de twistappel in hun midden te slingeren. Zouden eer- en heerszucht
oorzaak zijn, dat de Boeren het zo duur betaalde land zouden moeten
ontruimen? Wat hem betrof, hij en de zijnen zouden tevreden zijn, zich
voor goed te vestigen in de vruchtbare vlakten aan de Noord-Westelike
voet van de Quathlamba. Zij waren slechts gekomen om hun broeders te
helpen in het tuchtigen van Dingaan, en in het verkrijgen van vaste
voet in Natal. Evenmin als hij er aan gedacht had, het opperbevel te
aanvaarden, had hij zich voorgesteld zich hier neder te zetten. Het
gevaar, dat verdeeldheid in het leven kon roepen, was echter van
brede omvang. De grondslag van de verhouding tussen de Blanken en de
onafhankelike Naturellen-stammen in Zuid-Afrika kon daardoor worden
aangetast. Indien het de Naturellen bekend werd, dat de band die de
Boeren verenigde was stukgescheurd, en dat tengevolge daarvan het
boerebloed in Natal ongewroken, het wettig verkregen land prijsgegeven
was, welk gevaar zou daardoor in de toekomst niet ontstaan? Welke
schadelike invloed zou dit niet uitoefenen? Op de Zulu's niet alleen,
maar ook op de oorlogzuchtige stammen ten Noorden van de Vaal, waar
de wrede Moselikatse in het begin van het vorige jaar door Maritz was
verdreven; en op de sluwe en schrandere Moshesh en zijn Basuto's? Nee!
Hij zou de voorkeur geven een ander als leidsman te volgen. Te dienen
onder Gert Maritz, dat zou hem niet zwaar vallen. Maar Potgieter? Nee!
dat was te veel voor vlees en bloed. Ook was het nog de vraag of zijn
manschappen ooit hierin zouden bewilligen. Hij had de Kolonie verlaten,
omdat hij het juk door heerszucht opgelegd, niet wilde torsen, en zou
hij nu bukken onder Potgieter? Indien de meerderheid der emigranten
verlangde, dat hij hen leiden zou, was het dan niet zijn plicht aan die
roepstem gehoor te geven? Zou het mannelik zijn, de keuze der zijnen af
te slaan? »Heer! Heer! Bewaar mij voor streven naar macht en eer. Leer
mij te doen wat recht is in Uw ogen," zuchtte hij.
Zo innig was zijn overdenking, zo geheel was hij in zichzelf verzonken,
dat hij geen oog had voor het reine morgentooisel van de natuur. Het
golvend grasveld vóór hem, met bloemen doormengd, parelde prismaties met
zijn door de stralen van de morgenzon verheerlikte dauwdruppels. Hij
merkte dit niet op; evenmin had hij een oor voor het vrolik getjilp en
gekweel der vogels in de takken, die een heldergroen gewelf boven zijn
hoofd vormden, gevleugelde zangers in innerlike onschuld verwant aan het
gevleugeld koor des Hemels.
Uit zijn zelfverbijstering werd hij wakker geschud door een hartelik:
»Goede morgen, Pieter! Ik vernam van de poortwacht, dat je naar de
voorpost was gegaan, en nu vind ik je hier in gepeins verzonken. Ik
vertrouw dat ik je niet stoor." Het was Maritz die sprak, de tred van
wiens paard, door het welige gras verdoofd, door de peinzende Uijs niet
gehoord was.
»Goede morgen, oom Gert," zei hij vriendelik. »Ja, ik was diep in
gedachten. Als je een Zulu geweest was, had je me kunnen doorsteken voor
ik 't wist. Maar storen doe je me niet. Integendeel, ik ben verheugd dat
je weg je hierheen gevoerd heeft. Stijg af, en neem plaats naast me. Ik
zou gaarne een vertrouwelik gesprek met je hebben."
Maritz wierp zich uit de zadel, en weldra zaten deze twee Afrikaanders,
wier nagedachtenis nog door het Zuid-Afrikaanse volk in ere wordt
gehouden, op de half vermolmde boomstam naast elkaar.
De rondborstige, ridderlike Uijs kon niet langer dan volstrekt nodig
was, enig geheim in zijn boezem omdragen. Ook zijn metgezel was een man,
wiens zieleadel niet genoeg door zijn tijdgenoten werd gewaardeerd.
Uijs begon met te zeggen: »Oom Gert, het is alsof de Voorzienigheid
je hierheen heeft geleid. Het welzijn der onzen ligt mij nauw aan het
hart. Toen je mij zoëven uit mijn gepeins deed ontwaken, overwoog ik
met ernst, en laat me toe te zeggen, onder opzien tot de Allerhoogste,
de vraag: wie onder ons de opvolger van Piet Retief zal zijn."
»Was je daarmee bezig, mijn vriend?" vroeg Maritz, met een ernstige
trilling in zijn stem, die tevens iets blijmoedigs had. »Wellicht heb
je die vraag reeds voor jezelf beantwoord, evenals ik dat voor mezelf,
reeds enige tijd geleden, gedaan heb. Anderen hebben met mij gesproken,
en zeer zeker ook met jou. Welnu, ik heb tot mezelf gezegd: »Gert, aan
het hoofd van een zelfstandige trek heb je het distrikt Graaff Reinet
verlaten. In het dichtst van de strijd ben je sedert altoos te vinden
geweest. Maar niet jou, maar Uw naam, o Heer, zij eer! Nimmer behoor
je naar de erepost te zoeken. Integendeel, die post behoorde jou te
zoeken, en als je volk je roept, wees dan bereid om te doen, wat je hand
te doen zal vinden." Mijn vriend, daar heb je mijn gevoelen; het jouwe
wens ik tans niet te weten. Ik ben ouder in jaren dan jij. De stem van
het volk kan mogelik bij de verkiezing van de leider ons tegenover
elkander stellen. Ik weet hoe jij, evenals ik, meent je landgenoten in
eerlikheid en oprechtheid des harten te dienen. Mocht het zo beschikt
worden, dan ben ik bereid je als leider te volgen, te gehoorzamen en te
eerbiedigen."
Met tranen in de ogen greep Uijs de hand van Maritz, en zei: »Mijn oude
vriend, met blijdschap heb ik je aangehoord. Je hebt mijn hart lucht
gegeven. Ook ik zal volgaarne je leiding volgen en in de ure des gevaars
aan je zijde staan: maar, wat omtrent Hendrik Potgieter?"
»Mijn vriend, laten wij over hem en over deze zaak niet verder spreken.
Vanmiddag zal een raadszitting worden belegd om belangrijke zaken, en
ook de benoeming van de Hoofd-Kommandant te bespreken. God zal ons
leiden, en wij zullen naar gelang der omstandigheden handelen. Kom, laat
ons opstaan. In het lager wacht het ontbijt ons reeds."
Zij stonden op, en wandelden onder een gesprek dat zich tot algemene
onderwerpen bepaalde, Maritz zijn paard leidende, naar het lager terug.
Na het ontbijt bracht Uijs het overige gedeelte van de morgen door met
het lager rond te gaan en zijn oude kennissen op te zoeken. Zijn gesprek
met Maritz had tijdelike vrede geschonken aan zijn gemoed. Waar hij ook
rondwandelde, Potgieter liep hij niet tegen het lijf. Voor de tenten
vond hij velen, die in de jongste aanval gewond en verminkt waren, maar
tans herstellende, zich koesterden in de morgenzon. Onder hen vond hij
ook de kleine meisjes Hannie van der Merwe en Grietje Prinsloo, die zo
wreedaardig gewond en doorstoken, doch nu weer, dank zij de liefderijke
verpleging en trouwe verzorging, aan de beterhand waren. Arme kleinen!
Zij, aan wie zij het leven te danken hadden, waren er niet meer; doch in
hun plaats had de altoos liefderijke Voorzienigheid hun vele gewillige
en zorgvuldige verplegers geschonken.
Tegen de middag ontmoette Uijs Daniël van Vuren, die zei door Maritz
gelast te zijn hem te melden, dat de Krijgsraad te twee uur in de tent
van Sarel Cilliers zou bijeenkomen, en dat er gedurende de morgen boden
van de Engelsen aan de Baai van Natal, in het lager waren aangekomen,
die belangrijke mededelingen hadden te doen.
Toen Uijs met Frans van Staden op het bepaalde uur de ruime veldtent
waarin de Krijgsraad zitting zou houden, binnen trad, was deze reeds
gevuld met de voormannen der Boeren. Uijs had hen allen reeds in de
loop van de morgen ontmoet, trad vriendelik knikkende door hun midden
en begaf zich naar het boveneinde van de tent, waar Hendrik Potgieter,
die hij nog niet had gegroet, de eerste plaats had ingenomen.
Uijs groette hem welwillend en ontving tot wedergroet een kortaf:
»Goede dag, neef Uijs!" waarop Potgieter zich tot de anderen wendde
met de woorden: »We zijn nu allen hier, en kunnen met de werkzaamheden
aanvangen." Het was duidelik dat hij de leiding van de vergadering op
zich wilde nemen, als iets dat hem rechtens toekwam; maar de waardige
Cilliers kwam hem voor, door te zeggen: »Broeders, bij afwezigheid van
een gekozen hoofd zal ik, als uw aller gastheer met uw toestemming de
vergadering leiden."
Dit voorstel droeg de goedkeuring van de overgrote meerderheid der
aanwezigen weg. Cilliers plaatste zich aan het hoofd van de kleine
tafel, en opende de vergadering met een krachtig gebed, waarna hij
zei: »Broeders, wij zullen eerst horen wat de boodschappers uit de
Baai ons te berichten hebben." Twee mannen, Richard Biggar en Wood,
de tolk van de Zendeling Owen traden naar voren. In bondige, krachtige
trekken schetste eerstgenoemde de toestand waarin de blanken, zowel van
Hollandse als Britse afkomst, zich in Natal bevonden. Geen ogenblik was
men van zijn leven zeker; niet het minste vertrouwen kon worden gesteld
in de woorden en beloften van Dingaan. Aan de Engelsen had hij beloofd
de afstand van het Terra Natalis, in 1824 door zijn voorganger Tshaka
aan Luitenant Farewell gedaan, gestand te zullen doen; aan Retief had
hij het land volkomen afgestaan, om hem onmiddellik daarop verraderlik
te vermoorden. Men moest de Zulu bevechten, hem de macht der blanken
doen gevoelen.--Zelfs vele Zulu's waren zijn bloedige regering moede, en
zouden de blanken hulp bieden. Het land was ruim genoeg om woonplaats
voor al de blanken te verstrekken. Men moest een gezamenlike aanval
op Dingaan beramen. De Engelsen aan de Baai waren gereed, door enige
Zulu-bondgenoten bijgestaan, met dat doel op te rukken zodra de Boeren
tot de aanval gereed waren.
De vergadering juichte het voorstel van Biggar toe. Immers zij waren
reeds besloten de Zulu-Koning voor het gepleegd verraad te straffen. Men
wees er echter op dat het onmogelik was, nu reeds de tijd voor de aanval
te bepalen. Men moest wachten tot de gewonden zouden zijn hersteld, en
in ieder geval tot de wagens van Uijs zouden zijn aangekomen. Eindelik
kwam men wederzijds tot het besluit, dat allen zich zouden voorbereiden,
en dat de Engelsen aan de Baai zouden oprukken, zodra zij bericht
ontvingen, dat de Boeren waren uitgetrokken. Toen verlieten de boden de
vergadering, om de volgende dag huiswaarts te keren.
Toen de boden zich verwijderd hadden, nam Cilliers andermaal het
woord. Hij bezat het volste vertrouwen der Boeren en had zich dat
in alle opzichten waardig gemaakt. Streng godsdienstig, bezat hij
een welsprekendheid ontleend aan natuurlik talent, gepaard met innige
overtuiging en geestdrift in de dienst van zijn Heer. Bij afwezigheid
van een bevestigde Predikant leidde hij de godsdienstoefeningen der
emigranten, bracht de zieken en gewonden de troost des Eeuwige Woords,
en richtte aan menige stervenssponde, het zielsoog van de lijder op de
Verwinnaar van graf en dood. Hield hij in de ene hand de Bijbel, men
kon hem waar de nood riep, in de andere hand zijn roer houdende vinden,
een waardig naverwant der Hugenoten, die met de Coligny in den gelove
gebeden, maar ook voor dat geloof gestreden hadden. Overtuigend
bewijs had hij dikwerf hiervan geleverd, vooral toen hij op de 2de
Oktober te Vechtkop bij de Rhenoster-rivier, het bevel voerde over
het kleine lager, dat slechts dertig weerbare mannen telde, en de
overweldigende impi van Moselikatse versloeg en op de vlucht dreef.
Ook bij de beraadslagingen was hij onmisbaar door zijn gematigdheid,
belangeloosheid, gezond verstand en rijpe ondervinding.
Hij zei met ernstige, plechtige nadruk: »Broeders, wij zijn tans
genaderd tot het hoofddoel waarvoor deze vergadering werd belegd.
Schapen zonder herder dwalen her- en derwaarts. Onze trek kan zonder een
erkende leider niet voortbestaan. God heeft Pieter Retief, de man door
ons als leider gekozen en erkend, tot Zich genomen. De ledige plaats
moet worden aangevuld, en in deze vergadering zal door de meerderheid
heden moeten worden beslist, wie voortaan aan ons hoofd zal staan, en
ons op de tocht tegen Dingaan, waartoe wij allen besloten zijn, leiden
zal. De Heer zelf doe ons kiezen de man naar Zijn hart, en een ieder
onderwerpe zich aan de keuze."
Pas had hij geëindigd of Willem Meijer nam het woord. »Mannen," sprak
hij, »het kan u niet moeilik vallen de rechte man te kiezen. Eer Retief
zich bij ons aansloot, en tegen de wens van velen, de leiding van de
trek op zich nam, hadden wij reeds onze leider, de man die aan het hoofd
stond van de eerste trek, welke die naam verdient. Heden staat hij nog
in ons midden, bekwaam en bereid onze aanvoerder te zijn. Ik stel voor,
dat aan Hendrik Potgieter het opperbevel worde opgedragen."
Toen hij zweeg nam Karel Landman het woord en zei: »Ik heb niets tegen
Hendrik Potgieter, maar wens de vraag te opperen: indien hij, zoals
Willem Meijer schijnt te menen, werkelik het hoofd der Emigranten Boeren
was, hoe was het dan mogelik voor Pieter Retief hem zonder slag of
stoot te vervangen. Ik erken dat neef Hendrik de leider van een afdeling
van de trek, ja, van de eerste afdeling is, maar het hoofd van de trek
was hij nimmer. In ons midden zijn verschillende leiders die evenveel,
zo niet meer recht hebben dan hij, om in aanmerking te worden genomen.
Ik zal iemand voordragen, wiens daden en deugden zo wel bekend zijn, dat
ik hem niet behoef aan te prijzen. De man die ik voorstel is Gert
Maritz."
Een verward gemompel, dat spoedig hier en daar de vorm van een
woordestrijd aannam, steeg in de vergadering op.
»Ik verzoek stilte," klonk het uit de mond van Cilliers. »Broeders, bij
al wat ons dierbaar is, bid ik u, blijf uw bedaardheid behouden. Beide
mannen die genoemd zijn, verdienen onze achting en zijn bekwaam ons te
besturen. Gedenk aan de woorden: Een huis tegen zichzelf verdeeld, kan
niet bestaan. Ook, waar liefde woont gebiedt de Heer Zijn zegen. Laat de
meerderheid beslissen en de minderheid berusten."
»Dat schijnt eenvoudig genoeg, maar ik verbind me niet om me onder de
meerderheid te buigen," klonk een zware stem door de tent. Het was
Potgieter die sprak, en de ontwijfelbare toorn, die hem uit de ogen
straalde, bedroefde zelfs zijn aanhangers. »Karel Landman betwijfelt het
feit dat ik de eerste voortrekker ben..."
»Dat ontken ik," liet Landman zich ontvallen.
»Neef Karel, laat neef Hendrik uitspreken," vermaande Cilliers.
»Wel," hernam Potgieter, door de aanmerking van Landman tans geheel
in woede ontstoken, »of Landman erkent of ontkent, is me volmaakt
onverschillig. Ik weet wat ik ben, en wat ik me voorgenomen heb te
blijven. Ik ben voorgegaan, en heb niemand gevolgd, en ben vast besloten
nimmer iemand te volgen. Gert Maritz mag wezen wat hij wil, maar na mij
is hij in het land gekomen. Eer ik hem of iemand anders volg, zal ik
Natal verlaten, en ge zult zelf kunnen zien, hoevelen met mij gaan."
Onder deze rede had Maritz zijn doordringend oog op Potgieter gevestigd.
Een enkele maal had de gloed van oprijzende verontwaardiging zijn wangen
gekleurd, maar toen Potgieter zweeg kwam er geen woord over zijn lippen.
't Was onze vriend Frans van Staden, die nu het woord nam. »Vrienden,"
zei hij, »dertig jaren geleden, toen ik bij zekere gelegenheid ook mijn
woordje wilde bijdragen, werd mij toegevoegd: »De jongeling zwijge in de
gemeente." Sedert die tijd ben ik ouder geworden, en ik verbeeld me, dat
ik nu oud genoeg ben om ook mijn mening uit te spreken; want ik verzeker
u, mijn eigen mening heb ik. Om u niet lang in het draaiwater te laten,
zal ik maar met eens zeggen, dat neef Gert en neef Hendrik goede, beste
mannen zijn, maar dat ik voor geen van beiden zal stemmen. Moest ik
echter tussen hen kiezen, dan zou ik liever staan onder Gert Maritz
dan onder Potgieter. Of het nu recht lijkt of verkeerd, toch zal ik het
wagen ook een voorstel te maken, en niemand zal me het, zelfs niet met
een mieliestamper in het hoofd kunnen prenten, dat mijn voorstel niet
het beste is: Ik stel voor, dat wij Piet Uijs als onze voorman kiezen."
Met klimmende ergernis had Potgieter naar van Staden geluisterd, en
pas was de laatste klank zijner woorden verstorven, of hij viel uit op
dreigende toon: »Wat heeft Uijs hier gebracht, tenzij het de begeerte
is om mij te onderkruipen? Als anderen hem geroepen hebben, ben ik daar
onschuldig aan. Wat mij betreft, had hij behoren te blijven waar hij
was. Ik en de mijnen hadden hem in ieder geval nimmer, en hebben hem
nu ook nog niet nodig. Ook ik wil alle twijfel wegnemen, evenals Frans
van Staden. Ik zal òf hier blijven als hoofd van deze trek, òf ik en
zij die mij willen volgen, zullen ons over het gebergte begeven en ons
aansluiten bij mijn tochtgenoten, die zich tans aan de overzijde van de
Vaalrivier bevinden. Dit is mijn laatste woord. Ik heb gezegd."
Na deze heftige uitbarsting van Potgieter verwachtten allen een storm.
Maritz was steeds koel en bedaard gebleven; nu was er op zijn gelaat
niet te lezen, wat er in zijn binnenste omging. Uijs had zijn helder oog
uitvorsend op Potgieter gericht, toen deze voor de tweede maal het woord
nam, en had onwillekeurig de wenkbrauwen samengetrokken bij het vernemen
der woorden die van zijn lippen vloeiden.
Cilliers wenste de dreigende ontploffing te vermijden, en zijn
vermaning weerklonk andermaal: »Bij al wat u dierbaar is, bid ik u wees
verdraagzaam, en wil met bedaardheid de beraadslagingen voortzetten."
Uiterlik koel en kalm nam Uijs tans het woord en sprak: »Mijn broeders,
tot weinige ogenblikken geleden, heb ik Hendrik Potgieter naar mijn
eigen maatstaf gemeten, en gedacht in hem een billijk man te zien.
Indien hij meent wat hij zoëven gezegd heeft, en daarbij beschouwd
moet worden gezond van zinnen te zijn, dan heb ik me groteliks in hem
bedrogen. Hij vraagt, wie mij hier geroepen heeft, en beweert dat
ik hier ben gekomen om hem te onderkruipen. Broeders, het was op uw
verzoek, dat ik hierheen gesneld ben, en God weet, dat ik daarbij
nimmer een enkele gedachte aan Hendrik Potgieter heb verspild. Zijn
aanmerkingen verdienen de verachting van allen, en dragen mijn diepste
afkeuring weg. Maar broeders, ik vraag u, of het tans de tijd is om
onder onszelf twist en tweespalt te verwekken? Het bloed onzer broeders,
het bloed van vrouwen en onschuldige kinderen, in wrede bloeddorst door
de Zulu-barbaren vergoten, is ter nauwernood droog op de aarde, en
zullen wij, die als een enig man moeten opstaan, om recht tegenover
onszelf en de Zulu te handhaven, tans onderling strijden en twisten over
het aanvoerderschap? Wat mij het meest getroffen heeft in Potgieter, is
zijn uitdrukkelik kenbaar gemaakt voornemen om het land te verlaten, als
hij niet tot aanvoerder verkozen wordt. Wat ik ook al vroeger mocht
hebben gedacht, tans zal ik hem nimmer als mijn aanvoerder volgen.
Echter ben ik gewillig, al kiest ge hem, om op eigen gezag met u
ten strijde te trekken. Eerst wil ik echter de mannen van mijn trek
raadplegen, en ik oordeel het slechts billik tegenover allen, dat deze
vergadering zal worden verdaagd, tot mijn mannen, die de wagentrek
begeleiden, ook aangekomen zijn. Ik heb tans reeds een eigen gevolg van
omtrent honderd en twintig mannen in uw lager; als de wagens aankomen,
zal dat getal tot minstens twee honderd stijgen. Wenst ge ons af te
wijzen, het zij zo; maar dan was ik mijn handen in onschuld."
»Piet Uijs heeft gezegd wat hij wilde," begon Potgieter.
»Zwijg liever, neef Hendrik," viel Cilliers hem ernstig en beslist in
de rede, »het voorstel van Uijs is gegrond en verstandig, en ik zal het
dadelik in stemming brengen. Wie stemmen wil voor het voorstel van Uijs,
steke de hand op."
De stemmen werden geteld en het bleek dat het voorstel van Uijs bijna
eenparig was aangenomen.
»Broeders, voor heden is de Krijgsraad geëindigd, en zal, na de aankomst
der wagens van Uijs, worden hervat," zei Cilliers; en de vergadering
ging uiteen.
VI.
Bloedige tonelen te Umkungunhlovo.
Terwijl op de aankomst van de wagens van de Uijstrek wordt gewacht, en
alvorens wij de reis van die trek beschrijven, verplaatsen wij ons naar
Umkungunhlovo.
Welke treurige herinneringen wekt die naam niet op. Hier zetelde een
onbeperkt despotisme. Hier woonde Dingaan, die het woord genade niet
kende. Van zijn enkele wenk hing het leven van duizenden en duizenden
der Zulu's af. Als hij de wenkbrauwen fronste, sidderde de grootste en
moedigste induna als een riet. Dingaan, die zijn heerschappij verkregen
had, eerst nadat hij zijn assagaai in broederbloed had gedoopt. Die, te
zamen met zijn broeder Umlangani, door de verrader Bopa geholpen, zijn
niet minder wrede en bloeddronken Koning en broeder Tshaka had vermoord,
en als in overmoedige spotternij met de nagedachtenis van Tshaka, die in
de isibonga, of erebenaming van de Amazulu »Umhlovu", de Olifant, werd
genoemd, de naam van de »Verstrikker van de Olifant" had aangenomen.
Die, om zich de alleenheerschappij te verzekeren, daags na de moord op
Tshaka gepleegd, zijn bondgenoot, medeplichtige en broeder Umlangani
liet ombrengen. Die, in de onmiddellike nabijheid van deze zetel
van zijn schrikbestuur, zijn »Hloma Amabutu" zijn beenderheuvel,
zijn hoofdschedelplaats had doen ontstaan, alwaar de verbleekte
doodsbeenderen van ontelbare onschuldige slachtoffers van zijn woede,
uit zijn eigen volk en andere inboorling-stammen niet alleen; maar
alwaar ook de laatste overblijfselen van Pieter Retief en zijn met hem
verraderlike omgebrachte lotgenoten ongewroken, onbegraven, aan weer en
wind lagen blootgesteld.
Toen de impi, die na de moord van Retief uitgezonden was met de last, de
Emigranten Boeren in Natal uit te roeien, en niemand, man, vrouw noch
kind in het leven te laten, met bebloede koppen terugkwam; toen Dingaan
vernam dat honderden zijner dapperste Ama-doda, door de Malongo, de
blanke man, waren gedood, kende zijn woede paal noch perk, en werd het
eerst op zijn verslagen leger gekoeld.
Umkungunhlovo was in de vorm van een cirkel uitgelegd. De circa twee
duizend hutten, waaruit de kraal bestond, omsloten een rond open plein,
aan welks ene zijde de grote hut van Dingaan, waarvan het dak op met
kralen en koperen en ivoren versierselen getooide pilaren rustte, zich
bevond. Op dit plein, dat ruimte had voor minstens vijf en twintig
duizend krijgslieden, werden de krijgsdansen uitgevoerd en monsterde het
Zulu-opperhoofd zijn impi's, wanneer zij ten strijde uittrokken, of van
een krijgstocht terugkeerden.
Op dit plein vinden wij Dingaan enige dagen na de moord te Blauwkrans,
des morgens voor zijn woning gezeten. Hij was in zijn volle koninklike
uitrusting gedost. Zijn hoofd was gedekt met een kap, met lange
struisvogelpluimen en veelkleurige veren opgeluisterd, enigermate
gelijkende op een grote gevleugelde helm. Een karos van luipaard- en
apevellen gemaakt, hing hem om de schouders, terwijl hij een schort van
luipaardstaarten vervaardigd om de lenden, en lange kwispels, van de
kwasten van ossestaarten gemaakt, aan de knieën en enkels hangen had.
Verder waren de armen en benen van de zwaarlijvige potentaat met metalen
ringen overdekt. Zijn schilddrager stond achter hem, en beschermde met
het grote schild, van de huid van een witte os gemaakt, zijn meester
tegen de stralen van de zon. Ook stonden de stoeldrager, de wapendrager
en de schenker in zijn onmiddellike nabijheid, laatstgenoemde binnen het
bereik van enige grote poten met kafferbier. Zijn raadslieden omringden
de Koning, en in een kleine halve maan achter deze groep stond de
lijfwacht, samengesteld uit de zonen van induna's, de adel des lands.
Vóór de Koning, sikkelvormig geschaard, stond het overschot van de impi,
die uit Natal teruggekeerd was, en voor hun front Umhlela, hun Induna
e'nkolu of opperbevelhebber. Aan hun hoofdringen en hun witte schilden
waren zij allen als amadoda-veteranen kenbaar.
Een weinig ter linkerzijde van het gezelschap des Konings stond een
enkel regiment afzonderlik in gelid. In de grijze induna aan hun hoofd
herkennen wij Manondo, die zijn stem tegen het vermoorden van Retief
en de zijnen had doen horen, en zich daardoor de ongenade van Dingaan
op de hals had gehaald. Zijn regiment werd beschouwd als het eerste
van het leger, en droeg de naam van »Omobapankoe", hetgeen betekent
»De Luipaardvangers."
Die naam had het regiment gekregen, reeds in de tijd van Tshaka. Een
luipaard had een veehoeder des Konings gedood, en hij gaf aan een
afdeling van dit regiment bevel, het roofdier levend te vangen en
voor hem te brengen. De moedige krijgslieden volgden het spoor van de
luipaard, vonden en omsingelden hem, en hoewel menigeen hunner door het
woedende dier verwond en verminkt werd, en sommigen het leven lieten,
slaagden zij er in hem levend te binden en voor de Koning te dragen.
Tshaka gaf ter herinnering aan deze moedige daad het regiment de naam,
die het ten tijde van Dingaan nog onderscheidde.
Rondom, op de buitenrand van het plein, waren duizenden toeschouwers in
stille afwachting van wat ging plaats vinden.
Umhlela gaf een sein. De krijgslieden namen de schilden op, begonnen er
op te slaan en hieven de wapenzang van Dingaan aan:[6]
»Hongerig kroost van Umpikazi!
Slachters van der mensen vee!
Vreest het bloed van Umhlagazi,
Met hen trekken dood en wee."
Plotseling staakte het gezang. Dingaan had gramstorig een teken gegeven
dat men zwijgen moest. Hij wenkte Umhlela, en toen deze voor hem stond,
zei hij: »Zoon van Umdodi! Ge waagt het nog, het teken tot het zingen
van mijn triomflied te geven, en die geslagen honden daar durven dat
lied nog aanheffen. Dat lied is bestemd om te worden gezongen door
krijgslieden die als mannen uit de slag komen; maar krijgslieden, die de
vijand de hielen hebben getoond, past het te huilen als de jakhalzen,
maar niet als leeuwen te brullen."