Galant, door Dirk bijgestaan, had in een ommezientje een aanmerkelike

hoeveelheid mielies, uit de zakken van Dirk genomen, in hamels en bokken

veranderd. Intussen waren de genodigde knapen aangekomen, hadden zich

om het vuur geschaard en wachtten, de handen vol gesprongen mielies, op

de hun beloofde storie.

Galant had een paar malen uit zijn binnenste een onderaards geluid doen

horen en herhaaldelik gekucht. 't Was niet te ontveizen, dat hij het

gewicht van het ogenblik besefte. Zijn gehoor was groot, en hij moest

zijn onderwerp recht doen geschieden. Sommigen der knapen schuifelden

rond in ongeduldige afwachting; maar Dirk fluisterde hun toe: »Wacht

maar. Outa maakt zich achter mekaar." Eindelik ving Galant aan zijn

storie te vertellen.

»Kijk, kleinbaassies," zei hij, »dit is niet zo danig makkelik om mijn

storie mooi aan jullie te vertellen. Was dit een storie van wolf of

jakhals of schildpad, dan was dit niet zo moeilik, maar dit is mijn

eigen zelvers z'n storie, die ik aan baas Dirkie beloofd heb te

vertellen. Als ik terug denk aan de dagen, toen ik net mijn verstand

gekregen had, en nog helemaal klein was, banja kleiner dan die baassies

nou is, dan zie ik nog het land, waar ik toen in woonde. Als jullie

reken dat ik nou al bijna helemaal witkop ben en halfpad zo krom als

een hoepel, zullen jullie kunnen zien, dat dit banja dagen geleden is,

waarover ik nou praat. Dit was een tamaai mooi land, dat land waar ik

geboren ben. De vruchten groeien zomaar wild in de bossen. Het water

spoelt altoos maar weg naar de zee. Want dat land waar ik van praat, is

binnenkant in de zee. De witmensen noemen het een eiland. Jullie zegt

voor mijn soort van mensen Malbaar, maar dit is verkeerd. Zover ik kan

terugdenken, is de naam van mijn natie Malagasie. Wel, ik was klein,

maar ik heb alles goed onthouden. Daar was mijn vader. Een grote, sterke

kerel, mijn ou moeder, die naderhand in dit land is doodgegaan, mijn ou

zuster, die nou nog leeft, maar in die dagen waar ik van praat, was zij

kleiner dan ik. Allemaal bijmekaar waren we vier stuks in een rondavel.

Op een avond waren we zoals gewoonlik gerust gaan slapen, toen ik in de

nacht wakker werd door een geschreeuw en gedoe zoals ik nooit van te

voren gehoord had. Ik wrijf nog mijn ogen, om helemaal wakker te worden,

toen iemand mij aan mijn been vat, en zoals een vel bij de deur van de

rondavel uitgooit. Ik val als een pompoen buitenkant, maar had niet zeer

gekregen, en was nou helder wakker. Mijn ou vader, mijn moeder en zusje

zie ik bij me op de grond liggen. Een hele klomp mansvolk, met lange

assagaaien, kieries en messen, zo groot als ik zelf in de handen, was

overal rondom ons, en partij bezig om het vuur in onze rondavel te

steken. Mijn moeder huilt en snikt, en mijn ou vader ligt te steunen.

Toen de vlammen uitslaan, zie ik bij het licht, dat mijn vader rood van

het bloed is. Ik kon niet uitmaken, wat dit alles beduidt, maar zover

begreep ik, dat daar iets verkeerd was. Toen het dag was, brachten ze

ons naar een grote open plek in de bossen. Mijn ou vader had een steek

in zijn borst gekregen en was amper te zwak om te lopen, maar toch

hadden ze zijn handen op z'n rug vastgemaakt, en joegen hem aan zoals

een beest. Op de open plek in de bossen, zie ik een hele hoop van mensen

die ik ken. De vrouwen en kinderen waren allemaal los, maar de mannen

vastgemaakt, net zoals mijn ou vader. Ik dacht dat 't mensvreters

waren, die ons gevangen hadden, maar mijn ou moeder zei toen aan me dat

ze ons niet zouden opeten, maar ons wegnemen om te verkopen, en dat ik

en mijn zusje helemaal stil moesten blijven, want dat ze ons anders

zouden slaan en misschien dood maken. Toen de zon mooi op was, en de

bomen hun schaduw op de grond begonnen te gooien, maakten ze ons allen

bij mekaar en begonnen ons aan te jagen. Mijn vader was zo zwak, dat hij

bijna niet kon lopen, en mijn moeder, die mij en mijn zusje aan de hand

had, liep stilletjes te huilen. Eén van de mannen, die ons gevangen

hadden, en die de kapitein was, was mijn vader een paar maal komen

bekijken. Met eens greep hij hem aan zijn arm, trok hem naar de kant

van het pad, en voor mijn vader iets kon zeggen, stak hij hem met z'n

assagaai in zijn hart, zodat hij morsdood op de grond viel. Toen we dat

zagen, barstten we in gehuil uit, maar de kapitein zei ons, dat als

we aanhielden met schreeuwen, hij ons ook zou doodsteken. Mijn hart

was vreselik naar over mijn vader, want hij was altijd zo goed voor

me geweest, en ik had hem banja lief, maar ik was bang, en probeerde

toen maar om stil te blijven. Drie dagen lang zijn we door de bossen

getrokken; toen kwamen we bij de zee, waar ze ons op schepen hebben

geladen. Ik was net benauwd voor dat grote water, en heb geschopt en

geschreeuwd totdat ze me uit de schuit, in de zee wilden gooien; toen

ben ik stil gebleven. Een paar dagen daarna zijn we bij een ander land

gekomen, waar ze ons in een groot huis bij mekaar gehouden hebben voor

een korte tijd; en toen is partij daar gebleven, en de anderen, waarbij

mijn moeder, zusje en ik waren, opgeladen op een groot schip. Die dag

heb ik voor de eerste maal witmensen gezien. Toen heb ik eerst rèrig

bang geworden. Ik dacht in 't begin, dat ze spoken waren, waarmee mijn

ou moeder me altoos gedreigd heeft als ik stout was, en zij had haar

handen net vol, om mij en zusje stil te krijgen. Maar ik heb gauw

uitgevonden, dat die mensen ons niks maakten, en beter voor ons waren

dan dat zwartgoed, dat ons gevangen had, en toen werd mijn hart gerust.

Hoe lang we op de zee gebleven zijn, weet ik niet, maar 't was lang. Ik

kon niks zien, als net lucht en water. Ook geen berg, of geen boom, of

geen stukkie grond, zo groot als mijn hand. Net lucht en water. Maar

eindelik kwamen we weer bij 't land, en laadden ze ons af. Dit was bij

Kaapstad. Daar hebben ze ons weer in een huis gebracht, en die avond

heeft mijn moeder gehuild en gehuild, alsof haar hart wou stuk breken.

Ik vroeg haar toen, waarom ze zo huilde, en toen kwam ik achter de

oorzaak. Mijn moeder vertelde me, dat we de volgende morgen zouden

verkocht worden als slaven, en dat zij hartzeer had, omdat ze ons

uitmekaar zouden verkopen, en zij ons nooit weer zou terug zien. Die

nacht hebben we de ogen nooit toe gemaakt, en net altijd gehuild, en

toen we de volgende morgen werden uitgebracht op de markt om verkocht te

worden, toen voelde ik net naar op mijn maag. We konden in die dagen nog

niet één woord Hollands praten, maar een van de mensen van het schip kon

onze taal praten, en vroeg mijn moeder waarom we allemaal zo verdrietig

waren. Zij vertelde hem toen de oorzaak, en het schijnt dat hij toen

medelijden met ons kreeg, want hij zei aan mijn moeder, dat hij haar

en mijn zusje dan maar samen zou laten verkopen. Maar ik werd toen meer

naar, want ik zou nou alleen moeten verkocht worden. Daar waren die dag

banja mensen die slaven wilden kopen. Mijn moeder en zusje werden samen

opgeveild en een oubaas kocht ze alletwee, en wees zo maar met eens naar

een ossewagen die daar nabij stond, dat ze er naar toe moesten gaan.

Ik kon niet verstaan wat daar gepraat werd, maar ik kon goed uitmaken,

wat er gebeurde, en toen mijn moeder wegging, begon ik te schreeuwen,

dat 't zo daverde en dreunde. De oubaas bleef toen staan, en begon te

praten met de witman van het schip, en telkens naar mij toe te wijzen.

De andere mensen stonden te lachen over mijn geschreeuw, maar de oubaas

vertrok geen gezicht. Toen kwam de man van het schip naar me toe en

vertelde me, dat de oubaas me ook zou kopen. Hij wilde niet een kind

van zijn moeder wegscheuren, en ik moest uitscheiden met schreeuwen. Wel

baassies, 't wordt laat, en mijn storie wordt te lang; ik zal hem klaar

moeten maken. De oubaas heeft zijn belofte gehouden, en me ook gekocht,

en ons allemaal naar zijn plaats toe genomen. Die oubaas was Baas Piet

Uijs z'n Oupa. Mijn eigen vader kon niet zo goed voor ons geweest zijn,

als die oubaas was. Kleinbaas Dirkie z'n Oupa, oubaas Koos, en ik waren

even oud, en we zijn samen groot geworden. Mijn ou moeder is naderhand

op de plaats gestorven en begraven, en toen oubaas Koos is gaan trouwen,

heeft mijn oubaas me aan hem gegeven. Toen Baas Piet Uijs in de wereld

gekomen is, heb ik dadelik gezegd, dat ik hem zou groot maken, en dat

heb ik ook gedaan. Ik heb hem banja dingen geleerd, saam met hem gaan

zwemmen, leren paardrijden en met hem gaan jagen, en toen hij naderhand

ook getrouwd is, heeft oubaas Koos mij weer aan hem gegeven. En zo heb

ik bij hem mijn leven gesleten totdat hij nou ook al halfpad oud is.

Toen de Engelse Goeverneur de slaven vrij gemaakt heeft, heb ik gezegd,

dat is puur bocht, ik behoef niet een haar vrijer te wezen als ik ben,

en ik ben bij mijn baas gebleven. Toen hij hiernatoe getrokken is, ben

ik met hem saamgegaan, en ik zal bij hem blijven zolang als de Heer ons

spaart."

»En wat is van jou zuster geworden, outa Galant?" riepen enige stemmen.

»Jullie kent haar geloof ik allemaal. Zij leeft nog. Zij is ou aja

Katrijn, die bij oubaas Koos woont. Maar nou moet jullie gaan slapen,

kleinbaassies, 't is laat, en morgen als de dag aanbreekt, moeten we

inspannen."

»Hoor, outa Galant, jij kan mooi vertellen," riepen de knapen, en met

een algemeen »goede nacht" zocht ieder zijn slaapplaats op.

VIII.

De tocht met de wagens over het Quathlambagebergte.

Met het krieken van de dag werd de tocht voortgezet, want men wenste die

avond nog de verzamelplaats te bereiken. Dirk, de toestemming van zijn

moeder daartoe gekregen hebbende, deed, door Galant vergezeld, dienst

als vidette.

De vlakte wemelde van wild. Zover het oog reikte, graasden sprinkbokken,

blesbokken, wildebeesten en quagga's in bonte mengeling dooreen. Het

was de verkenners echter verboden een enkel schot op wild te lossen,

en ofschoon Dirk van begeerte brandde, zijn vaardigheid als schutter

en jager op de proef te stellen, hield gehoorzaamheid aan de bevelen

van zijn Kommandant hem terug.

De morgen was zoel, ofschoon er een gestadig windje uit het Noorden

blies. Galant gaf als zijn gevoelen te kennen, dat de regen niet ver

af was. De drukkende lucht voorspelde dat, en gedurende de nacht had

hij aan alle kanten weerlicht aan de gezichteinder zien uitslaan.

Men had zo enige uren langzaam voortgereden, want de verkenners moesten

hun paarden dwingen tot de stap, om gelijke tred te houden met de

langzaam voortgaande ossen, en het werd tijd uit te spannen, want de

morgenschoft had lang genoeg geduurd. Dirk zei tot Galant, dat hij dorst

begon te krijgen en wenste dat zij een waterpoel of stroompje bereikten.

De oude antwoordde: »Dan behoef je niet lang te wachten, Baas Dirkie!

Hier voor ons zie ik een rietvlei, daar zal zeker water zijn."

»Laat ons de paarden wat optrekken," zei Dirk, »als we dit eindje op een

galop rijden, kunnen we wat verzuimen om te drinken." En de daad bij het

woord voegende, hadden zij weldra de vallei bereikt.

Het was een brede laagte, in het midden waarvan zich de bedding bevond

van een spruit, die tans droog was, maar door zijn hoge wallen bewees,

het afvoerkanaal van het regenwater voor de hoger gelegen gronden te

zijn, en zeker wanneer de donderbuien hoger op waren gevallen, dikwels

als een bruisende stroom ondoorwaadbaar zou zijn. Lager af groeiden het

fluitjesriet en de ruigte hoog en welig; daar moest stellig water zijn,

en Dirk, die plaats aanwijzende, zei tot zijn metgezel: »Kom, daar

zullen we water krijgen."

Zij reden tot bij de rand van het riet, stegen van de paarden, de

teugels aan elkaar bindende, om de dieren te beletten rond te grazen,

en drongen, het geweer in de hand, door het riet. Zij waren zowat 'n

twintig schreden voortgegaan, toen het riet en de ruigte ophielden, en

zij zich bevonden bij een heldere waterplas, in het midden twintig tot

dertig tree breed, maar smaller wordende naar de punten van in- en

uitstroming. Galant zei tot Dirk: »Toe kleinbaas, drink; ik heb geen

dorst."

Dirk plaatste zijn roer op de grond, liet zich op de buik glijden, stak

zijn mond in het water, en begon te drinken op de wijze van de mannen

van Gideon, waarvan de Bijbel gewaagt. Maar nauweliks had hij enige

slokken genomen, of hij hoorde Galant met blijkbare schrik uitroepen:

»Allemastig kleinbaas! spring op en kijk wat daar aan de overkant van

het water is!"

Als door een elektriese schok in beweging gebracht, stond Dirk op de

voeten, greep zijn roer en blikte naar de overzijde. Het toneel dat zijn

oog ontmoette was voor een schilder prachtig schoon, maar voor hem in

zijn naakte werkelikheid schrikbarend genoeg om hem de haren te berge

te doen rijzen. Aan de overzijde stond een volwassen mannetjesleeuw,

geen twintig tree van hen af, hen met fonkelende ogen aan te staren. Zij

hadden hem in zijn ontbijt gestoord, want hij stond naast het karkas van

een rietbok; en dat deze stoornis de koning der dieren niet welkom was,

bleek maar al te duidelik. Hij zweepte zijn zijden met de kwast van zijn

staart, en deed een onderdrukt en knorrig gebrom horen.

»Kijk hem in zijn gezicht, en verroer je niet, baassie," had Galant

gezegd; en Dirk bleef doodstil staan, met het oog op de leeuw gevestigd.

Hadden hij en zijn makker zich omgekeerd om te vluchten, dan was hun

laatste uur zeker geslagen, want het vertoornde dier zou zich dan

ongetwijfeld achter op hen geworpen hebben; maar het menselik oog oefent

zonder twijfel een zekere mate van bedwingkracht op de redeloze dieren

uit.

»Kleinbaas," zei Galant, »er is net één plan: we moeten hem

doodschieten, en als we een klein beetje langer wachten, zal hij ons

bevliegen. Ik zal het eerste schot doen, en als dat geen doodschot is,

moet jij klaar wezen, om hem het tweede te geven."

De leeuw begon al heftiger met de staart te zwaaien. Hij scheen te

beseffen, dat zij die hem waren komen storen, niet van plan waren te

wijken, en dat het tussen hem en hen een kamp op leven en dood zou zijn.

Hij maakte zich tot de sprong gereed.

»Schiet, outa! Ik ben klaar," riep Dirk.

Galant had de zware baviaansbout aan de schouder geworpen. Schoon in 't

volkomen bezit van zijn tegenwoordigheid van geest, gunde hij zich de

tijd niet om fijn korrel te vatten, maar brandde los, zodra hij de kop

van de leeuw voor het vizier had.

Nog was de rook van het schot niet geheel weggetrokken, of met een dof

gebrul sprong de leeuw op zijn aanvaller af. Dirk zag het zware lichaam

als 't ware door de lucht vliegen, en sprong een weinig ter zijde. De

leeuw sloeg als een bom tegen Galant, en beiden rolden op de grond. Met

één sprong was Dirk naast het brullende dier, hield de loop van zijn

roer dicht tegen de kop, en gaf vuur. Toen de kruitdamp optrok, lag de

leeuw te stuiptrekken en kwam Galant, die in de waterplas gerold was,

druipnat naar boven klauteren.

Op dat gezicht barstte Dirk in een schaterlach uit, maar werd

onmiddellik weer ernstig, want de oude dienaar kroop kreunende op handen

en voeten naar hem toe.

»Ben je gewond, outa?" riep hij hem op angstige toon toe.

»Nee, wat zou ik gewond wezen!" antwoordde de oude, zich oprichtende,

»maar die afgedankste leeuw heeft me van de benen gesprongen, en kijk

hoe nat ik ben; nou krijg ik zeker weer zinkings."

Hun gesprek werd afgebroken door het geroep van verscheiden verkenners,

die op het horen der schoten toegesneld waren, en de paarden aan

elkander gekoppeld vindende, halt hadden gehouden, en Dirk bij z'n naam

riepen.

Vrolik antwoordde hij: »Galant en ik hebben leeuw gespeeld en om Kool

doodgeschoten. Kom maar nader, er is geen gevaar."

De andere mannen drongen door het riet en toen zij de dode leeuw zagen,

wensten zij de twee dapperen hartelik geluk met hun ontkoming.

Een hunner sprong te paard om de Kommandant, die de schoten zeker ook

had gehoord, te gaan gerust stellen, en de anderen begonnen het beest te

villen. De kogel van Dirk was hem van oor tot oor door de kop gegaan.

Die van Galant had slechts zijn onderkaak verbrijzeld.

Toen de voorste wagens weldra de riet vallei bereikten, werd

halt gemaakt en uitgespannen. De Kommandant prees Dirk voor zijn

koelbloedigheid, maar zijn moeder stortte tranen van vreugde over zijn

behoud, drukte hem aan haar hart, en maande hem tot voorzichtigheid

aan. Door zijn makkers, voor wie hij de held, de leeuw van de dag was

geworden, met vragen bestormd, antwoordde hij lachende: »De buit behoort

aan mij en Galant te zamen, maar hij heeft zijn deel aan mij afgestaan,

en als wij nu weer leeuw spelen, bezit ik mijn eigen leeuwenvel."

De trek werd verder voortgezet zonder enig noemenswaardig voorval, en

's avonds werd het kamp aan de voet van het gebergte bereikt, waar de

anderen hen reeds wachtten.

Een dag rust zou de trek zich hier vergunnen, alvorens de tocht over het

gebergte te aanvaarden; een tocht die zijn menigvuldige bezwaren en

gevaren had, niettegenstaande de trekkers, die in Natal reeds waren, de

baan gebroken en de weg gewezen hadden.

Dit gebergte, reeds meermalen door ons genoemd, is een nadere

beschrijving waardig. De naam Quathlamba, er door de inboorlingen aan

gegeven, is een passende er voor. Die naam betekent, vrij vertaald: »Een

verwarde opeenstapeling." Door de blanken werd aan het gebergte de naam

van »Drakensbergen" gegeven, de oorsprong voor welke benaming ons

onbekend is.

Deze grote keten vangt aan in het Zuiden en loopt op een afstand van

honderd tot tweehonderd vijftig mijl langs de kust op, tot in het verre

Noord-Oosten. Hij vormt de natuurlike grens van sommige der schoonste,

meest schilderachtige streken van Zuid-Afrika, en verheft zich als een

rotsig bolwerk ter hoogte van zes duizend tot twaalf duizend voet boven

de oppervlakte van de zee. Het land daalt van deze bergen terrasgewijze

af, tot aan de kust, in op elkander volgende hooglanden. Zijn grootste

hoogte bereikt het gebergte in de omtrek waar ons verhaal ons heeft

gevoerd, waar de Mont aux Sources, Champagne Kasteel, Reusburgs Kop,

het Reuzen Kasteel en Nelsons Kop, zijn hoogste toppen zijn. Aan de

westelike zijde gezien, schijnt het gebergte niet zo hoog; hier is het

slechts de rand van het hoogland, dat zich naar het Westen en Noorden

uitstrekt in bijna eindeloze grasvlakten. Maar van de oostzijde

beschouwd, verheft het zich trots omhoog, en met weinig verbeelding kan

men uit de grillige vormen der rotsen op zijn kruin, zich de lijnen van

kastelen, bolwerken en torens voorstellen; bouwvallen van wat door een

verdwenen reuzegeslacht werd tot stand gebracht; verblijfplaatsen van

de berggeest, die volgens de sage zich in het gebergte schuil houdt,

om zijn tegenwoordigheid een enkele maal bij stormweer en noodgetij te

openbaren. Naar het Zuid-Westen schijnt de bergrug zich te verbreden,

en vormt zich een kortere bergketen naast de hoofdketen. Hier zijn de

Malutis, de Dubbele Bergen, der Basuto's. In deze omtrek ontspringen

verscheiden rivieren, en stromen naar alle windstreken voort, om zich

in de schoot van de oceaan te werpen. In de vruchtbare valleien van

dit gebergte woonden vele inboorlingen, in zekere mate van welvaart.

De rijke bodem voorzag hen met een overvloed van graan, niet alleen

voldoende om hen te voeden, maar nog genoeg latende, om aan andere,

minder gezegende stammen te verruilen voor vee, en om hun kafferbier te

bereiden. Langs de hellingen der bergen graasden hun talrijke kudden, en

over het geheel genomen, konden deze bergbewoners gelukkig worden

genoemd.

Hoger op in het gebergte bevonden zich de verblijfplaatsen of liever

holen van minder gelukkige wezens. Buiten twijfel is het, dat de

vertelseltjes omtrent de menseëters, bij het aanhoren waarvan menig

kind rilt en beeft, om er toch met kinderlik genoegen en genot naar te

blijven voortluisteren, niet van alle grond zijn ontbloot, maar dat hier

de schuilplaats van kannibalen was te vinden. Dat de Bosjesmannen zich

hier ophielden, blijkt nog uit de vele tekeningen van hun hand, die op

de rotsen en spelonkzijden worden aangetroffen.

Ten zuiden vooral zijn diepe kloven, waarvan de zijden veelal door

loodrechte, zich honderden voeten omhoog heffende rotswanden zijn

gevormd, en in het midden waarvan de bergbeek voortmurmelt, om nu

een glinsterend over de klippen te springen en zich dan weer als een

zilveren waterval in de afgrond te slingeren. De plantegroei is in deze

kloven allerweelderigst. Niet slechts worden er de schoonste bloemen en

slingerplanten, het sierlikste struik- en heestergewas gevonden, maar

dikwerf vormen eeuwenoude krachtvolle bomen een ondoordringbaar woud.

Doch laat ons tot ons verhaal terugkeren. Nadat men een dag op de

verzamelplaats was overgebleven, om de trekdieren te doen uitrusten,

zowel als om alles in volkomen orde te regelen voor het opstijgen

en weer afdalen der bergen, werd het lager opgebroken, en de tocht

voortgezet. Als men het oog sloeg op de zwaar beladen wagens, en op de

bergen waarover zij vervoerd moesten worden, scheen het te vergeefs

en nutteloos de poging te ondernemen; en toch, de Voortrekker deinsde

niet terug. Reeds was door de afdeling die zich in Natal bevond, een

weg gebaand, indien men de met groeven en greppels doorsneden en met

rotsblokken bezaaide baan, die zij hadden achtergelaten, een weg kon

noemen. Maar voorwaarts gaat het, zo goed en zo kwaad als het kan. Een

aantal krachtige mannen gaan voor de wagens uit. Zij dienen niet alleen

als voorhoede tegen de vijand, zo deze zich mocht vertonen, maar zijn

ook van graven en pikken voorzien, en ruimen, waar grote beletselen en

voortgang der wagens belemmeren, die zoveel mogelik uit de weg. Andries

Viljoen, die zijn aan Uijs gegeven woord gestand deed, en naar Natal

terugtrok, was met het bevel over deze afdeling belast. Geschikter

persoon had men moeilik kunnen vinden. Reeds tweemaal was hij met

wagens dit bergpad langs getrokken, de laatste maal slechts enige

dagen geleden. De Voorzienigheid had in hem aan de trek de beste gids

toebeschikt.

Zo ging het langzaam, voet voor voet opwaarts. Waar soms de helling te

steil werd, en het bleek dat het voor één span ossen onmogelik was, het

zware voertuig op te slepen, werd halt gemaakt, een tweede span voor het

eerste vastgehaakt, en op deze wijze onder veel zweepgeklap, met menige

sjambokslag, gepaard met het onvermijdelik breken van jukscheiën, en het

geklank van het uitgerekt geroep van: »Trek! Trek nou!" de wagen door

dubbele trekkracht naar boven gesleurd, tot het »Ho, ha, nou! Hokaai!"

aankondigde dat het bezwaar overwonnen was, en het volgend voertuig naar

boven kon worden gebracht.

Maar de moeilikheden van het bergpad zelf waren niet het enige bezwaar.

Vaak werd de weg gevaarlik, wanneer men langs de rand van een afgrond of

kloof, het pad ternauwernood breed genoeg om aan het voertuig doortocht

te verlenen, trekken moest. Waar dat pad dikwels schuin afhelde naar de

kant van de gapende afgrond, en aan de andere zijde het uitwijken of

hoger opgaan onoverkomelik belet werd door de rechtopstaande, het pad

beperkende rotswand. Als zodanig punt werd bereikt, verlieten de vrouwen

en kinderen de wagen. Zelfs de drijver klom van zijn zitplaats op de

voorkist. Aan de assen en de langwagen werden sterke riemen bevestigd,

door een twintigtal mannen aan de zijde van de rotswand in handen

genomen, en alzo de wagen tegengehouden en belet om onder het voortgaan,

door de schuinte medegesleept in de richting van de afgrond, als 't ware

tot hem aangetrokken, daarin neder te storten. Soms weer kronkelde het

pad zich om een vooruitspringende rotspunt, met een zo plotselinge

bocht, dat de grootste omzichtigheid werd vereist, de draai met het

lange span ossen zó te volgen, dat het voertuig in het pad bleef, en

niet in de kloof afrolde.

Zo hadden mens en dier enige uren voortgezwoegd en voortgeworsteld,

en de voorste wagens reeds de grootste bezwaren van de bestijging

overwonnen en bijna het punt bereikt vanwaar de niet minder gevaarlike

afdaling zou aanvangen.

Dirk en Galant bevonden zich bij de wagen van Uijs, onmiddellik achter

de wagen van Andries Viljoen, de gids, die het bestuur over zijn

voertuig aan zijn zoontje, een kind van elf jaren oud, en aan zijn

bedienden had moeten overlaten.

»Baas Dirkie," zei Galant, »ik wens dat we boven op de berg waren. Van

eergister af heb ik al regen verwacht, en vandaag zullen we het zeker

krijgen. De wolken pakken al op mekaar; net nou zal de donder dreunen."

»Wel, Galant," antwoordde Dirk, »het zal wel niet de eerste maal zijn,

dat wij een nat pak oplopen, en ik vertrouw de laatste maal ook niet."

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 7 / 13 段