en voor de gevaarvolle tocht geheel uitgerust. Proviand, ambulance
en ammuntiewagens voerden zij niet met zich. Iedereen had in zijn
zadelzakken mondkost voor enige dagen, bestaande uit beschuit en
biltong; ook een ekstra hoeveelheid ammunitie en enige kleinigheden,
die op de tocht nodig en nuttig konden zijn. Verder geleidden de
achterruiters onderscheiden pakpaarden, beladen met levens- en
krijgsbehoeften en een en ander dat voor de tocht nodig werd geacht.
Reeds naderde de zon de gezichteinder, toen het kommando de hoogte
besteeg, vanwaar men in de morgen de verschijning van de brandwacht met
zoveel angst had verbeid. Met betraande ogen zien moeders, vrouwen,
zusters en kinderen de kloeke ruiters achter de rand van het hoge veld
verdwijnen. Menig stil gebed voor het behoud dier dierbare dapperen
rijst tot de troon van de Hemelse Vader op. En zij, die mannen, die
een onzekere toekomst, misschien de geopende kaken des doods te gemoet
rijden? Zij duchten geen gevaar. Maar de meesten hunner, alvorens het
lager achter de kam van de hoogte uit het gezicht verdwijnt, wenden
zich om in de zadel, en werpen een lange, laatste blik op de plaats,
waar zij de dierbaren, uit wier armen zij zich bij het afscheid zoëven
hebben losgemaakt, hebben achtergelaten.
»Voorwaarts mannen! De zon zakt. Wij moeten ons spoeden de Elandsrivier
te bereiken," klinkt de stem van de Kommandant. De paarden worden in
galop gezet, het zware roer wordt vaster omklemd, en voorwaarts gaat
het, over de met golvend gras overdekte vlakten, aan de Amerikaanse
prairieën gelijk.
Daags daarna, tegen het vallen van de avond, naderde het kommando de
verzamelplaats aan de voet van het gebergte, en merkte met verbazing op,
dat een lager, uit een aanzienlik getal wagens samengesteld, de ruimte
besloeg, waar men van plan was te kamperen. Wat kon dit betekenen?
De andere afdelingen van hun trek konden dit niet zijn: deze werden
eerst gedurende de nacht of tegen de volgende morgen, en dan nog
zonder wagens, hier verwacht. In ieder geval ook konden zij met wagens
onmogelik reeds hier zijn aangekomen. De Kommandant gaf enige mannen
bevel hem te volgen, en reed ter verkenning vooruit, recht op het lager
af, dat ongetwijfeld aan blanken, dus aan vrienden behoorde, en waar men
reeds een groep mannen bij de lagerpoort onderscheiden kon. Naderbij
gekomen, herkenden Uijs en zijn metgezellen in onderscheidenen der hen
afwachtenden, mannen, die zij waanden in Natal te zijn. Welk nieuw
onheil was er gebeurd? Waren de blanken andermaal door de Zulu's
aangevallen en uit Natal en over het gebergte gedreven, en bevatte het
lagertje dat zij zagen, alles wat overgebleven was van de grote trek,
die meer dan duizend wagens sterk was? Men had het lager bereikt. Met
drift sprong Uijs van zijn paard, en met een algemeen: »Goede avond,
vrienden!" de groep groetende, gaf hij de hand aan een reeds vrij
bejaard man, die met merkbare vreugde vooruit was getreden, en zei:
»Goede avond, oom Kasper; hoe zie ik u hier terug, in plaats van in
Natal, zoals ik verwacht had?" De oude man, die Kasper Strijdom heette,
en in sommige opzichten een invloedrijk lid van de grote trek was,
antwoordde: »Ik ben blijde, neef Pieter, dat ik je nog de hand drukken
kan. Je weet het reeds, van velen die met ons saamgetrokken zijn,
is in de laatste tijd de hand voor eeuwig verstijfd. Je vraagt met
verwondering, hoe je mij hier ziet; sedert de boden naar je werden
afgezonden, en tot vijf dagen geleden, toen wij het lager der onzen in
Natal verlieten, is er niets verder voorgevallen, en hebben de Zulu's
ons met rust gelaten. Wij hebben echter besloten dat gevaarlike land te
verlaten en naar vreedzamer streken terug te trekken. Daarom vindt ge
ons hier."
Een minachtende lach plooide voor een ogenblik de lippen van Uijs. Zijn
vriendelike trekken werden strak en streng, terwijl hij een fonkelende
blik wierp op de forse mannen, die met Strijdom nader getreden waren.
Toen viel hij uit: »Mijn God! Ik, die met mijn mannen aan deze zijde van
de bergen, uit het gevaar en buiten de vonken ben, ik trek naar Natal
om mijn broeders, waaronder ik u telde, te helpen in het beschermen van
lijf en leven, in het tuchtigen van een verraderlike zwarte vijand, en
hier vind ik u, voor die vijand gevlucht! Hier moet ik vernemen, dat ge
uw lotgenoten in het gevaar alleen hebt gelaten. Heeft ouderdom u de
moed ontnomen, oom Kasper? Voorwaar, u bent na genoeg bij het graf, om
de dood niet meer te vrezen. En uw metgezellen? Krachtige mannen. Moet
ik het beleven, dat Afrikaanders de vijand vrij laten moorden en hem
de rug toekeren? Oom Kasper, daar nadert mijn Kommando. Ik ga mijn
kamp voor de nacht in orde brengen, en keer dan tot u terug om verder
hierover te spreken. Tot weerziens!" En gloeiende van verontwaardiging
sprong hij te paard en wendde de teugel.
Schaamte had Strijdom en de hem omringende mannen bevangen, en belet aan
Uijs enig antwoord te geven. Toen hij echter vertrokken was, liet een
stem zich horen. Het was Andries Viljoen, die zei: »Uijs heeft recht; ik
heb me laten overhalen om te vluchten, maar nu ga ik met hem terug." »En
ik! En ik!" klonk het van verschillende zijden.
Voor het geheel donker was geworden voegde zich een ruiterbende van
dertig mannen, onder leiding van Philip Liebenberg, bij het Kommando,
en bracht het bericht dat de andere afdeling, met Daniël van Vuren als
gids, vroeg in de morgen verwacht kon worden.
Spoedig waren de eenvoudige toebereidselen voor de nacht gemaakt. De
paarden werden gekniehalterd, of zoals men het ook wel noemt, gespannen,
en onder toezicht van een twaalftal achterruiters, toegelaten rondom het
kamp te grazen. De brandwachten en schildwachten werden uitgezet, de
kampvuren ontstoken, de waterketels bij de vuren geplaatst, en nauweliks
was de koffie gezet, of de vermoeide mannen begonnen met smaak het
eenvoudige maal te nuttigen.
Het was een schilderachtig toneel. Op de voorgrond deze gebaarde mannen,
in allerlei houding, zittende, staande, neergehurkt of op het gras
uitgestrekt; nu eens hel verlicht door de opflikkerende vlammen der
wachtvuren, dan weer in een twijfelachtige schaduw teruggeworpen, als de
vlammen daalden. En op de achtergrond het eveneens verlichte lagertje,
met zijn witte wagenkappen, waarop door het afwisselend licht en donker
de grilligste figuren en schaduwbeelden werden getekend. Het geheel
genesteld aan de voet van het zich groots en somber, de sluier van de
nacht als doorborend, naar de Hemel verheffend gebergte. Voorwaar, een
tafereel, het penseel van een schilder als de Italiaan Salvator Rosa
waardig.
Het avondmaal geëindigd, schaarden de manschappen zich staande, met
ontblote hoofden, om de Kommandant, die een kort maar vurig gebed van
dank voor de genoten zegeningen, van kinderlik vertrouwen voor de
toekomst uitsprak, en daarna, door allen gevolgd, de schone avondzang,
Gezang 180 aanhief:
'k Wil U, o God! mijn dank betalen,
U prijzen in mijn avondlied;
Het zonlicht moge nederdalen,
Maar Gij, mijn Licht! begeeft mij niet.
Gij woudt mij met Uw gunst omringen,
Meer dan een Vader zorgde Gij.
Gij, milde bron van zegeningen!
Zulk een Ontfermer waart Gij mij!
Statig ruisten de tonen van het lied, door de krachtige mannestemmen
uit volle borst gestoten, door de lucht. Door gebergte en dal herhaald,
steeg dat gebed, op de vleugelen des gezangs gedragen, als avondoffer
opwaarts naar de troon van Jehovah, der vaderen God.
Toen de laatste klanken van het lied in de verte weggestorven waren,
wendde Uijs zich tot zijn manschappen met de woorden: »Mannen, ik zal
vooreerst niet gaan rusten. Ik wil verder nieuws van oom Kasper opdoen,
en ook met hem de gevolgen van zijn vlucht, want anders kan ik het niet
noemen, bespreken. Het staat je vrij, met mij naar het lager te gaan."
Door de meesten der zijnen vergezeld, vinden wij Uijs enige minuten
later terug, op een veldstoel bij het wachtvuur van Kasper Strijdom,
naast deze gezeten. De oude man had hem bij zijn komst toegevoegd:
»Neef Piet, je hebt me van avond slecht gezegd. Ik kan je woorden niet
vergeten, en meen nog dat ik gegronde reden had om Natal te verlaten."
Het had de teerhartige, edelmoedige Uijs reeds half berouwd, dat hij in
enigszins harde bewoordingen uitdrukking aan zijn verontwaardiging had
gegeven; tans kreeg een gevoel van eerbied voor de grijze haren van de
oude man, van medelijden met zijn zwakheid bij hem geheel de overhand,
en hij zei op vriendelike toon: »Oom Kasper, ik was van avond bitter
teleurgesteld, toen ik u en uw mannen hier aantrof, en gaf aan die
teleurstelling in haastige woorden lucht. Tans spijt het me echter u
gegriefd te hebben. Vergeet mijn woorden, en verhaal me liever omtrent
de toestand der broeders, die ge hebt achtergelaten, en omtrent uw eigen
plannen."
»Neef Pieter, ik ben over de bergen teruggetrokken, omdat ik mijn
laatste dagen in vrede, door de mijnen omringd, wens door te brengen;
omdat het mijn begeerte is, dat mijn kinderen, als mijn uur komt, mij in
een vreedzaam graf kunnen leggen. Dat zou in Natal niet kunnen gebeuren.
De gruwelen door de Zulu's daar gepleegd, zijn je reeds bekend, en
hoewel zij zich in de laatste weken stil gehouden hebben, vrees ik, dat
dit slechts een kalmte is, die een zwaardere storm voorafgaat. Ik had
liever gezien, dat allen met mij Natal hadden verlaten, doch zoals je
ziet, hebben slechts weinigen zich bij mijn terugtrek aangesloten. Wij
zijn nu voornemens eerst naar Moroka terug te gaan, en zullen ons dan
in het land van Adam Kok neerzetten. Het land is zo ruim, er is volop
gelegenheid om in veiligheid en rust te leven, en ik vrees, dat wij,
door het gevaar te zoeken, in plaats van dat te vermijden, zelf de
Voorzienigheid uittarten."
»Wel, oom Kasper," antwoordde Uijs, »twintig jaren geleden hebt ge
anders gedacht, want anders waart ge u toen niet gaan vestigen bij de
Gaika's in Brits Kafferland. Maar voor het ogenblik genoeg hiervan. Is
er iets met zekerheid gehoord omtrent Piet Retief en zijn patroelje?"
»Ik zal je zeggen wat mij daaromtrent bekend is. Bij de kraal van
Dingaan had een Engelse Zendeling, Eerwaarde Owen, zijn statie
gevestigd, en in die omtrek waren ook nog enige Amerikaanse Zendelingen.
Deze heer Owen was ooggetuige van de slachting van Retief en zijn
mannen; van uit zijn woning heeft hij de moord aanschouwd. Dingaan had
hem doen weten, dat hij zich niet ongerust behoefde te maken: de Zulu's
rekenden slechts af met de Boeren, en zouden de andere Blanken geen leed
doen. De heer Owen stelde echter geen vertrouwen in het woord van het
verraderlike opperhoofd. Enige dagen na de moord ontvluchtte hij met de
heer Wood, zijn tolk, en de Amerikaanse Zendelingen, en begaf zich op
weg naar de nederzetting der Engelsen bij de Baai van Natal.--Onderweg
zond hij een vertrouwbare bode naar ons af, om ons van het gebeurde te
verwittigen, en ons te waarschuwen op onze hoede te zijn voor een aanval
der Zulu's. Deze bode bereikte ons lager, twee dagen nadat de Zulu's ons
overvallen hadden. Zijn verhaal komt hierop neer:
»Op de 3de Februarie was Retief met zijn patroelje te Umkungunhlovo
aangekomen. Dingaan ontving hem met de grootste hartelikheid, en zei,
dat nu de Boeren hem het vee, dat Sikonyella hem ontstolen had,
teruggebracht hadden, hij volkomen overtuigd was van hun vriendschap.
Dat hij een eeuwig verbond met hen zou sluiten, en zoals door hem
beloofd, hun het land van Port Natal formeel in vrije eigendom zou
afstaan. Men moest enige dagen als zijn gasten vertoeven, en die met
feestelikheden en krijgsspelen doorbrengen; intussen zou een behoorlike
akte van afstand van Natal aan de Boeren worden opgesteld. Een menigte
Zulu's, bestaande uit de beste regimenten die Dingaan in het veld kon
brengen, waren bij zijn kraal gelegerd, en hun getal groeide steeds
door nieuwe aankomelingen aan. De feesten duurden twee dagen. De
Zulu-regimenten voerden spiegelgevechten en krijgsdansen uit, en werden
door de Boeren vermaakt met een wapenschouwing. De grootste vreugde
en eensgezindheid schenen te heersen, en de Boeren dachten nimmer
aan het verraad, dat als een slang in het gras, het beste tijdstip
afwachtte om hen te bespringen. Eindelik was de akte van afstand door de
Eerwaarde Owen opgetrokken, en in plechtig indaba door Dingaan en zijn
Hoofdinduna's getekend, aan Retief overhandigd. Dingaan stond aan ons
af de plaats Port Natal, met al het land daaraan gelegen, van de Tugela
tot aan de Umzimvubu-rivier ten Westen, en van de zee naar het Noorden,
zover het land bruikbaar was en Dingaan toebehoorde. Retief stak met
blijdschap de belangrijke akte in de tas, die hem om de schouder hing,
en wilde dadelik afscheid nemen. Ook de Zulu-Koning had reeds gezegd:
»Vertrek in vrede," toen hij plotseling volgen liet: »Maar nee, we
zullen elkander zo zelden zien. Blijf nog een dag. We zullen te uwer eer
nog een grote krijgsdans uitvoeren, dan drinken wij de afscheidsbeker,
en ge vertrekt in vrede."
Retief kon niet anders dan toestemmen, en verliet de kraal om zijn
metgezellen de heugelike tijding van de afstand van Natal te brengen,
Dingaan door zijn induna's omringd achterlatende. Een hunner, Manondo,
vertelde daags na de moord van Retief aan de Zendelingen, wat
onmiddellik op zijn vertrek gevolgd was.
Nauweliks hadden Retief en de paar Boeren die bij hem waren, hun de rug
toegekeerd, of een helse grijns verving de vriendelike glimlach op het
zwarte gelaat van Dingaan. »Blanke honden!" zei hij met hese stem. »Ge
hebt vuurroeren, maar minder verstand dan de jakhals en ratel. Denkt ge,
dat ik je zal laten vertrekken, om binnen kort terug te keren en mij te
verstrikken, zoals ge het Sikonyella hebt gedaan. Nee, morgen zullen de
aasvogels feestvieren, de klauwen slaan in uw blank vel, zich aan een
nieuw soort vlees dik vreten. Morgen zult ge voor eeuwig in vrede gaan,
want mij zult ge dan nimmer weer lastig vallen." Zich tot de induna's
kerende, vervolgde hij: »We zullen hen nog deze nacht gerust laten
slapen. Morgen komen ze allen in de kraal, om de afscheidsbeker te
ledigen. Maar volgens ons gebruik moeten zij eerst de wapens afleggen,
en ongewapend voor me verschijnen. Ik zal hen vriendelik ontvangen; de
krijgsdans zal beginnen, uitgevoerd door de dapperste regimenten.
Ik zal een teken geven, en dat zal hun einde zijn. Wat dunkt u, mijn
raadslieden?" Een goedkeurend gemompel, waarvan vrees om de koning tegen
te spreken bij de meesten de oorzaak was, steeg van alle zijden op. Daar
verhief zich Manondo. Zijn grijze haren, gerimpeld gelaat, gebogen
gestalte gaven blijk dat hij een der oudste induna's was.""
»Ik ken hem goed," viel Uijs de spreker in de rede. »Toen ik in 1834
deelnam aan de verkenningstocht naar Natal, en de Zulu's bezocht, maakte
Manondo op mij een diepe indruk, door zijn waardige, mannelike houding
en door zijn blijkbaar eerlik gemoed. Doch vergeef mij deze uitval."
Strijdom hernam: »Hij stond met gebogen hoofd voor de koning, en
sprak:[4] »O, Grote Olifant, Eter der mensen! Geest van de Bergen!
O, groot, zwart kalf! Laat mij toe te spreken, en te leven voor uw
aangezicht. Luister naar de woorden van een oude, getrouwde dienaar,
wiens hoofd reeds naar de aarde neigt, alsof de Grote Geest hem reeds
dwong, zijn laatste rustplaats uit te zoeken. Handel niet alzo met de
blanke mannen, die op uw koninklik woord vertrouwende, zich binnen het
bereik van uw strijdbijl hebben geplaatst. Hun moord is werk voor een
jakhals als Sikonyella, maar vernederend voor de Leeuw van Zululand.
En o, Grote Olifant, wil met vrede luisteren naar de stem van een
oude raadgever; met hun dood delgt ge het geslacht der blanken niet
uit, maar zult hen die overblijven, aansporen wraak, en ik zeg het,
gerechtvaardigde wraak te nemen. Denk aan de profetie van Tshaka, toen
hij onder uw assagaai bezweek, aan zijn woorden: Mij vermoordt ge,
denkende het land te zullen regeren, maar ik zie blanke mannen komen,
en die zullen het regeren."
Dingaan was in grote woede ontstoken; zijn gelaat was verwrongen, zijn
ogen puilden uit zijn hoofd. »Hond van een induna!" schreeuwde hij,
»durft ge mij aan die woorden van Tshaka herinneren? Juist om het
leugenachtige van die voorspelling aan het Zuluvolk kenbaar te maken,
zullen de blanken die hier zijn, sterven." Hij had een assagaai uit de
hand van zijn wapendrager genomen en scheen die op de vingers te wegen.
Manondo stond steeds in gebogen houding voor hem. Ieder ogenblik kon
zijn laatste zijn. Eindelik sprak Dingaan: »Manondo, Zuluhond! Ga van
hier. Ter wille van je grijze haren zij heden je leven gespaard, maar
pas op. Morgen zal het vlees der blanke honden de aasvogel en hyëna ten
feest strekken." Diep aangedaan verliet Manondo de intunkulu, of het
koninklik verblijf, zich voornemende bij de moord niet tegenwoordig te
zijn.
In de vroege morgen van de volgende dag, de 6de Februarie, waren Retief
en zijn metgezellen voor de terugreis gereed, en begaven zich allen naar
de koninklike kraal, om van Dingaan afscheid te nemen. Bij de ingang
lieten zij hun paarden en geweren onder de zorg der achterruiters, en
begaven zich te zamen, volgens kaffergebruik ongewapend, naar binnen.
Zij vonden de Zulu-Koning omringd door zijn voornaamste induna's
en enige gewapende mannen als lijfwacht, hen voor zijn grote hut
afwachtende. Zijn gelaat blonk van vriendelikheid. Hartelik groette hij
de blanken en begon door tussenkomst van zijn tolk een gesprek met de
niets kwaads vermoedende Retief.
Tans kwam een regiment jeugdige krijgers het omsloten plein voor de
hut binnen, en voerde een oorlogsdans uit. Zij plaatsen zich daarna in
gelid, langs de zijden van het plein, om te worden opgevolgd door een
der oudste regimenten, enige duizenden sterk, de veteranen van het
Zululeger. Terwijl dezen de krijgsdans uitvoerden, en steeds al dansende
en springende, eentonig zingende, met strijdbijlen en knopkieries
zwaaiende, en de assagaaien in de hand doende trillen, de Koning en zijn
gasten tot op weinige schreden naderden, om altijd weer achterwaarts te
wijken, was het open plein langzamerhand bijna geheel met gewapende
Zulu's bedekt. De afscheidsdronk, uit tywala, kafferbier bestaande,
was door de Boeren gedronken, hun afscheidsgroet was aan Dingaan
overgebracht; men wachtte op zijn laatste woord om zich te verwijderen,
op te stijgen, en met vreugde in het hart over de gelukkige afloop van
de zending, naar vrouw en kroost, naar vrienden en verwanten terug te
snellen.
Daar stond de Zulu-Koning op; nog altoos vriendelik glimlachende zou
hij de afscheidsgroet uitspreken. Ongelukkige Boeren! Hij ging hun
doemvonnis vellen; en met de lach op de lippen, maar met verraad en
bloeddorst in het hart, riep hij uit: »Bulala amatagati!"--slaat de
tovenaars dood! Dat was het afgesproken teken; en de opeengehoopte
krijgslieden wierpen zich als hongerige wolven op hun prooi.
Verrast door de aanval, begrepen de Boeren echter dadelik dat hun einde
was gekomen, en riepen elkander toe, dicht aaneengesloten te blijven en
hun leven zo duur mogelik te verkopen. Als een briesende leeuw wilde
Retief zich op de verraderlike Dingaan werpen, maar deze week achteruit,
terug achter zijn krijgslieden, hun toeroepende Retief levend te vangen,
en tot het laatst te bewaren. De aan alle zijden ingesloten, van wapens
ontblote Boeren, streden toch met de moed, aan de wanhoop ontleend.
Zover hun oog reikte, zagen zij zich omgeven door de springende,
dansende en schreeuwende massa van zwarte Zulu's, een uitbraaksel van de
hel gelijk. En toch van uit Zijn hoge Hemel blikte God op dit schouwspel
neer, en leende het oor aan de smeekgebeden om eeuwige genade, die uit
de worstelende bende tot Hem werden opgezonden. Duizenden assagaaien,
strijdbijlen en knodsen waren tegen de Boeren opgeheven. En zij? Een
enkele hunner had een pistool, de anderen slechts hun zak- en Hernhutter
messen. Toch stortte menige Zulu dodelik getroffen neder. Meer dan één,
aan de strot gegrepen door de Boer die hij had doorstoken, werd met zijn
stervende vijand ter aarde gesleurd, de gorgel dichtgenepen, om te zamen
met zijn slachtoffer de laatste snik te geven. Velen der Zulu's vielen,
getroffen door hun eigen wapens, hun door de Boeren ontrukt.
Bijna een half uur duurde deze verschrikkelike worsteling voort. Retief,
die levend was gegrepen, zoals het Zulu-monster bevolen had, moest deze
slachting, deze bloedige kamp der zijnen aanschouwen. Wat er in de ziel
van die dappere man gedurende deze marteling is omgegaan, weet God
alleen. Eindelik is ook zijn ogenblik gekomen. De laatste zijner
metgezellen is afgemaakt. Een induna, met een zware knopkierie gewapend,
nadert hem van achteren, en doet de kierie met volle kracht op zijn
onbeschermd hoofd neerdalen. Een doffe slag, een benauwde kreun, en
Retief is op de knieën gevallen. Het bloed stroomt hem langs het gelaat.
Als in een woordeloos gebed heft hij de gevouwen handen ten Hemel. Met
opgeheven assagaaien storten de zwarte duivels zich op hem. Slechts
weinige ogenblikken en het lichaam van de heldhaftige leidsman der
Boeren ligt roerloos op de met bloed bevlekte aarde, en zijn geest is
teruggekeerd tot God, die hem de adem des levens had gegeven.
Zijn lichaam werd opengesneden. Het hart, dat zo moedig en trouw
geklopt had voor de zijnen en het land van zijn geboorte, werd uit zijn
binnenste gescheurd, en te zamen met zijn lever, als schoonste trofee
van de overwinning, aan de Zulu-Koning gebracht, die deze liet begraven,
in de weg die van zijn stad naar Natal leidde, als tovermiddel tegen de
Boeren.
Ook van de achterruiters was niemand ontkomen. Toen hun meesters in de
kraal werden aangevallen, waren zij ook reeds aan alle kanten omsingeld,
en zij werden, zich dapper verwerende, doch tegen de overmacht niet
bestand, tot de laatste man afgemaakt. De lijken werden gesleept op
een heuvel buiten de kraal, en daar gelaten, de aasvogels en het
roofgedierte ten prooi."[5]
Oom Kasper zweeg. Het einde van zijn verhaal naderende, was zijn stem al
zwakker en minder vast geworden. Hij scheen geheel uitgeput, en bedekte
met zijn handen het betraand gelaat.
Uijs zat somber voor zich in het wachtvuur te staren. Dit was dan het
einde geweest van zovele dapperen; van de wakkere, trouwe vriend van
zijn jeugd!
Al de anderen bewaarden een diep stilzwijgen. Een schok scheen door
hen te varen toen Uijs met heldere stem de stilte verbrak en zei: »Dat
onschuldig bloed roept om wraak. Dat zwarte verraad, in de hel ontkiemd,
roept luide om vergelding. En ten volle hiervan bewust, keert gij, mijn
vrienden, zonen van Zuid-Afrika, de moordenaars de rug toe? Ik zal de
vijand te gemoet gaan; met Gods hulp hem straffen, en het broederbloed
wreken; desnoods mijn leven laten in het volbrengen van die heilige
plicht. Dat de ouden van dagen zich een toevluchtsoord zoeken en het
gevaar ontwijken, is mij verklaarbaar; maar van weerbare, krachtvolle
Afrikaanders kan ik dit niet verstaan. Zult gij de Zulu zich vrij op
de moord aan uw eigen bloed gepleegd, laten beroemen, en de vrede,
met gewetenswroeging doormengd, vergezeld van de verachting uwer
landgenoten, gaan zoeken in het land van Adam Kok? Antwoordt mij
broeders!"
Het was Andries Viljoen die antwoordde en zei: »Kommandant! Ik vrees
niemand ter wereld; toch heb ik me laten overhalen door hen die mij
dierbaar zijn, het gevaar en de vijand de rug toe te keren. Ik zelf
twijfelde of dit recht gehandeld was, en uw woorden hebben die twijfel
weggenomen. Ik ga geen stap verder, maar terug, en hoop in de ure des
gevaars aan uw zijde te staan." En weer klonk het: »En ik! En ik!" als
in koor op zijn rede.
Kasper Strijdom stond op. »Broeders," zei hij, »neem geen overhaast
besluit. Wij zijn, sommigen vermoeid en afgemat, anderen weer bewogen
en opgewonden. Luister naar de raad van een oud man. Ga slapen, en als
ge morgen nog van hetzelfde gevoelen zijt, dan zeg ik: Moge de Here u
geleiden en beschermen; en daarmede wens ik u allen een geruste nacht."
Binnen een half uur lag èn kamp èn lager, door de schildwachten bewaakt,
in diepe slaap gedompeld.
IV.
Aankomst van Piet Uijs bij het lager in Natal.