,
gaf Mazesi met zwakke, nauweliks hoorbare stem ten antwoord: »Ik ben
Goza, een induna van de Zulu-koning Dingaan."
»Wat heeft je in de onmiddellike nabijheid van ons lager gebracht?"
»Ah, Inkose, dat zou een lang verhaal zijn, en te veel voor mijn
krachten, als ik u alles moest vertellen wat mij in de laatste dagen
overkomen is. Ik ben krachteloos van vermoeidheid en honger. Toen
Dingaan de Boeren bij Umkungunhlovo wilde slachten, waarschuwden Manondo
en ik hem tegen het begaan van dit verraad, en dat heeft hij ons niet
vergeven. Eenige dagen later liet hij Manondo door zijn eigen regiment
met knopkieries doodslaan. Nu voor weinige dagen was er een indaba. Ik
raadde de Koning ernstig aan, om te trachten met u vrede te maken. Hij
ontstak in hevige toorn, bulderde dat ik Zulu van vel, maar Molonga van
ingewand was, en gelastte mij de indaba te verlaten, en naar mijn kraal
te gaan. Diezelfde avond bracht een vriend mij de tijding, dat Dingaan
besloten had mij de volgende morgen bij het opgaan van de zon te laten
doodslaan. Ik vluchtte dadelik weg. Waarheen zou ik mijn schreden
richten? Ik had gehoord, dat gij een grootmoedig volk zijt, dat zijn
vijanden genade bewijst, en ik vluchtte voort in de richting waar ik
wist dat gij u bevondt. Vier dagen en nachten heb ik, vervolgd door mens
en dier, omgedwaald. Van morgen wilden mijn krachten me begeven; met de
uiterste inspanning klom ik op een kopje om uit te rusten. Ik was in
slaap gevallen, toen stemmen me wekten. Ik opende de ogen, en zie, de
mannen die ik zocht, hadden me gevonden."
De sluwe tovenaar had zijn doel volkomen bereikt. Medelijden straalde
uit aller ogen. Bij hen die zoveel door Dingaan hadden geleden, had een
ander onschuldig slachtoffer van zijn woede hulp gezocht, hij zou bij
hen veilig zijn.
»Zal Goza ons iets kunnen mededelen omtrent de macht en de voornemens
van de Zulu-koning?" vroeg Maritz. »Tot kort geleden een induna geweest
zijnde, zal hij daaromtrent zeker veel weten."
»Ja Inkose, maar vergeef een oud man zijn zwakheid. Laat me toe, vandaag
te eten en te rusten. Morgen zal mijn lichaam sterk, mijn verstand
helder zijn, dan kan ik u alles vertellen wat me bekend is. Vergun me
slechts als uw slaaf bij u te blijven." En de tranen vloeiden rijkelik
uit de ogen van de gewaande Goza.
Men stond op het punt hem zijn verzoek toe te staan. Reeds wilde
Cilliers iemand gelasten hem weg te leiden en te doen verzorgen, toen
Klaas Labuschagne op hem toetrad met de woorden: »Oom Sarel, Biggar is
zoëven met enige Zulu-opperhoofden in het lager aangekomen, en toen hij
hoorde dat de Krijgsraad zitting hield, heeft hij verzocht dadelik
toegelaten te worden, daar hij zaken van overwegend belang te melden
heeft. Wat zal ik hem antwoorden?"
Het gevoelen was algemeen, dat Biggar en de opperhoofden dadelik zouden
worden gehoord, en in de opgewondenheid door de aankondiging van hun
komst veroorzaakt, werd de tovenaar, die van alles niets begreep, voor
een ogenblik vergeten.
Weldra trad Biggar binnen de kring, gevolgd door twee krachtig gebouwde
Zulu's in volle krijgsdos. Met fiere tred volgden zij hun blanke
bondgenoot, toen deze de Boeren-aanvoerders naderde, door wie hij
hartelik werd gegroet, en zich buigende, lieten zij hun gewone inkose
horen. Biggar stelde hen voor met de woorden: »Dezen, mijne heren, zijn
Makoni en Dutulu, de twee zonen van de Zulu induna Manondo, die enige
tijd geleden door Dingaan is vermoord. Zij zijn tot ons gevlucht met
enige honderden dappere volgelingen, vast besloten de moord van hun
vader te wreken. Zij zelf zullen u mededelingen doen, die u zullen
verblijden."
Niet zodra had de gewaande Goza de twee Zulu's gezien, of hij ontstelde
hevig. Hij sidderde en zijn knieën knikten, tans niet van voorgewende
uitputting, maar van inwendige ontroering. Immers als Makoni en Dutulu
hem herkenden, dan was het met hem gedaan. Hij week achteruit zover hij
kon, hurkte op de grond neer en bedekte zijn gelaat met de handen: een
toonbeeld van werkelike ellende tans.
»Wij zijn bereid dadelik de berichten die uw bondgenoten brengen, te
vernemen, meneer," zei Potgieter tot Biggar. »U stemt hier immers in
toe, oom Sarel?"
»Toen ik verzocht om dadelik in de Krijgsraad toegelaten te worden," zei
Biggar, »wist ik niet dat uw vergadering in het openbaar gehouden werd.
De mededelingen die u gedaan zullen worden, zijn echter van die aard,
dat daaromtrent het strengste geheim bewaard moet worden. Slechts in
een vergadering van de Krijgsraad, in afzondering gehouden, kunnen zij
worden blootgelegd, en--"
Een kreet, die bijna een gebrul kon worden genoemd, door Makoni en
Dutulu aangeheven, onderbrak zijn rede en bracht de gehele vergadering
in verwarring op de benen.
Terwijl Biggar het woord voerde, had Dutulu zijn oog over de vergadering
laten gaan. Daar viel zijn blik op de neergehurkte Mazesi. Die gebogen
gedaante kwam hem bekend voor; toch kon hij zich niet te binnen brengen,
wie hij was. In een voor hem noodlottig ogenblik nam de tovenaar
zenuwachtig zijn handen van zijn gelaat weg. Een schok voer Dutulu door
de leden. Hij fluisterde zijn broeder iets in het oor; deze wendde het
hoofd om, en van beider lippen klonk het: »Mazesi! de oorzaak van de
moord van onze vader!"
De tovenaar was opgesprongen. Zijn oog zocht een uitweg om te
ontvluchten, doch te vergeefs; hij was ingesloten in de kring van
blanken. Met fonkelend oog staarden de broeders hem aan, totdat Makoni,
met zijn assagaai op hem wijzende, tot Biggar zei: »Daar staat de
moordenaar van Manondo!"
»Wat betekent deze plotselinge uitbarsting uwer bondgenoten?" vroeg
Cilliers aan Biggar.
»Zij zeggen, in die man de moordenaar van hun vader te hebben herkend,"
antwoordde Biggar.
»Dat mag zijn," hernam Cilliers koel. »Er vinden zovele moorden in
Zululand plaats. Deze man echter is een vluchteling, die bij ons
bescherming tegen Dingaan heeft gezocht. Bij ons is hij veilig. Hij heet
Goza, en was een induna van aanzien."
Deze woorden werden door Biggar overgebracht aan de broeders, die de
tovenaar nog steeds met hun ogen verslonden. Zij barstten in een
schamper gelach uit. »Heet hij Goza? Is dat zijn naam?" riep Makoni uit,
»de ware Zulu schaamt zich zijn naam niet, en deze zal het ook niet
doen. Zeg de Molonga dat ik zijn naam zal bekend maken. Die man is
Mazesi, de opper-toverdokter van Dingaan. Hij is de man die aan het
hoofd staat van al de spionnen, die Dingaan door het gehele land heeft.
Hij was het die aandrong op de dood van Retief en de zijnen, en daarin
door mijn vader, Manondo, tegengegaan, heeft hij hem dat niet vergeven,
maar in mijn tegenwoordigheid later valse beschuldigingen tegen mijn
vader ingebracht, die daarna op last van Dingaan is doodgeslagen. Hij is
hier niet als vluchteling, maar als verspieder. Ontken, dat ge Mazesi
zijt, en maak je de naam van Zulu onwaardig!" riep Makoni ten slotte met
bliksemend oog tot de gewaande Goza.
De verandering die deze in de laatste minuten had ondergaan, was te
veel in het ooglopend om daar allen die tegenwoordig waren, niet te
worden opgemerkt. In zijn woede had Mazesi het masker geheel verzaakt
en afgeworpen. Inplaats van de uitgeputte, gebogen grijsaard, stond er
tans een bejaarde, vermagerde, maar krachtig gebouwde en fiere Zulu.
Het eerst gebogen hoofd stond trots op de nek, en de ogen, zoëven nog zo
dof en wezenloos, schenen stralen te schieten. »Ge zegt recht, Zoon van
Manondo!" riep hij uit, »ik zal mijn naam niet langer lochenen; ik ben
Mazesi, zoals ge hebt gezegd."
»Gij allen hoort het!" riep Makoni uit »zijn eigen mond heeft hem
veroordeeld. Lever hem aan ons over, opdat het bloed van mijn vader
gewroken worde!"
De verraste Cilliers scheen besluiteloos, wat te antwoorden. Eindelik
nam Uijs het woord, en zei: »Broeders, er bestaat bij mij geen twijfel,
dat de man een spion van Dingaan is, in ons lager gekomen om te
verspieden; en volgens krijgsrecht is hij des doods schuldig en moet
sterven. Maar zal het raadzaam zijn deze zonen van Manondo in de
aangeboren bloeddorst der Zulu's te versterken? Laten wij Mazesi
horen, als hij iets te zeggen heeft, en vinden wij hem schuldig, dan
veroordelen wij hem ter dood, en laten zelf ons vonnis uitvoeren."
»Ik verschil met u," zei Potgieter; »die man is niet slechts een spion,
maar ook een gevaarlike bedrieger en moordenaar. Zijn eigen landgenoten
eisen hem van ons op, om hem naar hun wijze, recht te doen geschieden.
Zij zijn onze bondgenoten, en vragen niets meer dan zij rechtens kunnen
verwachten dat door ons zal worden toegestaan. Ik ben er voor, dat wij
de spion in de handen van de zonen van Manondo stellen."
Maritz, Greyling, van Staden en anderen verklaarden dat zij met
Potgieter instemden. Geen enkele stem verhief zich ten gunste van het
voorstel van Uijs.
Na enig aarzelen zei Cilliers tot Biggar: »Wil zo goed zijn aan Goza,
of liever aan Mazesi te zeggen, dat de Krijgsraad besloten heeft hem
over te leveren aan Makoni en Dutulu. Moge de Here zijn ziel genadig
zijn!--Ik verdaag de Krijgsraad tot morgen ochtend, om als de zon
opgaat, in mijn tent bijeen te komen. Niemand, dan de gekozen
leidsmannen, zullen toegelaten worden tegenwoordig te zijn."
Mazesi had het zwijgen bewaard. Wellicht hoopte hij nog op de
bescherming der Boeren, schoon hij die ten volle had verbeurd. Toen
de uitspraak van de Krijgsraad hem werd vertolkt, kende echter zijn
woede paal noch perk. Het schuim stond hem voor de mond, ditmaal niet
kunstmatig voortgebracht. »Ha! ge zult het wagen mij te doden, gebroed
van Manondo!!" schreeuwde hij, »ik vervloek u! Mijn schim zal u
vervolgen overal waar ge gaat en staat. Ik zal u verpesten. Ik zal u
betoveren. De Molonga? Ik zie de dagen van Tshaka terug. De Amazulu
zullen hen vernietigen en uitdelgen. De zon die dit land bestraalt, zal
hun geraamten verdrogen!"
Zwijgend traden Makoni en Dutulu op hem toe, grepen hem ieder aan een
arm en brachten hem de lagerpoort uit, door enige Zulu's gevolgd.
Na een half uur afwezig te zijn geweest, keerden zij terug. Op een vraag
van Biggar, antwoordde Makoni: »Het bloed van onze vader is op een van
zijn moordenaars gewroken. Heden nacht strekt het magere karkas van
Mazesi de jakhals en hyena tot spijs."
XII.
Verkenningstocht van Dutulu naar Zululand.
Op de bepaalde tijd van de volgende morgen spoedden zich de voormannen
van de trek naar de tent van Cilliers, waar zij Biggar en de zonen
van Manondo reeds vonden. De vergadering werd geopend, en een besluit
genomen, dat de overeenkomst door de Kommandanten aangegaan, formeel
bekrachtigde, en er werd besloten dat het opperbevel in Uijs en
Potgieter gezamenlik zou berusten, onderworpen aan de besluiten van de
Krijgsraad.
Daarna werden Biggar en zijn Zulu-bondgenoten ter vergadering
toegelaten, en werd hem mededeling gedaan van het genomen besluit.
Cilliers had de plaats van de voorzitter verlaten, en na een fluisterend
gesprek tussen Potgieter en Uijs, nam eerstgenoemde de ledige plaats in,
en richtte tot Biggar de woorden: »Meneer, de Krijgsraad is tans wettig
samengesteld. Wij zijn geheel in afzondering, en bereid uw geheime
berichten te vernemen en te overwegen."
»Kommandant," antwoordde Biggar, »indien ik het woord voerde, zou ik
slechts moeten herhalen wat aan mij door Makoni en Dutulu toevertrouwd
werd. Ik acht het beter hen uit te nodigen zelf te spreken, waarbij ik
dan de tolk kan zijn, en hun woorden aan de vergadering kan
overbrengen."
Daartoe uitgenodigd, nam Makoni tans het woord en sprak: »Blanke
opperhoofden, toen ge de eerste maal over de bergen trok, en trachtte
van Dingaan het recht te verkrijgen op al het land, gelegen tussen
de Tugela en de Umzimvubu rivieren, was er zeker geen enkele Zulu,
die het niet zijn plicht rekende, u te beletten dit land tot uw vaste
verblijfplaats te maken. Weinig kon ik toen vermoeden, dat er een
tijd zou komen, dat ik de assagaai en de strijdbijl zou opnemen, en u
aanbieden aan uw zijde tegen mijn eigen volk te strijden, en u te helpen
in het bereiken van uw doel. Dingaan wordt met den dag wreder; zijn
dorst naar bloed is niet meer te lessen; hij bezit al de wreedheid en
boosaardigheid van Tshaka, maar mist zijn doorzicht en moed. Door de
tovenaar, op wie ik gisteren de dood van mijn vader heb gewroken,
aangehitst, heeft hij sommigen der beste en meest achtenswaardige
induna's van ons volk in koele bloede doen ombrengen. Daardoor is
een groot gedeelte van ons volk, waaronder enigen zijner dapperste
regimenten, hem moede, dorstende naar wraak. Aan het hoofd der
ontevredenen staat Panda, de broeder van Dingaan, en ik sta heden met
Dutulu voor u als door hem afgezonden. Wij vrezen alleen te zwak te
zijn om Dingaan te verslaan, maar met de Blanken verbonden, zullen wij
hem meester worden, en Panda in zijn plaats als Koning der Amazulu
verheffen. Ons plan moet echter goed beraamd en met snelheid uitgevoerd
worden. De regentijd is voorbij en met de nieuwe maan is het beste
tijdstip gekomen om de aanval te maken. Mijn broeder en ik hebben ons
met driehonderd moedige krijgslieden bij Biggar aangesloten. Op een
bepaalde dag trekt ge van de Westzijde tegen Umkungunhlovo op, en wij
doen een inval in het Zuiden. Als ge de stad van Dingaan hebt bereikt
en slag levert, zullen Panda en de zijnen opstaan, en de impi van
Dingaan ook aanvallen. Zo kan het niet anders, of ge moet het slagveld
behouden. Panda stelt slechts de volgende voorwaarden: Ge moet hem als
Koning van Zululand erkennen. Een voortdurend bondgenootschap moet
tussen u en hem bestaan; en ge moet u verbinden tevreden te zullen
blijven met het land van Natal, en u te vestigen aan de linkerzijde van
de Tugela. Als wij hieromtrent overeenkomen, dan kunnen wij dadelik onze
verdere plannen afspreken, en zend ik heden nog aan Panda van alles
bericht."
»Het Zulu-Opperhoofd spreekt wel," zei Potgieter tot Biggar, »maar kan
er geen verraad achter schuilen? Zijt ge er zeker van, dat de man te
vertrouwen is?"
»Ik ben daarvan zo zeker, Kommandant, als men op dit ondermaanse van
iets zeker zijn kan," antwoordde Biggar. »De vader van Makoni is door
Dingaan vermoord; hij met zijn volgelingen moesten hun kudden in
Zululand achterlaten, en voor hun leven vluchten; en de vrouwen en
kinderen van zijn kraal bevinden zich tans bij ons aan de Baai. Dat is
toch waarborg genoeg voor de eerlikheid zijner bedoelingen."
»Hoe zult ge het overleggen mededeling aan Panda te doen?" vroeg
Potgieter aan Makoni.