Nauweliks had hij deze woorden geuit, of een dof gedreun kwam voort uit

de zwarte wolkemassa, die zich ten Zuid-Westen van het gebergte had

opeengehoopt, terwijl de wind uit die richting kwam opzetten. De lucht,

daareven nog azuurhelder, werd asgrauw van kleur, en belette weldra het

doordringen aan de zonnestralen. Het gehele landschap, daar straks nog

in vrolike tinten gekleurd, lachend en dartelend in de zonneschijn,

scheen achter een sombere sluier teruggezonken. De vogels zochten in

snelle, lage vlucht de bescherming hunner nesten. De drukkende, met

elektriciteit geladen dampkring werkte zwaarmoedig op onze trekkers,

en maakte hun trekdieren loom en traag. De wind verhief zich in steeds

sterker wordende vlagen, en dreef de orkaan op zijn witgepluimde

wolkekoets steeds nader en nader. Daar kliefde de eerste bliksemflits

als een vlammend zwaard de lucht, gevolgd door een ratelende donderslag,

die het gebergte op zijn grondslagen scheen te doen schudden, en

door de rotsen weerkaatst, van kloof tot kloof bleef voortbulderen;

en het gerommel was nog niet in de verte verstorven, toen een tweede

bliksemstraal de wolken scheen te scheuren, gevolgd door een even zware

slag. Tans barstte de storm los met volle woede. Galant had dadelik zijn

wagen doen stilstaan, hetgeen noodwendig de anderen, die hem opvolgden,

hetzelfde deed doen, en hij was naar voren, naar de wagen van Viljoen

gelopen, die juist een punt bereikt had, waar het pad een draai maakte

tussen de bergwand en de rand van een diepe kloof. De vrouw van Viljoen,

die met haar kinderen van de wagen was geklommen, wilde weer daarin

beschutting zoeken tegen het onweer, maar Galant hield haar tegen, en

op zijn aandringen spoedde zij zich met de kleinen terug naar de wagen

van Uijs, die betrekkelik veiliger was geplaatst. De regen, van grote

hagelstenen vergezeld, viel tans in stromen neder, en de rukwinden

kwamen met zoveel geweld, dat zij de zeilen der wagens scheurden, de

wagens dreigden omver te werpen, en het struikgewas op de bergranden uit

de grond rukten. Onafgebroken schoot de bliksem van wolk tot wolk en

dikwerf loodrecht in de aarde. Het geluid van de ene donderslag rolde in

de andere, een majestueus maar vrees inboezemend akkoord. De ossen, door

wind en regen gezweept, door de hagelstenen getroffen, door de bliksem

verschrikt en verblind, weigerden stil te staan en werden door drijvers

en leiders met de uiterste moeite tegengehouden. Galant bevond zich

nog bij de wagen van Viljoen, met wiens zoontje en twee bedienden hij

trachtte de ossen te doen stilstaan, hetgeen hun echter slechts ten dele

gelukte. Door het heen en weer rukken en slingeren waren de achterwielen

van de wagen reeds op de rand van de kloof geraakt. Galant zag het

gevaar en zond de jonge Viljoen terug naar de achterste wagens om hulp

te halen. Druipnat liep de kleine knaap, die zich ternauwernood in de

sterke wind op de been houden kon, naar achteren terug. Het was echter

reeds te laat. Op eens lieten enige grote klippen bij het achterstel van

de wagen los, en stortten naar beneden; het ene achterwiel sloeg over de

rand van de kloof, een ogenblik nog stond de wagen te waggelen, alsof

hij trachtte het verloren evenwicht terug te bekomen. De achterossen

hieven een angstig gebrul aan, de andere ossen vlogen naar voren; het

trektouw brak voor de disselboom af, en de wagen, de twee in doodsangst

loeiende achterossen met zich slepende, verdween over de rand van de

kloof en stortte in de diepte neder.

Alsof de stormgeest met dit zoenoffer bevredigd was, begon de orkaan

spoedig na dit ongeluk te bedaren. De wind ging liggen, de regen hield

op, en het wolkgevaarte, gedekt door een regenboog, schitterend in zijn

prismatiese kleurepracht, zakte statig af naar het Noord-Oosten, uit de

verte zijn dof gedreun als ten afscheidsgroet doende horen. De zon brak

door, en speelde in schitterend licht op de met hagelstenen wit beladen

bergkruinen en hellingen, waarlangs het regenwater, hier in kleine

voren, daar in bruisende stromen, afdaalde. Het landschap, als door de

regen gereinigd, was in schoner, helderder tinten getooid. De gezuiverde

atmosfeer scheen met verse ademtochten het aardrijk te verlevendigen, en

het lustig gekweel der vogels weerklonk opnieuw vrolik door het

gebergte.

Op de plaats van het ongeluk hadden zich velen trekkers verzameld en

stonden geschaard om Andries Viljoen en zijn gezin. De wakkere man had

tranen in de ogen. Hij, die de vijand steeds moedig te gemoet ging, de

dood in de ogen had gezien zonder schromen, hem schoot het gemoed vol,

nu hij met uitzondering van twaalf ossen, al zijn have, het weinigje dat

hij uit de overvloed die hij in de Kolonie genoten had, met zich in de

wildernis had gevoerd en zorgvuldig had bewaakt, in de afgrond voor

zijn voeten verpletterd en verzwolgen moest denken. En zijn twee trouwe

achterossen, Zwartland en Potberg, waarop hij zo staat kon maken, die

hem reeds zoveel jaren hadden gediend, vermorzeld lagen zij daar in de

diepte. Zijn vrouw stond te weeklagen. Arme ziel! Niet alleen was met

de wagen het voertuig, maar ook de woning van haar en haar kinderen

verdwenen, en met die woning alles wat zij bezaten. Hier stonden zij

zonder een droge draad aan het lichaam, en hun andere kleren had de

bergkloof verzwolgen. Alles, alles, hun beddegoed, mondbehoeften,

medicijntrommeltje of huisapotheek, direkt uit de winkel van Juritz

afkomstig; de grote Statebijbel, geschenk der Dortse vaderen van

geslacht tot geslacht, en het Psalm- en Gezangboek, haar door haar

moeder in de hand gedrukt op de dag toen zij als een blozende bruid het

ouderlik huis verliet. Verloren! Alles verloren! Was het wonder, dat die

arme vrouw, die moedig in de kruitdamp, toen de Zulu's hen aanvielen,

aan de zijde van haar echtgenoot gestaan en hem de ammunitie had

aangereikt, tans in tranen wegsmolt? »Here! Here! Wat begin ik nu? Mij

is niets overgebleven" riep Andries Viljoen wanhopig uit.

»Nee broeder, zo erg is het niet," klonk de forse stem van Barend

Greyling. »Denk er aan hoe velen onzer broeders niet alleen al hun have,

maar nog vrouw en kroost in de laatste tijd zich hebben zien ontrukt; en

misschien nog zelf verwond en verminkt, van alles beroofd, het lieve

leven moeten voortslepen, afhankelik van de genade van anderen. Hier

staat ge met de uwen nog fris en gezond; en wat het verlies van je have

betreft, dat is niet jou verlies, maar dat van ons allen. In aller

belang waart ge als gids aan ons hoofd en moest je eigen belang in de

waagschaal stellen. Gezamenlik behoren en zullen wij je verlies goed

maken." »Dat zullen wij!" weerklonk het rondom hem. »Welnu, waarom dan

getreurd? Laat een twaalftal mannen bij het begin van de kloof afklimmen

en zien wat nog te redden is. Dank de Hemel, dat je vrouw en kleintjes

niet met de wagen samen in de afgrond zijn geslingerd."

Deze krachtige en verstandige woorden misten hun uitwerking niet, en

brachten Viljoen en zijn gezin tot berusting en kalmte. Met spoed

waren verscheiden mannen in de kloof afgeklommen. Viljoen had zich bij

hen gevoegd. Zij moesten een moeitevolle taak ondernomen hebben, want

lang, wel enige uren, lieten zij op zich wachten. Maar eindelik, daar

klauterden zij weer naar boven, ieder beladen met zijn last. Onder de

biezondere omstandigheden van de trek, hadden vele zaken, die in de

wildernis niet verkrijgbaar waren, een biezondere waarde. Het houtwerk

van de wagen was natuurlik geheel verbrijzeld, maar al het ijzerwerk

werd losgemaakt, verzameld en naar boven gedragen. Veel van het

beddegoed en de kleren, schoon enigszins gehavend en beschadigd, werd

gered. De medicijntrommel was met zijn inhoud verbrijzeld, maar de

Statebijbel en het Psalmboek werden tot vreugde van vrouw Viljoen, haar

heel en gaaf ter hand gesteld.

Ruimte ontbreekt ons, de verdere tocht voet voor voet te volgen.

Wij moeten ons bij het neerschrijven der voornaamste gebeurtenissen

bepalen. Sluiten wij dan dit hoofdstuk met te zeggen, dat de wagentrek

van Uijs zonder verder ongeval vier dagen later bij het lager van de

Grote Trek in Natal aankwam.

IX.

Aankomst van het lager van Piet Uijs in Natal.

Zalig uur van het wederzien, te meer wanneer de scheiding is gevallen in

tijden van rampspoed en gevaar; wanneer de gescheidenen, aan elkander

denkende, zich de geliefde afwezige voorstellen, door lagen en listen

omringd, door een sluwe en naar bloed dorstende vijand bezet, met de

dood worstelende, stervende met de geliefde naam op de lippen. Als ieder

uur de angst en de spanning heeft doen stijgen, de onrust het hunkerend

verlangen heeft vermeerderd, en het gelovig gemoed slechts verlichting

heeft gevonden in het ootmoedig: »Gij weet het, Heer!" Als het hart

sneller klopt, de boezem heviger prangt, hoe meer de stonde genaakt

wanneer het floers van de onzekerheid zal worden weggerukt, men zich in

de armen van de geliefde zal kunnen werpen, of voor altijd van hem op

aarde gescheiden, zijn droevig lot bewenen zal, en slechts lafenis zal

kunnen putten uit de bron van de hope des wederziens hiernamaals. Zalig

uur van het weerzien op aarde, als de benauwende vrees en twijfeling

zich oplossen in het zeker zijn omtrent elkanders veiligheid en welzijn,

als het zweven tussen hoop en vrees als een schim verdwijnt en plaats

maakt voor het verrukkelik, dankbaar gevoel, dat de boezem doortintelt

bij het bewustzijn: wij leven. Wij zijn gezond. God heeft ons voor

elkander gespaard. Zalig uur van het weerzien. Voorsmaak van het

ogenblik, wanneer de moede strijder de aardse wapenrusting aflegt, en op

de vleugelen van de Seraph stijgende, de geliefden, van wie hij op aarde

gescheiden werd, in reiner sfeer terugziet voor de troon van God.

Het was een vreugdevol weerzien tussen Uijs en de mannen van zijn

paardekommando, en hun vrouwen en kinderen die met de wagentrek waren

aangekomen. Wederzijds waren allen gezond, en sedert de scheiding aan de

andere zijde van het gebergte, hadden zij het verlies van geen enkel

leven te betreuren gehad.

De Kommandant ontving het rapport van Barend Greyling. Hij was biezonder

verheugd over de terugkeer van Andries Viljoen en de andere volgelingen

van Strijdom, die zich tans voor goed bij hem hadden aangesloten; en

toen hij het verlies van de wagen vernam, beloofde hij nog de volgende

dag dit verlies te zullen goedmaken. Dat zou niet moeilik gaan, want

in het lager bevonden zich verscheiden wagens met trekgoed, tenten,

huisraad en vee, waarvan de eigenaars vermoord waren, en de Krijgsraad

had besloten deze goederen te verkopen, en de opbrengst te bewaren,

totdat de gelegenheid zich zou voordoen die te overhandigen aan de

rechtmatige erfgenamen. Verder deelde de Kommandant in korte woorden aan

Greyling mede, hoe de zaken stonden, met betrekking tot het kiezen van

een hoofdaanvoerder, en besloot hij met te zeggen, dat hij de volgende

morgen een vergadering van de voormannen van zijn trek zou beleggen, om

met hen te beraadslagen.

Die avond vinden wij Uijs, met zijn gezin verenigd, in zijn tent terug.

De dagtaak was geëindigd, de wagentrek bij het grote lager ingelijfd en

behoorlik verzorgd. Enkele vriendinnen waren de vrouw van Uijs komen

welkom heten, doch tans begreep men dat het de echtgenoten verkiesliker

zou zijn, om in hun eigen huiselike kring alleen gelaten te worden. Op

het gelaat van allen is een stille vreugde te lezen. Niemand ontbreekt

er; zelfs de oude Galant heeft zijn hoekje in de tent gekregen. Immers,

hij heeft ook nog verslag aan zijn oubaas te doen, en heeft zich

hiervoor reeds voorbereid.

Het avondmaal is geëindigd. Op last van zijn vader heeft Dirk de boeken

uit de wagenkist gehaald, en Uijs doorbladert langzaam de Bijbel,

zoekende naar een voor de gelegenheid toepasselik hoofdstuk om te lezen.

Hij heeft gevonden wat hij zoekt, en begint met gevoel Psalm 103, waarin

Israëls koninklike dichter de lof van Jehovah zo welsprekend bezingt,

te lezen. Zijn vrouw luistert, de blik op het gelaat van de dierbare

echtgenoot geslagen. Een traan glinstert in haar oog. 't Is een parel

van dankbare aandoening. Na het lezen stort de huisvader zijn hart uit

in een vurig gebed, en dit dankoffer op het eenvoudig huisaltaar wordt

besloten met het zingen van het eerste vers van Psalm 146, niet naar de

zangwijze die in het Psalm- en Gezangboek te vinden is, maar naar de

schone melodie, hier gemeenzaam bestempeld als »op liederwijze," op de

tonen van welke wijze gezongen, deze Psalm nog dikwerf des avonds uit

menige Zuid-Afrikaanse woning ten hemel stijgt.

Prijs de Heer met blijde galmen:

Gij, mijn ziel, hebt rijke stof.

'k Zal, zo lang ik leef, mijn psalmen

Vrolik wijden aan Zijn lof.

'k Zal zolang ik 't licht geniet,

Hem verhogen in mijn lied.

»Dirk, mijn kind," zei Uijs, »kom hier naast me zitten."

Gretig gaf de knaap aan dit verzoek gehoor, en plaatste zijn

veldstoeltje naast dat van zijn vader. Uijs legde de hand op het blonde

hoofd van zijn zoon en vervolgde: »Je moeder, en ook Barend Greyling

hebben me verteld van de nauwe ontkoming, die je met Galant gehad hebt,

bij de ontmoeting met de leeuw. Wel heb ik, en hebben wij allen ruime

stof om de Heer voor Zijn grote goedheid dank toe te brengen. Zeg me,

Dirk, heb je God voor die uitredding gedankt?"

»Ja vader, dezelfde avond nadat het gebeurd was, heeft moeder me naast

zich doen neerknielen, en samen hadden we de Heer gedankt, omdat Hij me

gered had."

»Dat was recht, mijn kind. Ken de Heer in al uw wegen. Maar nu een

andere vraag, en beantwoord die openhartig. Was je niet bang, toen je de

leeuw voor je zag?"

»Nee vader," antwoordde de knaap levendig, »bang was ik niet. Ik

gevoelde me meer verwonderd. Het gebeurde ook alles zo plotseling, er

was geen tijd om bang te worden."

»Laat ik u vertellen, Baas Piet," viel Galant in, »ik kan mos goed zien

als een mens bang wordt, en ik verzeker u dat daar niet één haar op Baas

Dirkie z'n kop was, dat bang was. Hij was zo koel als een komkommer. Had

hij niet zo gauw gevuurd, dan had die verduikerste leeuw mij zomaar stuk

gemaakt."

Een glimlach plooide de lippen van Uijs, toen hij hernam: »Ik ben blij

om dat te horen, Galant, maar zeg jij me nu, was jij zelf niet bang?"

»Ah, nee, oubaas!" riep de oude, merkbaar verontwaardigd uit. »Nou

vraagt u me tegen beter weten in; wanneer heeft Baas me al bang gezien?

Dat is zo, ik heb een slecht schot gedaan, want in plaats van de leeuw

de kogel voor de kop te geven, heb ik net zijn bek gebroken; maar dat

was niet van bangheid, dat was de schuld van mijn ogen; ze zijn niet

meer zo goed als vroeger, toen oubaas nog niet boe of ba kon zeggen."

»Dat is zo, Galant, ik maakte maar een grap met jou. Niemand weet beter

dan ik, dat je geen lafaard bent."

»Ah ja, als Baas Piet dat zegt, dan is de hele wereld weer recht,"

hernam de in zijn eer getaste Galant. »Ik verzeker de Baas dat de

kleinbaas en ik, geen van twee bang waren."

»Wel, Dirk, het doet me goed te weten dat je hart op de rechte plaats

zit. Blijf met het oog op God altoos zo, en je zult geen schande over

de naam van Afrikaner brengen. Binnen kort zullen we tegen Dingaan

optrekken, en dan ga je met Galant mee, zoals ik beloofd heb. En nu,

Galant, wat heb je me nog te vertellen?"

»Ja, Baas Piet, mijn ounooi zal u kunnen vertellen, of ik haar goed

over de weg gebracht heb. Ik heb geprobeerd op te passen, zo goed als

ik kon, maar er zijn daarom een paar plaagplekken, die ik aan Baas

moet bekend maken. Witlies z'n vaarskalf heeft lamziekte gekregen en

is doodgegaan. Ik heb hem gedokterd, maar dat heeft niks geholpen. En

Koelman, oubaas z'n hot vooros, hij was zoals Baas weet al banja oud,

hij heeft losse tanden gekregen en wou niet vreten; toen we 's avonds

aan de overkant van de berg uitspanden, zag ik, dat zijn tijd voorbij

was. Ik heb banja jammer gehad, maar de andere morgen moest ik hem

afslachten en zijn vel hebben we saamgebracht. Dat is al wat ik aan Baas

kan overbrengen. Daar is net nog één ding, dat ik meen dat Baas van mij

moet vernemen. Daar is dat ongeluk met Baas Andries Viljoen z'n wagen.

Geloof me, Baas Piet, ik heb gekeerd en geprobeerd zoveel als ik kon, om

de wagen in 't pad te houden; maar de donder heeft gedreund, de ossen

hebben gebulkt, en het volk heeft geschreeuwd en toen ik weer tot mezelf

kwam, lag de wagen en de twee achterossen al in de kloof. We konden 't

niet helpen. Ik weet, ik heb mijn best gedaan. Baas Piet moet nou net

proberen en voor Baas Andries weer een andere wagen krijgen."

»Goed, Galant, je hebt weer zoals altoos je plicht gedaan en getoond,

dat ik op jou staat kan maken. Ik blijf jou dankbaar. Maar kom, de nacht

breekt aan en we zijn allen vermoeid. Laat ons gaan slapen."

De volgende dag vinden wij in de morgen de voorste afdeling van de tent

van Uijs met de voormannen van zijn trek gevuld. Onder hen neemt Barend

Greyling een eerste plaats in. Voorts vinden wij er onder anderen onze

oude vrienden Klaas Labuschagne en Louis Nel terug. Ook Andries Viljoen

ontbreekt niet; hij ziet er vergenoegd en tevreden uit, en geen wonder:

het verlies dat hij geleden heeft is hem, en terecht, vergoed, en hij

neemt, wat aardse goederen betreft, weer dezelfde positie in als te

voren; en wat meer zegt, de aandacht van zijn tochtgenoten is in het

biezonder op hem gevestigd geworden, en hij geniet een zekere mate van

onderscheiding, die hem vroeger vreemd was.

Toen de vergadering op de gewone wijze geopend was, nam Uijs het woord.

»Broeders," zei hij, »we zijn heden bijeengekomen, om een zaak te

beslissen, die voor ons niet alleen, maar voor de gehele trek van

buitengewoon gewicht is. Er moet een aanvoerder aan het hoofd van

de trek worden geplaatst. Deze zaak werd reeds in een vergadering

besproken, toen velen uwer nog met de wagentrek aan de andere kant der

bergen waren. Toen werden drie mannen genoemd, namelik Gert Maritz,

Hendrik Potgieter en ik zelf. Te oordelen naar hetgeen ik van de lippen

van de achtenswaardige Gert Maritz heb horen vallen, zal hij gewillig

zijn zich te onderwerpen, indien de keuze van de meerderheid ten

voordele van Potgieter of van mij mocht uitvallen. Wat Potgieter

aangaat, hij heeft openlik verklaard, dat hij niemand als aanvoerder zal

eerbiedigen, en over de bergen terug zal keren, als hij niet gekozen

wordt. Daarop heb ik gevraagd de beslissing uit te stellen totdat mijn

gehele trek hier zou zijn, en ik mijn mannen zou kunnen raadplegen. Met

dit doel dan heb ik u heden bijeengeroepen, en laat het tans aan u over

voor mij te beslissen."

't Was Barend Greyling die het eerst 't woord nam. »Kommandant," zei

hij, »toen wij u als voorman kozen, deden wij dit uit eigen vrije wil,

en met het volste vertrouwen op uw vastberadenheid en doorzicht. Bij mij

is dat vertrouwen niet verminderd; integendeel, het is meer en meer

aangegroeid en versterkt. Derhalve meen ik dat het aan u staat om in

deze te beslissen. Indien ge besluit, hetzij Maritz, hetzij Potgieter

als hoofdaanvoerder te erkennen, zal ik daarin berusten. Ik zou het

echter diep betreuren als er verdeeldheid in ons midden moest ontstaan

over het aanvoerderschap."

»Ik wens slechts één vraag te doen," zei Louis Nel. »Heb ik de

Kommandant goed verstaan, dat Hendrik Potgieter gezegd heeft te zullen

weigeren hem of Gert Maritz te erkennen, als de meerderheid ten gunste

van een hunner zou beslissen?"

»Ja," antwoordde Uijs, »Potgieter heeft duidelik verklaard dat hij

niemand anders als aanvoerder zou eerbiedigen, en ingeval hij niet

gekozen werd, met wie hem volgen wilden, Natal zou verlaten. Om niets

voor u geheim te houden, kan ik er bijvoegen, dat hij nog gezegd heeft,

dat ik over de bergen was getrokken met het doel om hem te

onderkruipen."

»Welnu," hernam Nel, »dan zal ik, al sta ik ook geheel alleen, weigeren

om hem als aanvoerder te erkennen, al kiest de meerderheid hem ook. Wij

zijn allen vrije mannen. Om volkomen vrij te zijn, ben ik hierheen

getrokken. Ik ben bereid mij ten volle te onderwerpen aan enige

beslissing van een meerderheid der onzen, maar niet aan het gezag van

iemand, die zelf niet onder de meerderheid buigen wil. Zodanig persoon

zou een dwingeland zijn. De stem van ons volk, de stem van de

meerderheid, moet als hoogste gezag onder ons gelden, en wie zich

daaraan niet wil onderwerpen, welnu, de gehele wereld staat voor hem

open."

»Kommandant," zei Andries Viljoen, »nu wil ik openhartig uitspreken. De

reden waarom oom Kasper Strijdom en velen met hem, waaronder ik mijzelf

tel, van de Grote Trek zijn teruggetrokken, was de onenigheid die in ons

midden over het Kommandant-Generaalschap dreigde te ontstaan. Oom Kasper

waarschuwde ons, dat aanvallen van buiten en getwist van binnen, een

dubbel gevaar daarstelden, waartegen wij niet zouden kunnen bestaan.

Wij weten dat oom Hendrik Potgieter een dapper man is. Waarom zullen we

hem niet als leider kiezen? Door uw woorden was het, oom Pieter, dat ik

en anderen met mij, teruggekeerd zijn. Nu reken ik er op dat ge uzelf

gelijk zult blijven. Er moet een plan gevonden worden om tot eenheid te

geraken."

»Maar," zei Greyling, »als Potgieter de meerderheid krijgt, dan kan ik

nog niet inzien, dat wij de trek behoeven te verlaten. Ik vraag mezelf

af: Wat was eigenlik het doel, waarmede we hier zijn gekomen? Zekerlik

niet om te beslissen wie Kommandant-Generaal zou zijn, maar ons doel

was onze broeders tegen de zwarte vijand te helpen. Wat zouden we

gedaan hebben, indien we bij onze aankomst hadden bevonden dat de

hoofdaanvoerder reeds gekozen was? Zouden we dan gezegd hebben: Nee, er

moet een nieuwe verkiezing plaats vinden, anders trekken we terug? Ik

ben zeker, wij zouden dat niet gedaan hebben, maar onze broeders hebben

geholpen, totdat de slag geleverd was. En waarom zullen wij nu niet

hetzelfde doen? Laat ons onder onze eigen Kommandant onze broeders

helpen, en hebben wij eenmaal Dingaan gestraft, dan is het gevaar

voorbij, en zal de toekomst ons leren wat ons te doen staat."

Een bejaard man, Jacobus Naudé, nam het woord en vroeg: »Moet ik

neef Barend goed verstaan? Is zijn mening, dat wij onder onze eigen

Kommandant zullen blijven, en slechts als hulptroepen met hem Hendrik

Potgieter zullen volgen, als hij tot leider verheven wordt?"

»Ja, oom Koos, dat is mijn mening. Ik wil geen ander dan mijn eigen

Kommandant als mijn hoofd erkennen. Maar mijn beschouwing is, dat wij

hier zijn gekomen om te helpen, niet om de wet voor te schrijven. Laten

de anderen kiezen wie zij willen, wij blijven vrij, zoals wij tot heden

toe nog waren, en als wij uittrekken, staan wij onder onze Kommandant,

die in overleg met de andere Kommandanten alle zaken verder kan

regelen."

»Daar kan ik me niet mee verenigen," hernam Naudé. »Als we eenmaal een

Kommandant-Generaal gekozen, en onder hem de oorlog tegen Dingaan tot

een gelukkig einde hebben gebracht, dan spreekt het als van zelf, dat

hij, in tijden van oorlog aan ons hoofd gestaan hebbende, ook in tijd

van vrede, het hoogste woord zal willen voeren. Nu wat Hendrik Potgieter

betreft. Ik ken hem van kindsbeen af. In de oorlog moge hij goed zijn,

maar, om als wij ons gevestigd hebben, hoofd van ons bestuur te zijn,

daarvoor deugt hij niet. Hij zou het vijfde wiel aan de wagen zijn."

»Ik stem samen met oom Koos," hervatte Louis Nel, »en ik wil verder

gaan. 't Is waar, wij zijn hier gekomen om te helpen, maar ik kan niet

inzien waarom wij, als de vijand met onze hulp overwonnen zal zijn, ook

niet de vruchten van de overwinning zullen genieten. Het land is breed

en ruim genoeg voor ons allen. Het is een heerlik land. Ik ben dit

voortdurend rondtrekken moede en heb mij voorgenomen, in de eerste

plaats te helpen om het land schoon te maken, en in de tweede plaats

mij hier te vestigen. Intussen volg ik geen andere aanvoerder dan Piet

Uijs."

»Mij schijnt het," zei Andries Viljoen, »alsof de voorspelling van

oom Kasper Strijdom ten volle zal worden bewaarheid. Maar wat zegt

Kommandant Uijs? Ik wil beslist zijn gevoelen weten, want zijn woorden

hebben mij bewogen, terug te keren, toen ik reeds met alles wat ik bezat

mij buiten de grenzen van Natal bevond."

Voordat Uijs antwoorden kon, werd het gordijn van de tent opgeheven, en

trad de waardige Sarel Cilliers naar binnen, gevolgd door Frans van

Staden.

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 8 / 13 段