»Broeders, ik hoop en vertrouw, dat onze komst geen stoornis onder u
verwerkt; mocht dat zo zijn, dan zullen we ons dadelik weer verwijderen.
Belangstelling in het welzijn van de trek heeft mijn schreden hierheen
gedreven. Ik weet dat ge tans beraadslaagt over de aanstaande verkiezing
van een Kommandant-Generaal. Ook anderen beraadslagen daarover, en op
ditzelfde ogenblik worden er in het lager andere vergaderingen gehouden.
Broeders! de verdeeldheid onder ons wordt groot. Ik vraag u: zullen
wij, die te zamen de vijand en de dood onder de ogen hebben gezien, tans
door eerzucht en stijfhoofdigheid uit elkander worden gedreven? Denk er
toch aan, hoe de vijand zich verheugen zal, hoe verontwaardigd onze
stamgenoten in de Kolonie zullen zijn, indien wij op deze wijze ons
maatschappelik bestaan zelf vermoorden. Ik kan het zien, dat ge nog
tot geen besluit gekomen zijt, en ik wil u aanraden, vóór ge afdoende
beslist, te wachten tot de Krijgsraad weer bijeen is geweest, hetgeen
morgen zal geschieden."
»Ge zijt, ons, zoals altoos, welkom, oom Sarel," antwoordde Uijs,
»hoewel het misschien beter ware geweest, indien ik met de mannen van
mijn trek deze zaak geheel onder elkander had kunnen bespreken. Voor ge
binnen kwaamt, werd me een vraag gedaan. Die vraag heb ik mezelf dikwels
gesteld, en het antwoord dat ik mezelf heb gegeven, geef ik tans aan de
vergadering: Ik ben bereid mij aan de meerderheid te onderwerpen, indien
die iemand anders als Hoofd-aanvoerder kiest, maar als de keuze op mij
valt, verlang ik ook, dat die keuze door de minderheid zal worden
geëerbiedigd. Dit beschouw ik recht, eerlik en billik tegenover allen."
Een goedkeurend gemompel ging in de vergadering op.
»Broeders," zei Frans van Staden, »met verlof wil ik ook een woordje
meespreken. Zoals een ieder in het leger weet, ben ik met hart en ziel
voor Piet Uijs; maar, wat het zwaarste is, moet het zwaarste wegen, en
in dit geval is dit ons algemeen belang. Hendrik Potgieter, houd ik mij
verzekerd, zal stijf en sterk op zijn punt blijven staan, en ik wil voor
een ogenblik aannemen, dat Piet Uijs hetzelfde doen zal. Welnu, in dat
geval heb ik een ander plan uitgedacht. Wij zijn allen voornemens om ons
in dit land te vestigen. Al spreken sommigen ook om weg te gaan, toch
zullen er altijd genoeg achterblijven, zodra Dingaan maar eerst tot
zijn plicht gebracht is. Is het land eenmaal schoon gemaakt, dan zullen
wij een behoorlik bestuur moeten hebben, met iemand aan het hoofd,
die andere plichten als die van een Kommandant-Generaal zal hebben te
vervullen. Ook zal er een raad moeten zijn, door het volk gekozen, om
wetten te maken en de geldzaken te regelen. Mijn plan is dan eenvoudig,
om als wij een Kommandant-Generaal kiezen, hem goed te doen verstaan,
dat hij alleen in krijgszaken en in niets anders gezag zal kunnen
uitoefenen. Kunnen wij niet eenstemmig worden omtrent de keuze, of zijn
er velen die zich aan de meerderheid niet willen onderwerpen, dan blijft
iedere aanvoerder aan het hoofd van zijn afdeling, en de Krijgsraad
staat aan het hoofd van allen."
»Uw plan is goed, oom Sarel," zei Greyling, »maar als wij er mee
tevreden zijn, zullen de partijen van Potgieter en van Maritz daarbij
berusten?"
»Dat kunnen we niet verzekeren," hervatte Sarel Cilliers; »om die reden
vragen we u, uw beslissing uit te stellen, totdat wij de zaak morgen in
de Krijgsraad ter sprake zullen hebben gebracht. Wij willen intussen
van ieder partij afzonderlik de verzekering trachten te krijgen, dat
als de Krijgsraad beslist hiertoe over te gaan, allen zich dan zullen
onderwerpen. Dus zouden wij gaarne uw antwoord willen hebben, Kommandant
Uijs!"
»Ik ben niet bereid dat dadelik te geven. Een zaak als deze vereist
overweging alvorens ik voor mezelf beslissen kan. Bovendien, mijn
manschappen zijn eveneens er bij betrokken, en zonder hun goedkeuring
zou mijn beslissing niets betekenen."
»Kommandant," hernam Jacobus Naudé, »ge zijt onze gekozen voorman, en
naar mijn beschouwing ons volste vertrouwen waardig. Wat anderen denken,
weet ik niet, maar mij is het duidelik, dat al verspraken wij ook de
gehele dag, wij als de zon ondergaat nog even ver zouden zijn; of
wellicht een verkeerd besluit zouden genomen hebben. Derhalve ben ik er
voor, dat we tans de gehele zaak in uw handen laten, en berusten in wat
gij doet."
Er heerste enige ogenblikken stilte in de vergadering, eindelik
afgebroken door de eenparige uitroep: »Laat onze Kommandant beslissen!"
»Welnu, het zij zo," hernam Uijs. »Ik blijf u dankbaar voor uw
vertrouwen, broeders, en zal, als de tijd komt, beslissen, doch tans nog
niet. Ik verwacht echter van ieder man, dat hij zich zonder tegenspraak
aan mijn beslissing zal onderwerpen."
»Dat zullen wij allen," klonk het eenparig.
»Wanneer zullen we u dan weer kunnen zien, Kommandant?" vroeg Cilliers.
»Ik wens," antwoordde Uijs, »ernstig te overwegen wat mij te doen staat,
en ik zal heden avond, na het eten te uwer beschikking zijn."
X.
Piet Uijs en Hendrik Potgieter worden Hoofdkommandanten.
Sarel Cilliers en Frans van Staden begaven zich op weg naar de tent van
Gert Maritz, zodra zij Uijs hadden verlaten. Daar gekomen, vonden zij de
oude Voortrekker reeds op hen wachtende. »Welnu," vroeg hij, »wat zegt
Uijs?"
»Wel," antwoordde Cilliers, »zijn manschappen hebben, zoals wij
verwachtten, de zaak ten volle aan hem overgelaten. Hij wilde echter
niet dadelik tot een besluit komen, en heeft ons gevraagd om van avond
te komen vernemen welke zijn gedragslijn zal zijn."
»Heb je hem gezegd, dat ik volkomen bereid ben onder je plan te buigen?"
»Nee, dat hebben we niet gedaan. Hij zelf heeft zich echter dikwels
reeds uitgesproken, dat hij overtuigd was, dat ge ter wille van onze
eensgezindheid, steeds bereid zoudt zijn een ondergeschikte plaats in te
nemen."
»Ja, dat is zo. Hoewel ik zeer goed weet, dat als er van recht sprake
moest zijn, niemand meer dan ik voor het Kommandant-Generaalschap zou
zijn aangewezen. Ik heb echter altijd getracht zaken naar hun rechte
waarde te schatten, en steeds bevonden dat van iedere erepost het
»ijdelheid der ijdelheden" van de schrijver der Spreuken ten volle
geldt. Maar wie van jullie beiden heeft ons plan aan de Uijstrek
blootgelegd?"
»Ik heb dat ondernomen," antwoordde van Staden. »Uijs weet dat ik zijn
boezemvriend, zijn warme voorstander ben. Oom Sarel heeft zich altijd
buiten en boven alle partijen gehouden, dus kwam het plan van mijn
lippen als een der ondersteuners van Uijs, beter dan uit de mond van oom
Sarel."
»Dan blijft nu nog slechts over dat je Potgieter gaat zien," hernam
Maritz, »want ik zou me sterk in Uijs vergissen, als hij een
struikelblok in de weg zou zijn."
»Goed, wij kunnen dadelik gaan," zeiden de anderen, »maar ge moet ons
vergezellen."
»Dat zou stellig verkeerd en niet billik tegenover Uijs zijn. Je hebt
hem zonder mij gezien, en als ik nu mee naar Potgieter ga, zal men grond
hebben te vermoeden, dat ik met hem samenspan om Uijs te verdringen. Ik
ben bereid achteruit te staan, maar zeker niet om mij aan blaam bloot
te stellen. Je kunt echter aan Potgieter zeggen, dat ik met het plan
bekend ben en het goedkeur; ook dat Uijs nog onbeslist is, maar dat je
vertrouwt, dat hij ook zal instemmen. Geeft Potgieter zijn goedkeuring
ook, dan ga ik van avond met jullie mee naar Uijs."
Toen Cilliers en van Staden enige ogenblikken later bij de tent van
Potgieter aankwamen, vonden zij hem buiten bij zijn wagen staan. Zijn
gelaat was bewolkt, en hij was blijkbaar in geen aangename stemming. De
vergadering met zijn partijgenoten was pas afgelopen, zonder dat er een
bepaald besluit genomen was. Het was hem echter duidelik geworden, dat
hoewel zijn aanhangers allen voor hem zouden stemmen, slechts weinigen
bereid waren tot dat uiterste met hem mede te gaan, dat opgesloten
lag in zijn dreigement, Natal te zullen verlaten, indien hij niet
tot Kommandant-Generaal werd verheven. Potgieter was eerzuchtig
en stijfhoofdig van aard, maar aan zijn rechtschapenheid, moed en
rondborstigheid viel niet te twijfelen. Op het ogenblik toen de andere
twee hem naderden, overwoog hij bij zichzelf of het niet zijn plicht
was, morgen in de Krijgsraad tot Uijs te zeggen: »Ik geef het je
gewonnen, maar onder je staan wil ik niet. Ik zal me zonder verzuim over
de bergen terugtrekken, met degenen die me willen volgen, hetzij zij
velen of weinigen zijn."
Na het wisselen van de morgengroet richtte hij de vraag tot Cilliers:
»Verkiest oom Sarel dat wij in de tent zullen gaan, of kunnen we hier
spreken? Mij schijnt het dat ge mij iets mee te delen hebt."
»Je hebt recht geraden, mijn vriend!" antwoordde Cilliers. »We komen je
bezoeken om met je te spreken over de zaak, die tans de belangrijkste
voor de gehele trek is. Wat mij betreft, laat ons op de wagenkist gaan
zitten en in vertrouwen met elkander spreken. Ik geloof niet dat iemand
ons zal komen hinderen."
Zij klommen op de wagen en Cilliers deelde aan Potgieter mede wat de
lezer reeds bekend is, en legde hem het plan bloot, dat door van Staden
in de vergadering van de Uijspartij was duidelik gemaakt.
Potgieter luisterde met aandacht, en schoon hij nu en dan de wenkbrauwen
fronste, alsof een of ander punt hem onaangenaam trof, viel hij de
spreker niet in de rede. Toen Cilliers echter geëindigd was, vroeg hij
enigszins schamper: »Als ik u dus wel verstaan heb, is de zaak deze:
Maritz zal zich terugtrekken, en stem ik toe, dan zal Uijs het bevel
voeren over een deel van het kommando dat tegen Dingaan optrekt, en ik
over het andere deel. Stem ik echter niet toe, dan schenkt Maritz zijn
ondersteuning aan Uijs, die dan als Kommandant-Generaal zal worden
gekozen."
»Dat is in zoverre juist, maar sluit niet alles in," hernam Cilliers.
»De eerste oplossing is deze: Maritz trekt zich terug; de keuze bepaalt
zich dan tussen u en Uijs, die bereid is je te erkennen, indien
je gekozen wordt, mits je toestemt hem te zullen erkennen, als de
meerderheid voor hem is. Kan dit echter niet geschieden, dan is het in
de tweede plaats overigens zoals je gezegd hebt."
Na enig peinzen hernam Potgieter: »Ik bewonder en prijs het in Uijs, dat
hij zich aan de meerderheid onderwerpen wil, als die mij zou kiezen.
Een jaar geleden zou ik hetzelfde hebben gedaan, maar nu nimmer weer.
Ik wil de doden laten rusten, maar toch moet ik u vragen: was Retief
niet de leidsman, door de meerderheid gekozen, en door de minderheid
geëerbiedigd, en waartoe heeft zijn voortvarendheid hem zelf en de trek
gebracht? Nee, ik zal liever morgen openlik in de Krijgsraad verklaren,
dat men Uijs kiezen moet, maar dat ik, met wie mij volgen wil, terugga
naar mijn vrienden, die zich over de Vaalrivier hebben neergezet."
»Mijn broeder," zei Cilliers, »vraag jezelf af of dit recht zou zijn.
Overweeg bij jezelf, wat je landgenoten van je zullen denken. Hendrik
Potgieter vlucht uit Natal, nu het onschuldig vergoten bloed gewroken,
een misdadig, trouweloos zwart volk getuchtigd moet worden. Ik vrees dat
men alle grond zal hebben, om je van lafhartigheid te verdenken, als je
blijft volharden bij wat je gezegd hebt."
»Oom Sarel, niemand die me kent, zal aan mijn moed twijfelen, en mij is
en blijft het onverschillig, wat de anderen van me denken. Ik beschouw,
dat het me rechtens toekomt de leider van deze trek te zijn. Reeds
eenmaal heb ik van dat recht afgezien, en heb daar berouw van gehad; ten
tweede male zal ik dat niet weer doen, en om de schijn te vermijden van
tweedracht te verwekken, zal ik dit land verlaten."
»Neef Hendrik, je woorden klinken schoon. Zij misleiden je, maar zullen
ze anderen, die nadenken willen, ook misleiden? Daar twijfel ik aan. Je
eigen mond zal je veroordelen. Je zegt dat je het land zult verlaten,
om de schijn te vermijden dat je tweedracht verwekt. Door dit te doen,
lever je het beste bewijs dat je tweedracht verwekt hebt. Het gevolg
van tweedracht is scheuring en je scheurt jezelf van ons los, en
onbillikerwijze, want je behoort evenals Uijs gewillig te zijn, te
berusten bij de beslissing van de meerderheid."
»Onder de meerderheid zal ik niet berusten, tenzij de keuze op mij valt.
Dat staat eenmaal bij mij vast, en niets ter wereld zal me daarvan doen
terugkomen. Verder is het zoals ge zegt: door heen te gaan, mag het
schijnen alsof ik de tweedrachtige ben, maar als ik blijf, zal de
tweedracht immer groter worden."
»Weer veroordeelt je je eigen mond, neef Hendrik; door te erkennen, dat
zolang als je blijft de tweedracht immer groter zal worden, erken je dat
de schuld bij jou te zoeken is. Waarom neem je je niet voor te blijven,
met de ernstige bedoeling, al wat mogelik is te doen om alle tweedracht
te voorkomen?"
Potgieter was in het nauw gebracht. Hij moest dit zelf erkennen, en zei:
»Oom Sarel, het valt me zwaar om met u in woordestrijd te zijn. Ik kan u
niet weerleggen." En hij verzonk in ernstig nadenken.
Tans merkte Frans van Staden, dat de beurt aan hem gekomen was. Hij zei:
»Wij praten al zolang, en mijn gedachten lopen uit elkaar. Ik kan ze
niet bijeenhouden als ik mijn pijp niet in de mond heb. Ik zal eerst
stoppen, en dan wil ik ook mijn stukje brood in de melk kruimelen." Zijn
tabakszak, pijp en tondeldoos waren spoedig uit zijn zak. Hij stopte,
sloeg vuur, stak zijn pijp aan, en vervolgde, na enige rookwolken te
hebben uitgeblazen: »Kijk, neef Hendrik! Ik wil aannemen dat alles
wat jij, en ook alles wat oom Sarel zegt, van je eigen, afzonderlik
standpunt beschouwd, volkomen waar en juist is. Maar wat je geheel en
al uit het oog schijnt te verliezen, is het plan waaraan Maritz zijn
goedkeuring heeft gehecht, en dat Uijs ongetwijfeld reeds in gunstige
overweging neemt. Wij kiezen geen Kommandant-Generaal. Wij gaan
gezamenlik de gemeenschappelike vijand bestrijden. Jij voert je mannen
aan, en Piet Uijs de zijnen, en waar het mocht worden vereist, beslist
de Krijgsraad. Waarlik! hiertegen kan je geen bezwaar hebben; en maak je
hiertegen bezwaar, dan moet ik zeggen, dat je òf tweespalt zaaien, òf de
vijand de rug toekeren wilt."
»Neef Frans," hernam Potgieter, »je plan mag mooi klinken, maar zal in
de uitvoering talrijke bezwaren opleveren. Om slechts één te noemen.
Is het niet mogelik dat door Uijs en mij tegenstrijdige bevelen kunnen
worden gegeven, en dat daardoor verwarring zal kunnen ontstaan?"
»Bedenk, mijn vriend, dat als het kommando uittrekt, gehandeld zal
worden door jou en Uijs volgens een vast ontworpen plan, en daardoor
alle verwarring zal worden voorkomen," antwoordde van Staden.
Potgieter bleef een wijle met gebogen hoofd zitten. Plotseling hief hij
het hoofd op. Zijn besluit was genomen. »Het zij zo. Indien Uijs in je
plan bewilligt, dan doe ik hetzelfde," zei hij.
»Ik dank je voor dat woord, mijn broeder," hernam Cilliers, »dit is de
eerste stap om de eensgezindheid onder ons te bestendigen. Nu moet ik je
nog vragen een tweede stap te nemen. Je moet met ons naar Uijs gaan en
hem zelf je besluit meedelen."
»Nee, dat doe ik niet! Ik wil Uijs niet in de waan brengen, dat dit plan
van mij is uitgegaan, en dat ik hem overreden wil er in toe te stemmen.
Naar mijn mening zal het voldoende zijn, als Uijs morgen in de
Krijgsraad mijn besluit verneemt."
»Mijn vriend," hervatte Cilliers, »ik ben zeker dat als ik je de reden
zeg, waarom ik verlang, dat je zelf Uijs met je toestemming bekend moet
maken, je aan mijn verzoek zult voldoen. Bij de laatste vergadering heb
je je in een ogenblik van opgewondenheid laten ontvallen, dat Uijs
hier gekomen was met het doel je te onderkruipen. Dat heeft hem diep
gegriefd. Ik weet, dat je in je hart overtuigd bent, dat hij met het
edel doel om hulp te bieden hierheen is gekomen, en niet om je te
onderkruipen. Je plicht als man en christen brengt het mede, dat je die
woorden terugtrekt en Uijs de broederhand gaat bieden."
»U hebt gelijk, oom Sarel," antwoordde Potgieter, »die woorden moest
ik me niet hebben laten ontvallen. Ik zal met u naar Uijs gaan. Bepaal
slechts wanneer."
»Ik dank God, dat Hij zo genadiglik de ramp, die ons dreigde, heeft
afgewend," riep Cilliers bewogen uit. »Laten we dadelik naar Uijs gaan."
»Nee, niet te haastig, oom Sarel," zei van Staden. »Laat ons blijven
bij onze afspraak met Uijs en hem van avond gaan zien. We kunnen neef
Hendrik komen afhalen. Uijs kan intussen nadenken over hetgeen wij hem
hebben gezegd."
»Neef Frans spreekt recht," zei Potgieter, »het is beter dat wij Uijs
zien op de door hem bepaalde tijd. Als we eenmaal met hem de zaak
bespreken, kan het zijn dat ons gesprek lang duren zal. Dus tot van
avond; ik zal jullie afwachten."
Het was tans tegen de middag en onze vrienden hadden nauweliks hun
gesprek geëindigd, toen er een biezondere beweging in het lager op te
merken viel. Een troep langzaam voorttrekkende ruiters naderde het kamp.
Zij werden zonder vrees en met blijde nieuwsgierigheid ingewacht. Door
de verrekijkers had men bespeurd, dat zij blanken, dus vrienden waren.
Eenige mannen, waaronder Uijs en Maritz, zadelden hun paarden, en reden
de naderende ruiters te gemoet. Op omtrent een mijl afstand van het
lager kwamen de ruiters bij elkander. Van weerszijden stegen zij van
hun paarden, en weldra verkondigden de vreugdeschoten aan het lager de
hartelikheid van de ontmoeting.
Het bleek dat deze ruiterbende bestond uit zestig blanken, benevens hun
achterruiters, die onder aanvoering van Andries Bester gekomen waren om
hun broeders bijstand te verlenen in de krijg tegen Dingaan. Zij waren
in de omtrek van Thaba N'chu, in het gebied van het Barolong opperhoofd
Moroka gelegerd, toen Karel Strijdom hun het eerste bericht van de
bloedige moord in Natal bracht. Het vereiste bij hen niet veel overwegen
om te besluiten hun stamgenoten te hulp te komen en om aan dat besluit
uitvoering te geven. Zij brachten met zich een aanzienlike hoeveelheid
lood en kruit. Dankbare opgewondenheid heerste in het lager, waar men
zich, alzo versterkt, van de overwinning op Dingaan zeker achtte. Bester
bracht ook nog het bericht, dat men van Thaba N'chu boden had verzonden
naar de Kolonie, om de tijding van de moord over te brengen, en men
rekende op de Afrikaanse broedergeest, en verwachtte nu ook spoedig hulp
en ondersteuning uit de oude Kolonie.
Die hoop werd later niet teleurgesteld, want nauweliks hadden de
kolonisten vernomen, welk zwaar verlies hun broeders in Natal had
getroffen, of hulp werd hun toegezonden, bestaande niet alleen uit
strijdbare mannen, maar ook uit mond- en krijgsbehoeften. Doch hervatten
wij de draad van ons verhaal.
Terwijl Cilliers en van Staden hun komplot, indien wij het zo noemen
mogen, om de eendracht in de trek te herstellen, uitwerkten, bracht Uijs
de morgen in ernstige overpeinzing door. Hij vroeg zich af, of hij recht
zou handelen, indien hij zich zou terugtrekken en zijn stem zou geven
voor Hendrik Potgieter als Kommandant-Generaal. Zijn hart raadde hem
alle eerzucht te verlochenen; zijn helder hoofd waarschuwde hem, dat
indien hij tot deze stap overging, hij slechts de kwade dag verschuiven,
het vuur van tweedracht zou doen voortsmeulen, om later in lichtelaaie
op te stijgen. En wat betrof het tweevoudige bevelhebberschap,
onder oppertoezicht van de Krijgsraad, duchtte hij het gevaar van
tegenstrijdige bevelen en uiteenlopende handelingen, dat daardoor zou
kunnen ontstaan. Zijn gepeinzen brachten hem niet nader tot een besluit,
en eindelik kwam hij tot de overtuiging, de zaak in de avond opnieuw met
Cilliers en van Staden te moeten bespreken, en zich alsdan door
omstandigheden te laten leiden.
Uijs zag verbaasd op, toen die avond, behalve de twee bezoekers die
hij verwachtte, ook Maritz en Potgieter zijn tent binnentraden. Voor
hij, na de avondgroet te hebben uitgebracht, een woord kon spreken,
trad Potgieter op hem toe en reikte hem de hand, met de woorden: »Neef
Pieter, ik ben hoofdzakelik gekomen om een onrecht, dat ik je heb
aangedaan, te herstellen. Op een ogenblik dat mijn gewone kalmte me
had begeven, heb ik je in tegenwoordigheid dezer vrienden en ook van
anderen, toegevoegd, dat je slechts naar Natal gekomen was met het doel
mij te onderkruipen. Ik had geen grond of recht deze bewering te maken,
en het spijt me innig dat ik dit gedaan heb. Ik trek mijn woorden
onvoorwaardelik terug. Vergeet ze ook, en laat ons vrienden zijn, zoals
voorheen."
De mannelike verklaring van Potgieter miste z'n uitwerking niet op het
edel, gevoelig gemoed van Uijs. Hij zei: »Neef Hendrik, ik zal niet
ontkennen, dat je aanmerking me diep heeft gekwetst; maar wat een eerlik
man doen kan om een begaan onrecht te herstellen, wanneer hij ziet dat
hij te ver gegaan is, dat heb je tans gedaan. Met vreugde reik ik je de
broederhand. Alles zij tussen ons vergeven en vergeten, en als de dag
aanbreekt, die ons tegenover de vijand zien zal, dan strijden we als
broeders naast elkaar."
»God schenke Zijn zegen op dit verbond van broederschap," zei Cilliers,
»en nu, vrienden, laat ons overgaan om het punt, dat voor ons hoofdzaak
is, te bespreken. Tot welk besluit ben je gekomen, Kommandant Uijs?"
Gert Maritz gaf aan Uijs de gelegenheid niet om te antwoordden,
maar zei: »Als de oudste in jaren onder de drie mannen die voor het
bevelhebberschap zijn genoemd, meen ik het recht te hebben, om eerst het
besluit waartoe ik ben gekomen, mede te delen. Ik heb me voorgenomen,
mij geheel terug te trekken, en ben bereid enig besluit, waartoe de
Krijgsraad morgen komen mag, te eerbiedigen, en de leider te volgen, die
door de meerderheid wordt gekozen. Ik vertrouw, dat mijn twee broeders
zich niet zullen terugtrekken, doch in zoverre mijn voorbeeld zullen
volgen, dat zij onder de meerderheid zullen bukken."
»Ik moet eerlik bekennen," zei Uijs, »dat het me spijt dat oom Gert
achteruitstaat, want ik was steeds bereid het gezag van de meerderheid
te erkennen, en zou nu vooral, meer dan ooit te voren, met vreugde
onder oom Gert hebben gediend."
»Broeders," zei tans Potgieter, »ik zou jullie en mezelf onrecht
aandoen, door je de gedachte te doen koesteren, dat ik iemand anders als
Kommandant-Generaal zal erkennen. Ik herhaal wat ik eenmaal heb gezegd:
Vóór ik dat doe, zal ik de trek verlaten. Een middenweg is me echter
aangewezen, die ik bereid ben in te slaan, namelik dat Kommandant Uijs
en ik te zamen het bevel zullen voeren, onderworpen aan het oppergezag
van de Krijgsraad."
»Maar heb je de gevaren overwogen, broeder, die aan dit plan verbonden
zijn?" vroeg Uijs.
»Neef Pieter, ik begrijp je volkomen," hervatte Potgieter, »maar als we
ons voornemen om als broeders hand aan hand te werken, verwacht ik van
zodanige schikking slechts gunstige gevolgen, en geenszins gevaar. Ik
maak me sterk te zeggen, dat het spreekwoord van ons gelden zal: Twee
hoofden zijn beter dan één."
»Welnu, broeders, dan aarzel ik niet langer," klonk het van de lippen
van Uijs, »ik neem de schikking aan. Neef Hendrik en ik zullen samen
de leiders zijn, en één in hart en zin, met hetzelfde doel voor ogen,
vertrouw ik dat wij tot nut en zegen voor de trek zullen zijn. Het enige
dat nu nog nodig zal zijn, is dat de Krijgsraad onze schikking morgen
bekrachtigt."
»En dat God de Heer Zijn zegel er aan hecht," klonk de diepe stem van
Sarel Cilliers. »Kom, laat ons neerknielen en Zijn zegen afsmeken."
XI.
De dood van Mazesi, de tovenaar van Dingaan.
Nog was de zon de volgende morgen niet boven het gebergte gerezen,
en waren nog enkele langzaam verblekende sterren zichtbaar aan
de hemeltrans, toen op een klein, uit rotsblokken gevormd en met
heestergewas en enige grote bomen begroeid kopje, op anderhalve mijl
afstand van het lager, een bejaarde kleurling van de grond tussen grote
granietblokken, waar hij blijkbaar de nacht doorgebracht had, opstond,
en de blik naar het Oosten slaande, tot zich zelf sprak: »De zon zal
weldra de vlakte beschijnen, heden zal ik dan vernemen wat de plannen
van de Molonga zijn."