Nog lag het kamp in diepe rust. De schildwachten, hoewel reeds tweemalen

afgelost, schenen door de slaap bevangen, en traden met lome schreden

door het lange, met dauw doorweekte gras. De paarden, na zich aan het

overvloedig groen te hebben te goed gedaan, hadden ook de vermoeide

leden ter ruste gestrekt, en zich in het welig dekkleed der aarde

verscholen, waaruit slechts hun koppen omhoog staken. In het Oosten

begon de dag te lichten. Naar het Zuid-Westen hadden de schildwachten

enig gerucht vernomen, dat zich weldra oploste in duidelik

paardegetrappel, waartussen het geluid van mensestemmen hoorbaar was;

een ruiterbende was in aantocht op het kamp.

»Werda!" bulderde een schildwacht en plaatste gelijktijdig het zware

roer aan de schouder, gereed om indien nodig los te branden. »Vrienden!"

klonk het antwoord uit de verte. »Machtig, Neels Botha! Jij bent een

eerste klas schildwacht; dat kan ik je ter ere nageven. Maar laat nu

maar die baviaansbout zakken. Ik ben Daniël van Vuren, en geleid de

tweede afdeling van ons kommando."

»Passeer, Danie," antwoordde de schildwacht. »Gelukkig voor jou, dat je

geen Zulu bent, want anders was je nu zeker reeds bezig met gras in je

mond te stoppen."

De laatste afdeling van het kommando, achterruiters uitgesloten,

zeven en dertig man sterk, reed het kamp binnen. Hun aankomst deed

allen ontwaken, en spoedig was het gehele kamp in beweging. De half

uitgedoofde wachtvuren flonkerden dra met vernieuwde vlammen, en toen de

pas aangekomenen hun paarden afgezadeld en gekniehalterd hadden, was het

helder dag, de koffie gereed, en werd de gezonde morgendrank door allen

met gretigheid naar binnen geslagen.

Van Vuren had zich dadelik vervoegd bij de Kommandant, die zich

onmiddellik bij de komst van de versterking uit zijn velkombaars bij het

smeulende wachtvuur had gewikkeld, en op hem was toegetreden. In weinige

woorden meldde hij, dat zij op één uur rijdens van het gebergte de nacht

hadden doorgebracht en vroeg waren opgebroken om het kommando niet op

zich te laten wachten.

Ook het lager was ontwaakt, en de meeste mannen, met Kasper Strijdom

aan het hoofd, waren op het kamp toegetreden. Uijs had reeds de order

gegeven: »Roep de brandwachten in. Maak het ontbijt gereed. Verzamel de

paarden. Wij moeten hedenavond aan de overzijde van het Quathlamba

gebergte ons kamp opslaan."

»Wel, neef Pieter," zei Strijdom, »je maakt je gereed om verder te gaan.

Ook ik zal heden mijn weg vervolgen; maar de woorden, door jou gisteren

avond gesproken, hebben velen mijner metgezellen bewogen van richting

te veranderen, en zich bij je aan te sluiten. De Here bescherme jou en

hen. Ware ik jonger, ik zou waarschijnlik hetzelfde doen. Maar hier zijn

zij. Laat hen voor zichzelf spreken."

Hierop trad Andries Viljoen naar voren, en zei: »Kommandant, ik en

dertien anderen met me, hebben na zorgvuldige overdenking en overweging

met onze vrouwen, het vast besluit genomen, om naar Natal terug te

keren. Wij willen ons onder u, als leider, scharen."

»Mijn vriend," antwoordde Uijs, »niets kan me meer welkom zijn dan

je besluit. Heden, zoals ge zelf zult inzien, kunt ge me echter niet

vergezellen. Ik heb haast om met mijn paarde-kommando in Natal te

komen. Je wagens kunnen niet met me gaan, en achter- en alleen laten,

kunt ge ze niet. Onze wagens zijn echter in aantocht, en hier is de

verzamelplaats. Wacht dus hun komst af, en trek met hen terug over het

gebergte."

Dit plan werd dadelik door Viljoen en de anderen goedgekeurd.

Uijs bleef nog enige ogenblikken met hen in gesprek, en spoorde weer

zijn mannen aan om haast te maken. Op de kruin van het gebergte kon men

weer af zadelen, het middagmaal gebruiken en rust nemen.

Het duurde dan ook niet lang, en de zon was ter nauwernood van achter

de bergen in het luchtruim gestegen, of de manschappen hadden hun

morgenmaal genoten, de paarden stonden gezadeld, en men was gereed om

te vertrekken.

Uijs trad op Strijdom toe en drukte hem de hand met de woorden:

»Vaarwel, oom Kasper. Moge uw weg voorspoedig zijn." »Vaarwel, neef

Pieter, God zegene en geleide je!" zei de grijsaard bewogen. »Op aarde

zullen we elkander zeker nimmer wederzien." Hij had recht, de oude: dit

was hun laatste ontmoeting op aarde.

»Voorwaarts!" klonk het uit de mond van de Kommandant. De ruiterbende

zette zich in beweging, besteeg het steile bergpad, wendde zich om een

bocht in de bergkloof, en had het lagertje en de hen nastarende mannen

uit het gezicht verloren.

Twee dagen later, tegen het vallen van de avond, werd het grote lager,

dat tussen de Tugela- en Mooi-rivieren door de overgebleven Boeren van

de grote Trek was opgeslagen, in rep en roer gebracht door het bericht,

dat een der voorposten met het rapport was ingekomen, dat een kommando

uit het Noord-Westen, op het lager in aantocht was. In alle richtingen

gingen boodschappers uit, om het grazende vee, dat reeds aan het

terugkeren naar het lager was, met spoed in veiligheid te brengen;

en aan alle voorposten werd bevel gezonden onmiddellik op het lager

terug te vallen. Verwarring heerste er niet. Iedereen maakte, uiterlik

bedaard, de nodige toebereidselen om de vijand te ontvangen; innerlik

echter stormde het in menige boezem. Menige mannewang verbleekte, menig

vrouwehart kromp ineen bij de gedachte, dat de schriktonelen die ze zo

weinig tijds geleden hadden aanschouwd, gedurende de naderende nacht

konden worden herhaald. Onverwachts was die dreigende overval echter

niet. Onbekend met het feit, dat de nederlaag door hen bij Blauwkrans en

Boesmansrivier geleden, de dappere tegenstand van de ongelukkige Retief

en zijn lotgenoten, de Zulu's met paniese schrik en heilzaam ontzag voor

de Afrikaander hadden vervuld, had men zich voorbereid op een heftiger

aanval der Zulu's.

Maritz trok aan het hoofd van een vijftigtal welbereden mannen de

lagerpoort op verkenning uit. Zwijgend zat hij in de zadel, maar op zijn

vastberaden gelaat stond het te lezen: »'t Zij leven of dood, ik zal

mijn plicht doen."

Op de voorkist van zijn wagen zat een reeds bejaarde voortrekker bedaard

zijn pijp te roken, en zijn met lang haar bedekt hoofd bij tussenpoozen

in een dikke rookdamp te hullen, dat hem deed gelijken op een kleine

vulkaan. Zijn roer lag over zijn knieën, zijn bandelier en kruithoorn

binnen het bereik van zijn hand. Een glimlach verhelderde zijn breed

gelaat, en een zekere mate van vrolikheid straalde hem uit de ogen. Het

scheen alsof hij niet alleen geheel onbekommerd was, maar alsof al die

drukte in het lager hem vermaakte. Het was de oude Frans van Staden,

gezegend met een vrolike inborst en opgeruimd gemoed, onveranderd en

niet afgekoeld door het klimmen der jaren. Een man zonder de minste

zucht naar eer, maar met een schrander hoofd en een moedig hart.

Een jonge man naderde hem en zei: »Oom Frans lijkt nog even gerust, en

men zegt dat de vijand aan het komen is, en dat wij van nacht zullen

worden aangevallen."

»Wel Karel, dat behoort men juist niet te zeggen. Ik weet dat de

voorzichtigheid de moeder van de porseleinkast is, maar het is tijds

genoeg om wolf te schreeuwen, als men weet dat de wolf er is. Ik heb

niet de minste hoop, dat het een Zulu impi is, die ons nadert. Ik mag

lijden dat ik verkeerd ben, want ik hunker naar het ogenblik, dat ik die

outa's onder het lood kan krijgen. Maar vraag jezelf af: Hoe zullen de

Zulu's uit het Noord-Westen komen, en dat nog al te paard? En zullen zij

zich ooit op klaarlichte dag laten zien? Die natie, die altijd met list

en verraad te werk gaat; zij zullen ons in de nacht aanvallen, maar niet

terwijl Gods zon nog aan de Hemel staat. Ik eet mijn hoed op, zo

vetterig en vol stof als hij is, als dat Zulu's zijn."

»Oom Frans zegt zelf, dat de Zulu's listig zijn: daarom komen zij uit

een richting waaruit zij weten dat wij hen niet verwachten zullen. En

dat zij te paard zijn? Vergeet oom, dat met de dood van Retief, en de

inval die zij gedaan hebben, enige honderden paarden met zadels en tomen

in hun bezit geraakt zijn?"

»Ik mag lijden, dat jij gelijk hebt, mijn jonge vriend! Het zal een mooi

gezicht zijn, die naakte outa's te paard. Elk hunner zal wel een paar

dozijn keren van zijn ros zijn getuimeld, tussen Umkungunhlovo en hier.

Die outa's zullen zo geraadbraakt zijn en doorgereden, dat wij hen als

bosduiven zullen neerschieten, of om kruit en lood te sparen, hen als

hoenders de nek zullen omdraaien. Als je gelijk hebt, gaat outa van

avond nog op goedkope en gemakkelike manier naar de eeuwigheid, en

krijgen wij, met weinig moeite, onze paarden, zadels en tomen terug."

»Maar oom Frans, u moet altoos spotten," hernam de jonge man enigszins

spijtig. »Zeg me, in 's Hemels naam, als het geen Zulu's zijn, wie zijn

het dan?"

»Mijn kind, waarom me dat niet meteen gevraagd, dan had ik je dat kunnen

zeggen. Neem aan, dat de voorposten uit het Noord-Westen een kommando

hebben zien naderen, dan kan dit niets anders zijn dan het kommando van

Piet Uijs, wiens hulp mijn broer Stoffel is gaan inroepen."

»Maar oom Piet kan onmogelik binnen zo weinig dagen met zijn trek tot

hier gekomen zijn. Oom Stoffel kan ter nauwernood nu zijn afdeling

hebben bereikt."

»Neef Karel, je droomt. Het schijnt me, dat je Stoffel van Staden en

Piet Uijs geen van beiden kent. Stoffel heeft dag en nacht doorgereden,

en aan Piet rapport gedaan; en Piet heeft zijn lager achtergelaten, en

is dadelik met een paardekommando gekomen om ons te helpen. Nu, als dit

niet zo is, eet ik niet alleen mijn eigen hoed, maar de jouwe daarbij.

Maar als ik verkeerd ben, en het zijn werkelik de moordenaars, die op

ons aanrukken, dan zal ik nog een pijp kunnen uitroken." Hij klopte

bedaard zijn pijp uit, en stopte die opnieuw, en bleef genoegelik

voortroken.

Enige ruiters kwamen in volle galop op het lager aanrijden, en waren

dadelik door oom Frans opgemerkt.

»Neef Karel!" riep hij, »daar komen de eerste Zulu's!"

Met drift klom de jonge man langs het voorwiel van de wagen op. Maar pas

had hij het oog geworpen op de naderende ruiters of hij zag, dat dezen

de hoeden afnamen en daarmede begonnen te wuiven, en riep uit: »Vreugde!

Vreugde! Het zijn geen Zulu's die naderen, maar Piet Uijs met zijn

kommando die ons te hulp snelt."

»Neef Karel," zei van Staden, »daar is mijn hoed. Ik behoef die volgens

belofte niet meer te eten, en zal jou dus in de gelegenheid stellen dit

wonderwerk te doen. Of dit je maag goed zal doen, weet ik niet, maar je

hoofd zal daar voordeel uit trekken, want ik draag die hoed al lang, en

langs de rand vooral moet reeds veel verstand zitten."

Ja! Het was Uijs, die met zijn kommando het voorlopig doel van zijn

tocht, het lager zijner landgenoten, bereikt had. Geen biezonder voorval

had die tocht gekenmerkt. Schoon man en paard vermoeid en afgemat

waren, bereikten allen die wij laatst het bergpad zagen bestijgen, in

veiligheid het lager. Van de vijand was geen spoor gezien--trouwens, men

verwachtte hem uit andere richting.

De onrust, die nog daar straks de gemoederen had beheerst, was door het

heugelik bericht verdreven, en had voor de levendigste blijdschap plaats

gemaakt; en toen Uijs weldra met zijn kommando voor de lagerpoort halt

maakte en afsteeg, werd hij met een luid gejuich begroet door de

lagerbewoners, die zich bij de poort hadden verzameld.

»Ik dank God, dat ge gekomen zijt, Pieter! Ik wist dat we op je rekenen

konden," was de warme begroeting, die Uijs van Maritz ontvangen had; en

waarop hij had geantwoord: »Ook ik dank de Heer, dat ik niet te laat ben

gekomen, en zovelen uwer nog in het land der levenden aantref."

Thans richtte hij zich tot Maritz met de woorden: »Laat ons de nodige

schikkingen voor mijn kommando maken. Wij hebben onszelf, noch onze

dieren gespaard, en hebben grote behoefte aan rust."

Gert Maritz riep de verzamelde menigte toe, hun vrienden goed te

onthalen; en weldra waren de manschappen gehuisvest in de gastvrije

tenten en wagens van verwanten en vrienden, en waren achterruiters en

paarden behoorlik verzorgd.

Frans van Staden had zijn vriend Karel, door zijn laatste aanmerking

ietwat gebelgd, zien vertrekken, en was rustig blijven doorroken, totdat

het gedrang bij de lagerpoort begon te verminderen. »Zie zo," zei hij

toen tot zichzelf: »nu zal ik Stoffel en Piet ook eventjes gaan groeten.

Doch ik zal eerst maar mijn ou Sanna en bandelier op hun hangplek

brengen." En de daad bij het woord voegende, steeg hij van zijn wagen

af, nam zijn wapenrusting, en ging in zijn tent.

Weer naar buiten getreden zijnde, richtte hij zijn schreden naar de

lagerpoort, waar hij onder de groep mannen die er gebleven waren, zijn

broeder en Piet Uijs bemerkte. De gulle lach van inwendige blijdschap

blonk op zijn gelaat, toen hij op Stoffel van Staden toetrad, en hem de

hand schudde, alsof hij bezig was, de blaasbalg van een smid te trekken.

»Ou boet!" riep hij uit, »jij hebt je knap gedragen; ik ben zo blij je

weer terug te zien. Ik was bang, dat die oude beenderen van jou, door

dat langdurig paardrijden, losgeschud en uit mekaar gevallen zouden

zijn."

Ook Stoffel was het aan te zien dat hij met vreugde zijn broeder

terugzag. »Maar Frans," zei hij, »als je zo voortgaat, zal ik eer door

jou dan door paardrijden uit elkaar geschud worden. Ik ben blij je nog

zo opgeruimd te zien."

Frans liet de hand van zijn broeder los, om die van Uijs te grijpen,

uitroepende: »Welkom, neef Pieter! Ik wist, Piet Uijs zou niet

achterblijven als de spaanders moesten vliegen. De oude vrouw en ik

hebben alles voor je behoorlike ontvangst gereed gemaakt. Jij komt bij

mij vertoeven, totdat je eigen wagen komt, niet waar?"

»Voorzeker, oude vriend," antwoordde Uijs, »niets zal me meer genoegen

doen. Wijs me maar dadelik de weg naar je tent."

De tent was spoedig bereikt, en Uijs werd met de grootste gulhartigheid

door de vrouw en kinderen van zijn gastheer ontvangen. Nauweliks had hij

zich neergezet, of van Staden zei: »Neef Pieter, was het stof eerst af

en maak je koel, dan zal de vrouw je koffie en beschuit voorzetten, en

dan zit je hier uit te rusten. Ik ga buitenkant niet op schildwacht

staan, maar zitten, en ga zorgen dat niemand je komt storen. Er is een

belangrijk punt, waarover ik van avond nog met je moet spreken; en

daarom, rust uit." Hij nam zijn veldstoeltje, plaatste zich buiten voor

de ingang van de tent, en zat weldra weer dapper uit zijn

onafscheidelike pijp te dampen.

De avond was reeds gevallen. Verscheiden oude vrienden van Uijs,

vernomen hebbende dat hij bij oom Frans zijn intrek had genomen, kwamen

om hem te verwelkomen, maar werden door van Staden allen afgewezen. Zijn

gast had rust nodig, zei hij. Later kon men hem zien, zoveel men wilde.

Indien hij nu gestoord werd, zou hij, indien de Zulu's in de nacht het

lager aanvielen, misschien niet wakker te maken zijn. Dat wilde hij niet

op zijn geweten hebben. Zo bleef hij zijn wacht betrekken, totdat men

hem voor het avondeten roepen kwam.

Toen het avondmaal genoten en de avondgodsdienst afgelopen was, begaven

de huismoeder en de kinderen zich ter ruste, en bleven Uijs en zijn

gastheer in het voorvertrek van de tent alleen. De laatste had de ingang

van de tent zorgvuldig dichtgemaakt, en daarna plaats nemende, zei hij

tot Uijs: »Neef Pieter, hier geldt het spreekwoord niet, dat zelfs de

muren oren hebben, want de stem kan gehoord worden door de wanden van de

tent. Van kindsbeen af zijn wij vrienden, en menig stelletje hebben we

samen afgetrapt. In het belang van de gehele trek wil ik in vertrouwen

met je spreken, maar laten wij ons gesprek zo zacht mogelik voortzetten.

Zeg me: Is Hendrik Potgieter je bij de lagerpoort goede dag komen

zeggen? Zolang ik buiten gezeten heb, heeft hij zich niet aangemeld."

»Nee Frans, maar dat verwondert me niet. Potgieter weet dat ik vermoeid

ben, en gekomen om in ieder geval geruime tijd hier te blijven. Hij zal

me zeker morgen komen zien."

»Mij verwondert het evenmin, dat hij je heden niet is komen groeten.

Meer zal het me verwonderen als hij dat morgen doet. Hij zal wachten

totdat hij je toevallig ontmoet, of je niet kan ontwijken."

»Wat! Hendrik Potgieter zou me willen vermijden? En waarom? Wij zijn

steeds bevriend geweest, hebben naast elkander tegen Moselikatse

gestreden, en ofschoon niet in alle opzichten geestverwanten, is er

nooit iets tot oorzaak van vijandschap tussen ons gebeurd."

»Dat laatste kan ik bevestigen, maar luister. Potgieter staat door

verwantschap aan het hoofd van een sterke partij. Hij is eer- en

zelfzuchtig, en niemand zal hem beschuldigen dat het hem aan moed

ontbreekt. Met lede ogen heeft hij het aangezien, dat wijle Retief aan

het hoofd van onze trek geplaatst werd, en sedert arme Retief gevallen

is, staat het bij Potgieter en zijn partij vast, dat hij zijn opvolger

moet zijn. Potgieter was niet in ons lager toen wij besloten je een

rapport over het gebeurde te zenden, en je te vragen ons te hulp te

komen. Hij was verbitterd toen hij dit hoorde, en liet zich ontvallen:

»Waarom Uijs niet achter de bergen gelaten, waar hij verkozen heeft te

blijven? Nu wij eenmaal de spits hebben afgebeten, behoren wij zonder

hem klaar te kunnen komen." Vraag mij de reden waarom Kasper Strijdom en

verscheiden anderen ons hebben verlaten. Hij zal het je niet duidelik

hebben gezegd. Ik ken hem. Daartoe is hij te vreedzaam en voorzichtig.

Zij hebben ons verlaten, niet omdat zij de vijand van buiten, maar wel

de tweedracht en de verdeeldheid van binnen vrezen. Welnu, ik maak me

sterk te zeggen, dat de overgrote meerderheid der onzen verlangend is,

jou aan het hoofd te plaatsen. Toch moeten scheuring en tweedracht

worden vermeden. Er zal manmoedig tegen de Zulu moeten worden gestreden,

zo wij het land wensen te behouden, waarvoor en waarop reeds zoveel

bloed der onzen is vergoten, en zelf verdeeld, zal de vijand ons te

machtig zijn. Nu ken je de staat der zaken. Nu ben je gewaarschuwd.

Wees voorzichtig als je Potgieter ontmoet."

Uijs had naar zijn vriend met diepe aandacht geluisterd. Geen enkel

woord was onopgemerkt gebleven. »Frans," zei hij, »je verrast me

onaangenaam. Je doet me innerlik ontroeren. Nimmer heb ik er naar

gestreefd of gehunkerd, om aan het hoofd van de trek te staan. Dat

ik leider ben van een gedeelte der Emigranten Boeren, en door hen

Kommandant word genoemd, is teweeggebracht door een samenloop van

omstandigheden waarover ik geen beheer had. De Here weet, dat ik nimmer

heb getracht mij op de voorgrond te dringen, maar altijd in eenvoud des

harten heb gestreefd mijn plicht te doen. Toen ik de tijding ontving

van de noodlottige slag, die op de trek in Natal was gevallen, heb ik

geen ogenblik geaarzeld je te hulp te snellen, zoals me door je boden

werd verzocht. Dezelfde dag, die me de droevige tijding zag ontvangen,

zag mij en mijn mannen vertrekken. Ik heb bijkans meer van mij en

mijn mannen gevergd dan vlees en bloed verduren kunnen, maar enige

zelfzuchtige gedachte was verre van mij. Ik ben gekomen met het doel je

ter zijde te staan, en mijn eigen mannen, maar niet jou te leiden. Wat

mij betreft, laat Potgieter je hoofd zijn. Eén recht behoud ik me echter

voor: Als wij ten strijde trekken, zal ik zelf mijn mannen aanvoeren.

Vrijwillig zijn ze hier gekomen, en niemand, ook niet het hoofd door je

gekozen, zal ons tegen mijn wil gebieden of beletten vrij te handelen.

Te heersen in dit land verlang ik niet, maar evenmin zal ik iemand over

hen doen heersen, die mij uit vrije wil en volheid des harten hierheen

zijn gevolgd."

»Neef Pieter, je hebt niets gezegd dat ik niet vooruit verwacht had van

je lippen te horen komen. Juist omdat je jezelf nooit op de voorgrond

hebt geplaatst, maar waar je, door omstandigheden gedrongen om de

leiding van zaken te aanvaarden, je steeds betoond hebt daartoe bekwaam

te zijn, daarom hebben we vertrouwen in je. Ik ben overtuigd dat velen,

die Potgieter ondersteunen, dit doen, omdat zij aan hem verwant of van

hem enigermate afhankelik zijn, doch in hun hart wensen jou aan het

hoofd te zien."

»Er zijn vele achtenswaardige en kloeke mannen onder ons, die met

evenveel en meer recht misschien dan ik, verwachten kunnen het

opperbevel te worden aangeboden. Om slechts één te noemen, daar is

Gert Maritz, een man, moedig en beleidvol in de krijg, bezadigd en

voorzichtig in de tijd van vrede. Had Retief naar zijn wijze raad

geluisterd, dan hadden wij waarschijnlik de nijd en de vijandschap

van Dingaan niet opgewekt, en was hij niet vermoord. Heeft zijn

onverschrokkenheid er niet veel toe bijgedragen om het leven van velen

onzer te redden en te bewaren, bij de overval der Zulu's? Hoe komt het,

dat je zijn naam zelfs niet hebt genoemd?"

»Ik stem volkomen met je in, dat Maritz in vele opzichten de beste man

is om aan ons hoofd te staan. Ik wil ook zover gaan, te zeggen, dat ik

weet, dat hij verwacht de plaats van Retief te zullen innemen. En toch

heeft hij de minste kans. Bij al zijn goede hoedanigheden is hij in

uiterlik en houding stug en streng, en heeft zich daardoor weinig

vrienden gemaakt. Indien allen hem zo goed kenden als jij en ik, dan zou

er van niemand anders dan van hem sprake zijn. Ik heb zoveel vertrouwen

in zijn edel gemoed, dat ik verwacht dat hij, alvorens er scheuring

onder ons ontstaat, zich zal terugtrekken. Ik twijfel echter sterk of

Potgieter dit doen zal, en toch is het voor ons een levenskwestie

splitsing onzer krachten te voorkomen."

»Ik blijf je dankbaar, Frans, voor je volledige inlichtingen en

vriendschappelike wenken. Ons gesprek heeft me ruime stof tot ernstig

nadenken en overweging gegeven. Ik zal me voor de troon der Genade

verootmoedigen, en bidden om voorlichting en verstand. Mijn innige

begeerte is, dat ter wille van mijn persoon, de eenheid onder ons niet

zal worden verstoord."

»Kom Pieter, ons gesprek heeft lang genoeg geduurd. Laten we ons ook ter

ruste begeven. Je zal je slaapstede in mijn wagen gereed vinden."

Met een hartelike handdruk scheidden de twee vrienden voor de nacht.

V.

Vergadering van de Krijgsraad om een Kommandant-Generaal te kiezen.

De volgende morgen zag Uijs reeds vroeg ter been. Ofschoon zijn

onderhoud met van Staden een reeks van gedachten, niet alle van

aangename aard, in zijn brein had doen ontstaan, had de afgematheid

van zijn lichaam spoedig over de altijd werkzame geest gezegevierd, en

was Uijs de vorige avond binnen weinige minuten nadat zijn hoofd het

kussen raakte, in een diepe, geruste slaap gevallen. Tans verkwikt

en uitgerust, wenste hij in het vrije veld de frisse morgenlucht te

genieten, en te overwegen wat hem, naar aanleiding der mededelingen van

zijn gastheer te doen stond.

Hij begaf zich naar de lagerpoort, vernam van de poortwacht de richting

van de naaste voorpost, en had weldra, in mijmering verzonken, het

smalle voetpad ingeslagen, dat uitliep op de voorpost. Niet omdat zijn

doel was de op wacht zijnde mannen te bezoeken, had hij omtrent hun

stelling bij de poortwacht bericht ingewonnen, maar slechts om binnen

de linie der buitenposten, en dus voor plotselinge vijandelike overval

beveiligd te blijven, had hij die inlichting verlangd. Na enige tijd

te zijn voortgewandeld, bereikte hij een groepje bomen, en zich op een

omgevallen boomstam neerzettende, gaf hij aan zijn gedachten de vrije

loop.

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 4 / 13 段