Umhlela, die met gebogen hoofd in deemoedige houding voor de Koning

had gestaan, richtte het hoofd fier in de hoogte, en vestigde zijn

flikkerend oog op Dingaan, wiens smalende woorden en verachtelike toon

het hart van de oude dappere krijgsman diep hadden getroffen. »Zoon van

Sentsanghaka!" riep hij uit. »Van mijn leven kunt ge mij beroven. Ik

erken u, o Kalf van de Olifant! als de eter der mensen. Maar, van mijn

eer kunt ge mij niet beroven. De Amazulu kennen mij te lang en te goed."

Umhlela sprak de waarheid. Hij was de beminde aanvoerder van het leger,

de held van het volk. Een siddering ging door de leden van de meesten

der induna's, die Dingaan omringden. Zij wisten, dat het zo goed als

zeker was, dat de stoute woorden van de oude krijgsman zijn dood zeker

maakten. Ook hij was zich hiervan ten volle bewust, maar bleef

desniettemin de Koning vrij in de ogen blikken.

»O, zoon van Umdodi," zei de Koning, sarkasties glimlachende, »ge zijt

als een springbok de Malongo ontlopen, en spreekt nog van eer. Ge zoudt

uw eer aan de overzijde van de Tugela moeten gaan zoeken; in het land

der Amazulu is ze niet meer te vinden. De vrouwen en kinderen der Boeren

hebben u teruggeslagen."

»De Koning heeft gesproken, en wie zal hem wederleggen?" hernam

Umhlela, »maar hebt ge, Geest der Bergen, gedacht aan de verderf en

dood uitspuwende roeren der Boeren? Eén dier roeren is in de hand van

een kind, met dat werktuig bekend, gevaarliker en dodeliker dan de

assagaaien in de handen van twintig der dapperste Zulu's. Geen schild is

tegen de kogel bestand, die op meer dan honderd treden afstands, veel

verder dan de sterkste onzer de assagaai kan werpen, door schild en

door lichaam heendringt. Ook schieten de blanken met iets dat zich

uitspreidt. Met een enkel schot heb ik gezien dat zij zes der onzen ter

neder wierpen. Is er een onder ons, die dat met één slag van bijl of

kierie, met één steek van de assagaai doen kan? Leeuw der Amazulu, wiens

jakhals ik ben, door u bij de jakhals vergeleken, waarom trekt de Leeuw

niet zelf tegen de Malongo op? Wij hebben gestreden als leeuwen; bij

hopen werden wij neergeschoten, en hadden wij in de strijd volhard, dan

zou uw impi geheel zijn vernietigd."

»Umhlela, ge draagt heden uw hart op uw tong. Ge hebt lang gesproken,

maar weldra zal u voor altijd het zwijgen worden opgelegd. Ik geloof u,

en daarom zullen uw krijgslieden gespaard blijven, maar in uw persoon

zal ik de Amazulu waarschuwen, dat geen Induna e'nkolu geslagen voor

zijn Koning kan verschijnen en leven."

Umhlela boog voor Dingaan, slechts zeggende: »De Koning heeft

gesproken." Hij richtte zich weer fier op en stond met het schild in de

hand zijn einde af te wachten.

Dingaan wendde zich tot een der induna's van zijn gevolg. »Julavusa,"

zei hij, »ge treedt in de plaats van Umhlela; zult zijn impi uit de

kraal geleiden en doen legeren, om daarna dadelik terug te keren, want

vóór de zon in het midden van de Hemel staat, zal ik u nodig hebben."

De induna boog voor de Koning en plaatste zich voor het leger.

»Manondo, kom hier," gelastte Dingaan, en toen de grijze induna

hem genaderd was, ging hij voort: »ge staat aan het hoofd van de

luipaardvangers; vandaag zult ge het genoegen hebben een jakhals dood te

slaan." En op Umhlela wijzende vervolgde hij: »Daar staat de jakhals.

Neem de linkerafdeling van uw regiment, vervoert hem buiten de kraal en

slaat hem dood met kieries. Versta mij wel: geen assagaai mag worden

gebruikt."

Roerloos blikte Manondo voor zich. Umhlela en hij waren sedert hun

kinderjaren als David en Jonathan geweest. Dat was de Koning, die hen

met een duivelse lach op het gelaat aanstaarde, goed bekend. Maar wat

meer was, het werk dat hem werd opgedragen, werd steeds verricht door de

beulen, of door jongere krijgslieden, en werd beneden de waardigheid van

een induna geacht.

»Mijn Koning!" riep Manondo eindelik bewogen uit, »zend mij in het

heetste van het gevecht, laat mij sterven, maar draag mij zulk een

vernederende taak niet op."

»Wat? andermaal spreekt ge mij tegen!" riep de Koning uit. »Noemt ge het

vernederend mij te gehoorzamen? Meent ge lang genoeg te hebben geleefd?"

»Kom," zei Umhlela tot Manondo, »voer mij weg, en verwek door langer

dralen de Koning niet verder tot toorn."

Toen riep Manondo uit: »De grote Olifant heeft gesproken. Ik zal

volbrengen wat hij mij heeft gelast."

»Dat is wijs van u Manondo," hernam Dingaan, »maar wees gewaarschuwd. Ik

wil voortaan zonder tegenspraak door u gediend worden. Volvoer uw last,

en kom met spoed terug, want heden zal de grote Raad vergaderen.

Vertrek!"

Julavusa sprak een bevel uit, waarop de impi van front veranderde, en

met gebogen hoofden het plein verliet, gevolgd door de afdeling der

Omobapankoe, die Umhlela naar de beenderenheuvel voerde.

Zwijgend en treurig trok deze stoet voort. Eerst toen zij buiten de

kraal waren gekomen en de gerechtsplaats zien konden, zei Umhlela tot

Manondo: »Oude vriend, ge moet het wrede bevel van het monster, dat de

Amazulu regeert, uitvoeren. Ge hebt gehoord hoe hij gezegd heeft, dat

geen assagaai op mij gebruikt mag worden. Hij wil mij doen martelen,

eer de Grote Geest mijn geest wegneemt. Maar beloof me, geef gij mij de

eerste slag, met dezelfde kracht die ge toonde, toen wij Sebakwane en

zijn leger versloegen."

»Umhlela, dat mijn hand u de genadeslag moet geven!" riep Manondo

bewogen uit. »Maar het zij zo, het kan niet anders. Ge zult niet

gemarteld worden, Umhlela."

Men had de moordheuvel bereikt, waar de lucht verpest was door de in

verschillende staat van ontbinding zijnde lichamen. De krijgslieden

vormden een kring om de veroordeelde en wachtten op een teken van

Manondo. Maar plotseling greep deze uit de hand van een naast hem

staande krijgsman een kierie met buitengewoon zware knop, zwaaide die

in de lucht, en deed hem met zoveel kracht op het hoofd van Umhlela

neerkomen, dat diens schedel geheel verpletterd werd en hij met een

enkele zucht dood ter aarde stortte. Toen wankelde Manondo ter zijde,

en bleef met afgewend hoofd, op zijn schild steunend, staan. Zijn

krijgslieden hadden hem begrepen. Hij had de vriend van zijn jeugd de

marteling bespaard. Geen enkele stokslag was er gevallen op zijn

langzaam verstijvend lichaam.

De zon schoot zijn stralen bijna loodrecht op het grote plein van

Umkungunhlovo neder, toen Dingaan andermaal zijn woning verliet, om voor

de hut plaats te nemen. Zijn lijfwacht en persoonlike bedienden waren

tegenwoordig, evenals in de morgen, maar het aantal induna's was groter.

De oude Manondo was eveneens daar, en in gesprek getreden met een fors

gebouwde, nog jonge Zulu, die van koninklike bloede moest zijn, want hij

dekte zich met een schort van luipaardstaarten. Het was Panda, een

jongere broeder van Dingaan.

Toen Manondo de Koning was komen melden, dat zijn vonnis voltrokken en

Umhlela gedood was, had de Koning hem zonderling aangestaard, en gezegd:

»Manondo! Laat uw regiment, onder toezicht van de N'genana (tweede

bevelhebber) naar de legerplaats trekken. De afdeling waarmee ge

teruggekeerd zijt, kan hier blijven onder zijn N'gena obzuna (officier)

totdat de indaba afgelopen is." De oude induna had dienovereenkomstig

zijn bevelen gegeven.

De Koning was hem zo vreemd voorgekomen, en hij gevoelde zich niet op

zijn gemak. Panda, die hij in de krijgskunst en op de jacht geoefend

had, was zeer aan hem gehecht en had hem juist aangeraden, om de Koning

niet de minste aanleiding te geven, om rechtens of onrechtens op hem

verstoord te worden, daar hij niet twijfelde of Dingaan zou zijn leven

niet sparen.

Daar werd het teken gegeven dat de indaba zou beginnen. De raadslieden,

op de grond neergehurkt, vormden met Dingaan, die zijn zetel innam,

een cirkel. Het woord werd echter staande gevoerd. In het midden van

de kring bevonden zich drie door de ouderdom vergrijsde en vermagerde

Zulu's. Zij waren gedeeltelik met witte klei besmeerd, waren behangen

met vellen van slangen, doppen van kleine schildpadden, droegen

armbanden en halskettingen, samengesteld uit menselike vingerbeenderen,

hadden ieder een massa kleine gesloten hoorns en kalebassen aan hun

gordel hangen, en droegen elk een lange staf. Zij waren de drie

voornaamste Zieners of profeten, regenmakers en uitvinders van

verborgenheden en uitleggers daarvan in Zululand. Hun tegenwoordigheid

te dezer plaatse voorspelde niets goeds.

Dingaan wendde zich tot de oudste Ziener of Inyaya, met de woorden:

»Mazesi, waar zijn de boden uit Natal, die bij u zijn aangekomen? Laat

hen verschijnen."

»Nee, Eter der mensen," antwoordde de aangesprokene, »dat kan niet zijn.

Deze boden zijn profeten, en liggen onder een belofte. Zij moeten

zwijgen, doch door mijn mond zal de geest van Majolo spreken."

»Welnu, wat bericht ge dan?" vroeg Dingaan.

Mazesi verhief zich als om op te staan, doch werd plotseling door

een siddering bevangen. Zijn knieën knikten, zijn lichaam vouwde zich

krampachtig, en hij viel in stuiptrekkingen op de grond. Men kon zijn

beenderen horen kraken, maar geen hand werd tot hem uitgestrekt. De

Koning en zijn Raadslieden sloegen dit toneel met de grootste kalmte

gade. Slechts de twee ambtgenoten van Mazesi hadden zich opgericht en

zich elk aan een zijde van hem geplaatst, aandachtig op hem neerziende.

Eindelik begon Mazesi te schuimbekken. De andere twee schenen op dit

verschijnsel te hebben gewacht, want gelijktijdig bogen zij zich neer,

veegden hem het schuim voor de mond weg, bestreken zijn lichaam met

tovermiddelen uit de kalebassen aan hun gordels genomen, en verrichtten

met de handen de nodige bezweringen over hem. Hij werd rustig, en

scheen in slaap te zijn gevallen, toen zijn ambtgenoten hem ieder aan

een arm oplichtten, hem op zijn voeten plaatsten, en hem met het gelaat

naar de Koning gekeerd, bleven ondersteunen. Op hen met gesloten ogen

geleund, meer hangende dan staande, was Mazesi begonnen tot zichzelf te

mompelen. Plotseling riep hij met krachtige, heldere stem: »Zoon van

Stentsanghaka! Hoor wat de geesten mij en de boden uit het land aan de

overzijde van de Tugela hebben bericht en gelast aan u over te brengen.

De Malongo's, die over het grote blauwe water zijn gekomen, en zich bij

de wal daarvan hebben neergelaten, hebben een verbond gesloten met de

Malongo's, die met hun hutten op wielen over de Quathlamba gekomen zijn.

Te zamen zullen zij de Amazulu verslaan en uitdelgen en zijn land en

beesten, zijn vrouwen en kinderen onder zich verdelen, en daarin zullen

zij worden geholpen door mannen van ons eigen volk, ja, door een onzer

grootste induna's. Meer dan één man zal echter nog over onze hoofden

voorbijgaan, eer de Malongo de Amazulu zal aantasten: want zij moeten

nog hun Kapitein kiezen, eerst dan wanneer de andere Malongo's van

over de bergen zullen zijn aangekomen, waarna zij hun plannen zullen

uitbroeien. De geesten zullen de profeten echter waarschuwen om u op uw

hoede en gereed te doen zijn."

Mazesi zweeg, en zou, niet ondersteund zijnde, op de aarde neergezegen

zijn. Dingaan vroeg hem tans met donderende stem: »Wat is de naam van de

Zulu induna, die zich zelf vernedert, door te heulen met de gezworen

vijanden van zijn volk?"

De Ziener scheen besluiteloos te blijven staan, en mompelde, schoon

voor allen hoorbaar: »Ik zie twee die elkander op de weg kruisen. De

een lijkt nog jong, ik kan zijn gelaat niet herkennen. De ander is oud.

Wie is hij?" »Ha!" schreeuwde hij plotseling, »ik herken hem. Geest van

Majolo. Ik herken hem duidelik. Het is Manondo, de induna e'nkolu van

het Omobapankoe regiment." Hij zakte ineen en werd door zijn ambtgenoten

zachtkens op de grond neergelaten.

Zwijgend staarden de induna's voor zich. Droefheid en schrik waren hun

om het hart geslagen. Zij waren te veel ingewijd in de geheimen van het

Zulu-despotisme, om aan de beschuldiging van de Ziener onbeperkt geloof

te slaan. De morgen had reeds de moord aanschouwd van Umhlela, de

wakkerste veldoverste van hun volk; zou nu de middagzon ook het zielloos

lichaam van de brave, ervaren Manondo moeten bestralen?

Dingaan was opgestaan. »Manondo," zei hij, »de houding door u in de

laatste tijd aangenomen, heeft reeds mijn wantrouwen tegen u opgewekt.

Ge hebt gehoord wat de geesten gesproken hebben; dat heeft mijn

wantrouwen grond gegeven. Wat hebt ge voor uzelf te zeggen?"

De vals beschuldigde stond met waardigheid, met Spartaanse kalmte op.

Met de gemoedsrust waarmede Socrates, die nobele Griek, de giftbeker

ledigde, verwachtte de Zulu-staatsman de genadeslag met kierie of

assagaai. Hij begreep het ten volle, zijn tijd was voorbij. Nog

heden zou hij opstijgen naar die sferen, waar adel des gemoeds,

rechtvaardigheid, reinheid des geestes troonden. De gloed van

overtuiging, het besef van het onrecht hem aangedaan, het bewustzijn van

zijn onschuld, deden zijn mannelik gevoel van recht in volle kracht in

hem ontwaken. Op deze aarde zou zijn stem nimmer meer in indaba worden

gehoord. Hij besefte dit en zou in oprechtheid des harten tans voor de

laatste maal zijn stem doen horen.

»Zoon van Sentsanghaka," ving hij aan: »opdat de Amazulu het weten

mogen, dat ik onschuldig sterf, verklaar ik dat Mazesi laster en

leugen tegen mij heeft gesproken. Ik ken hem en zijn streken van ouds.

Verdraaiing en bedrog zijn de palen waarop de hut van zijn bestaan rust.

En gij, Koning der Amazulu! Gij zijt heden zijn medeplichtige. Ik zal de

zon achter het Umpufane gebergte niet meer zien verdwijnen. Mijn oog zal

van avond de met sterren bezaaide hemel niet meer kunnen aanschouwen;

maar in mijn binnenste heerst vrede en zegt mij een stem, dat ook in u

het onrecht zal worden gestraft. De profetie van de stervende Tshaka

staat op het punt van vervuld te worden. De Malongo is gekomen. Gij

hebt hem tot vijand gemaakt. Uw einde is nabij."

Met moeite bedwong Dingaan zijn toorn, en bulderde: »Weg met de

verrader! Hij worde onmiddellik ter dood gevoerd!"

Panda nam het woord, blijkbaar bedeesd en ten diepste geroerd:

»Koninklike broeder!" riep hij uit, »verleen Manondo genade. Spaar zijn

leven, ter wille van Mnande, uw moeder, die zijn zuster was."

»Knaap," onderbrak hem Dingaan, »ge onderneemt het van genade te

spreken, waar ik het doodvonnis heb geveld. Maar luister en beef. Heeft

Mazesi, door de geesten bezield, niet gesproken van twee verraders, een

waarvan jong was? Wie is die tweede verrader? Denkt ge dat ik Manondo

naast u de plaats zal laten innemen, die Bopa bij me heeft ingenomen,

toen ik een einde maakte aan het leven van Tshaka, wiens dwaze profetie

me tans door de hond die heden sterven moet, ten tweede male voor de

voeten is geworpen. Als ge uw leven lief hebt, zwijg."

Ook Manondo wierp een smekende blik op zijn jonge verdediger, die door

de uitval van de Koning geheel uit het veld geslagen, neerzeeg.

Op een wenk van Dingaan trad de officier van de Luipaardvangers nader.

»N'gena obzuna," klonk de stem des Konings. »Uw afdeling had de eer van

morgen een lafaard dood te slaan, ge zult heden ook nog een verrader van

het leven beroven. Voer uw vorige bevelhebber onmiddellik weg, en sla

hem de hersens in."

»Vaarwel, Induna's van mijn volk!" riep de oude Manondo. »De tijd zal

mij wreken." De afdeling van zijn regiment voerde hem diep aangedaan

naar de slachtplaats. Zij wensten zijn lijden te verkorten, en,

zonderlinge samenloop, met een enkele slag werd hem het leven benomen

met dezelfde kierie waarmede hij in de morgen Umhlela de genadeslag

gegeven had. Zijn krijgslieden plaatsten zijn lijk met eerbied naast dat

van zijn oude vriend en krijgsmakker.

Toen Manondo verwijderd was, had Dingaan zich in zijn hut begeven. De

indaba was voorbij.

VII.

Vertrek van het lager van Piet Uijs naar Natal.

Gaan wij tans in de loop van ons verhaal enige dagen terug en

verplaatsen we ons in het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit.

Een zacht rood in het Oosten kondigde het aanbreken aan van de eerste

dag na het vertrek van Uijs met het paardekommando naar Natal. De

morgenster steeg gestadig hoger in zijn hemelbaan, schitterend, maar

met een zacht kwijnend licht, als strekte hij met schroomvalligheid

de gloeiende dagvorstin tot geleide. De aarde lag nog in haar

laatste onrustige sluimering, alvorens geheel te ontwaken, wanneer de

koesterende aanraking van de zon de haar omhullende nachtelike deken

zou opheffen. In het lager was het echter reeds alles bedrijvigheid.

De tenten werden opgebroken en hun inhoud bijeen gepakt, om samen

weldra een plaats op de wagens te vinden. De wagenkring, die zolang tot

verblijfplaats en tevens bolwerk der Emigranten Boeren had gediend, werd

vaneen getrokken, de staketsels en zoden wallen uit de weg geruimd, het

trektouw aan de disselboom bevestigd, om daarna door de spanjukken, met

hun stroppen en scheien gewapend, voor het inspannen der ossen gereed

te zijn.

De mannen begonnen reeds de ossen, span bij span, uit de grote troep te

keren. De paarden van hen, die de tocht zouden beschermen, waren reeds

gezadeld; maar nog gingen de zorgvolle huismoeders rond om te zien dat

er niets werd achtergelaten; dat de ketel, waarin zoëven het water voor

de koffie werd gekookt, niet in het kookscherm vergeten, maar behoorlik

aan de langwagen was vastgemaakt. Dat het stampblok, waarin gisteren nog

de mielies werd gestampt, zijn plaats onder de ketel in de wagentent had

gevonden. Dat de broodpan, waarin gisteren avond nog enige beschuit voor

de tocht was gebakken, bij de uitgeholde, als bakoven dienstdoende

miershoop, niet achtergebleven was.

Galant had zijn trekgoed in orde. De andere bedienden waren de ossen

reeds gaan vangen om in te spannen. Dirk, die met Galant de tocht te

paard zou doen, totdat men de bergen zou bereiken, stond bij hem, de

gezadelde paarden bij de toom houdende. De oude dienaar sloeg nog hier

en daar aan iets de hand en moest in vrolike luim zijn, want hij zong

met schorre stem een Bovenlands liedje, waarvan de opwekkende melodie in

sterke tegenstelling was met de droefgeestige woorden:

/P

»Mijn hart is zo zeer! Mijn hart is zo zeer!

Mijn hart is zo zeer!

En ik kan toch niet meer.

Nou trek ik weg! Nou trek ik weg!

Nou trek ik weg!

Waar die ou zwart berg leg."

P/

»Wel outa," vroeg Dirk, »hoe gevoel jij je van morgen! Ben je

verdrietig of blij? Uit je gezang is je gevoel moeilik op te maken."

»Wel, Baas Dirkie, je weet goed genoeg dat dit enkel van plezier is, dat

ik zing. De oubaas is mos voor, en wij gaan hem achterna. Dood tegen

mijn zin heb ik de Baas met Kiewiet alleen laten weggaan, en nou voelt

mijn hart weer lekker, nou we koers vatten naar mijn oubaas toe."

»Galant, je moet van avond ons weer de storie vertellen van je komst in

de Kaap, en hoe je de slaaf van mijn overgrootvader geworden bent. Ik

ken die storie nog, maar Karel van Wijk en Doris Botha willen hem ook zo

graag horen."

»Goed, kleinbaas, als we van avond lager getrokken hebben, zal ik jullie

de storie vertellen. Maar hier zijn de ossen, we moeten nou inspannen."

De toebereidselen voor het vertrek waren voltooid. De ene na de andere

wagen werd door een span van twaalf of veertien ossen, op de krachtige,

languitgerekte roep: »Trek" van de drijver, vergezeld van een lustig

geklap met zijn lange, aan een stok van bamboes bevestigde zweep, in

beweging gebracht, en rolde langzaam voort, en weldra kronkelde de lange

wagentrein zich als een reusachtige boa over de groene grasvlakte.

Barend Greyling was met het bevel over de trek belast, en bevond zich

aan het hoofd van de trein, door enige ruiters vergezeld; terwijl andere

ruiters, op geruime afstand voor de wagens verspreid, dienst als

verkenners of videttes deden, en weer een afdeling ruiters als

achterhoede de trein sloot.

Bij Greyling bevonden zich Dirk en zijn getrouwe Galant. Dirk, die met

geweer, bandelier en toebehoren uitgerust was, zag er krijgshaftig uit,

zoals hij daar op zijn moedig rijpaard naast de Kommandant voortreed.

Hij had bij deze aangedrongen als verkenner dienst te mogen doen, maar

had tot antwoord gekregen: »Nee, mijn kind, je moeder heeft je aan mijn

zorg toevertrouwd, en aan mijn zijde moet je vandaag blijven. Vraag 't

haar echter van avond, en als zij toestemt, zal ik jou en Galant morgen

als videttes vooruit zenden."

Vroeg in de namiddag bereikte de trek het lager van hun vrienden aan de

Elandsrivier, waar men zou overnachten, om de volgende dag, door deze

eerste afdeling versterkt, de tocht naar het gebergte voort te zetten,

waar men de andere afdeling dacht te vinden.

De maatregelen om te kamperen waren spoedig genomen, en toen het begon

te schemeren, werden de kampvuren ontstoken en de wachten voor de nacht

geregeld.

De vrouwen waren bezig met het bereiden van het avondmaal of met de

verzorging der kleinere kinderen. De mannen hadden zich in groepjes

verzameld en bespraken ernstig de jongste gebeurtenissen en de bezwaren

van de tocht. Dirk Uijs had een klein kommando van flinke levenslustige

knapen van zijn leeftijd om zich verenigd. Men beraadslaagde hoe men tot

het avondmaal de tijd zou verdrijven. »Laat ons leeuw spelen," riep

Dirk uit, en zijn voorstel, met gejubel door allen beantwoord zijnde,

kondigde het gejoel en geschreeuw dra aan, dat het vrolike, wilde spel

in volle gang was.

Een der knapen wordt uitgekozen de leeuw voor te stellen; de anderen

zijn de honden en de jagers. De honden en de leeuw moeten op handen

en voeten lopen, de laatste omhangen met een leeuwevel, of bij gebrek

aan het werkelik artikel, met een karos of velkombaars. De jagers

trachten de leeuw te omsingelen en hem met stokken, die assagaaien

vertegenwoordigen, te steken; maar wijken, wanneer hij brullend op hen

toespringt immer achteruit. En geen wonder: want gelukt het de leeuw er

een te pakken, dan wordt deze goed geknepen en geknuffeld, en worden

de rollen verwisseld: de gevangene wordt leeuw, en de leeuw die hem

gevangen heeft, wordt verhoogd tot jager. Ze duurde het spel voort

totdat de knapen geroepen werden voor het avondeten. Bij het scheiden

riep Dirk zijn makkers toe: »Kom na het eten bij ons kampvuur; Galant

heeft me beloofd stories te zullen vertellen." Weinig kon Dirk voorzien,

dat vóór zij vier en twintig uren ouder zouden zijn, hij en Galant met

een leeuw in levende lijve te doen zouden hebben.

Kort daarna vinden wij de oude Malabaar, plat op de grond bij het

kampvuur, dicht bij de wagen van zijn ounooi zitten. Weer zong hij zijn

levendig-treurig liedje van de morgen, maar ditmaal begeleidde hij zijn

gezang met de tokkeling van een ramkie, een snare-instrument naar een

kleine viool gelijkend, de kast waarvan uit een kalebas bestaat, die met

ruw van het haar ontdaan vel is overspannen, en die òf bespeeld wordt

met de vingers als een gitaar, òf waarvan de tonen, evenals die van

de viool, met een korte strijkstok worden ontlokt. Galant was in een

gemoedelike stemming. Hoewel hij zong: »Mijn hart is zo zeer," droeg

zijn zwart gezicht, door het schijnsel van het kampvuur glimmend

verlicht, geen enkel teken van de droefenis die volgens zijn lied in

zijn binnenste heerste.

»Zo, outa," klonk de stem van Dirk hem tegen, »ik kom de vervulling van

je belofte vorderen. Karel, Doris en een handvol anderen zullen ook

aanstonds hier zijn, om de storie die je me beloofd hebt, te horen."

»Wel, kleinbaas," antwoordde de oude, »als jij en jou maters klaar zijn,

dan ben ik jullie Mozes."

»Goed, outa, maar ik wil eerst mielies springen. Ik heb mijn zakken vol,

en outa moet me as geven."

Het mielies springen, waarin Galant een matador was, bestaat hierin.

Men krabt met een plat stokje een laag hete as ter dikte van een duim,

gelijk op de grond uit, en spreidt hierop de droge mieliekorrels. Met

het stokje roert men de mielies door de hete as. Door de as verhit,

barst het omhulsel der meeste mieliekorrels met een knal uit elkander.

Het meel dat de korrel bevat, schijnbaar vloeibaar geworden door

de hitte, krult zich in prachtige, witte pluimige vormen om. Deze

mielies noemt men de hamels. Sommige mielies bieden weerstand aan

de hitte, weigeren te springen en worden half verkoold. Zij worden

in tegenstelling van de hamels, bokken genoemd, want zij vertonen

minder vet. Te zamen genomen zijn zij de krakelingen van de jeugd der

wildernissen, en worden onder onschuldig vermaak bereid, en gretig en

met smaak genuttigd.

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 6 / 13 段