Er was geen ogenblik tijds te verliezen; ons lager werd aangevallen,

ons aller leven was in gevaar. Ik greep mijn roer en ammunitie, riep

mijn vrouw toe gereed te zijn mij van verdere ammunitie te voorzien,

sprong uit de wagen, en ijlde naar de lagerpoort. Reeds waren enige

mannen, waaronder Gert Maritz, mij voor. De dag begon aan te breken.

De lichtgrijze wolkekroon op het Umpufane Gebergte nam reeds een gulden

tint aan, voorbode van het verrijzen van de zon boven de kim. Zal die

zon heden slechts onze naakt uitgeschudde en in koelen bloede misvormde

lijken beschijnen? was de vraag die stilzwijgend in mijn beklemde borst

omhoog steeg. De gedachte: strijd, en moet het zijn, sterf, als een man,

scheen als antwoord op die vraag in mijn binnenste te klinken. Bij het

schemerachtig licht zag ik ons lager, zover het oog reikte, omgeven

door zwarte gedaanten, met de assagaai in de ene, het schild in de

andere hand, ons steeds vaster insluitende in de kring des doods. Bij de

lagerpoort drongen zij reeds in, en aan de voeten der voorsten herkende

ik het lijk van Sijbrand de Klerk, de jongste en lievelingsbroeder van

mijn vrouw, die het schot, dat het lager gewekt had, had gelost, en

op zijn post als poortwacht, door dozijnen scherpgevlijmde assagaaien

doorboord, de dood als een man in het aangezicht gezien had; want hij

lag er niet alleen: vier Zulu's waren door zijn hand naast hem gevallen.

Doch tijd tot verder denken was er niet. Er moest gestreden en het lieve

leven zo duur mogelik verkocht worden. Ons geweervuur op de bij de

lagerpoort indringende Zulu's, deed zovelen hunner neerstorten, dat

hun lijken de ingang half versperden, en vóór zij zich van de ontstane

schrik hadden hersteld, hadden wij een wagen, die gelukkig los in het

lager stond, voor de lagerpoort getrokken, en begonnen we een gestadig,

maar onafgebroken vuur op hun dicht opeengehoopte drommen te richten. De

strijd was woedend. Terwijl de voorste gelederen der Zulu's trachtten de

aaneenschakeling van onze lagerkring, door het wegnemen der staketsels,

te verbreken en bres te maken, tot instorming binnen het lager, wierpen

de volgende gelederen een wolk van assagaaien over en in de wagens;

terwijl de achtersten, als van de duivel bezeten, rondsprongen en

dansten, onder een vervaarlik geschreeuw, met knopkieries, strijdbijlen

en assagaaien op hun schildvellen slaande. Wij telden slechts drie

en dertig weerbare mannen, over verschillende punten verdeeld, om de

vijand tegen te houden; maar wij werden door de vrouwen en kinderen

krachtdadig bijgestaan. De vrouw van Gert Maritz met haar dochter stond

aan zijn zijde. Zo merkte ik ook op, hoe een vrouw het hoofd van een

Zulu, wie het gelukt was onder een wagen door te kruipen, met één

bijlslag kloofde, eer hij zich in het lager oprichten kon; terwijl een

tweede Zulu, die hem volgde door haar zoontje werd doorstoken met een

assagaai, genomen uit de bundel, aan de stervende hand van zijn makker

ontvallen. Maritz spoorde ons met kalme, maar krachtige en doordringende

stem aan, op God te vertrouwen, en tot de laatste ademtocht te strijden;

geen ammunitie te verspillen, maar te zorgen, dat ieder schot raak

was. Daar droegen wij ook zorg voor. Er viel geen schot dat zijn doel

miste; dat was trouwens ook bijna onmogelik, bij het schieten onder de

opeengedrongen zwarte massa, die ons omgaf. Onze met lopers gevulde

zakjes kwamen ons hierbij goed te pas. Mijn bandelier begon leeg te

worden, toen een hand mij op de schouder werd gelegd; mijn vrouw

stond naast me, en geen acht schijnende te slaan op de rondvliegende

assagaaien, overhandigde zij mij een gevulde kruithoorn en een tasje met

kogels en loperzakjes gevuld. Ik zag dat zij een roer in de hand hield.

De aandrang der Zulu's bij de lagerpoort was nu bijna overweldigend

geworden. Mijn vrouw week niet meer van mijn zijde, maar hanteerde haar

geweer als de beste man. De zon, die ik gevreesd had, nimmer weer te

zullen zien opgaan, rees tans over de kam der Umpufane Bergen en dreef

z'n stralen in onze door kruitdamp beschaduwde kampplaats. Ons lager

was als omslingerd door een zwarte gordel van Zulu-lichamen, rustende

op een bloedig rode grond, waaruit het gekerm en gesteun der gewonden

en stervenden onafgebroken werd vernomen. Deze aanblik, die onze moed

verlevendigde, scheen onze vijand te ontzetten. Wij vuurden nog gestadig

door, toen de vijand eerst langzaam maar daarna steeds sneller en

sneller terugdeinsde, en weldra in de richting van het Zuiden, langs de

rivier de vlucht nam. Een zucht van verlichting, een stille bede van

dankzegging steeg tot de Almachtige uit onze harten op. Bij een haastig

onderzoek bleek het, dat schoon velen onzer, sommigen zelfs ernstig

gewond waren, niemand het leven verloren had, dan alleen onze arme

poortwacht, wiens vertrapt en met Zulu-gesneuvelden bedekt lijk nog in

de lagerpoort lag. Geen tijd was er tot overdenken, treuren of rusten.

In alle richtingen hoorden wij in de verte het krijgsgeschreeuw der

Zulu's vermengd met geweerschoten. Wij, die er in geslaagd waren de

vijand af te slaan, moesten onze broeders te hulp snellen. Maritz gaf

dadelik bevel, dat twaalf onzer, op onze beste paarden gezeten, met hem

de vluchtende vijand zouden vervolgen, terwijl de overige twintig mannen

het lager zouden beschermen, en zoveel mogelik de versterkingen zouden

verbeteren en herstellen. Dra zaten wij de vijand op de hielen, die

door onze kort op elkander volgende aanvallen aangehitst, snel en in

volslagen vlucht voorttoog. Wij dreven hen in de richting van een lager,

door de Prinsloo's en Botha's aan een kleine spruit opgeslagen. Geen

geweervuur klonk ons tegen. De vluchtende Zulu's snelden het lager

voorbij. Waarom bleef alles zo stil in het kamp onzer vrienden? Wij

bereikten de plaats, en zagen met afgrijzen wat gebeurd was. De vijand

had het lagertje overmeesterd, en aan geen enkele blanke het leven

willen laten. Tussen stukgeslagen huisraad, opengebroken kisten,

losgereten bedden, lagen de nog warme, bloedende lijken van mannen,

vrouwen en kinderen verspreid. Vele der lichamen waren naakt uitgeschud;

de borst en de buik opengesneden, als van een geslacht beest, en

de ingewanden uitgesleurd. Het lijk ener jeugdige moeder lag met

assagaaisteken doorboord, de schedel met knopkieries te pletter

geslagen, met de starre, koude blik naar het azuren luchtgewelf gericht,

als smeekte haar verkild oog de Grote Goede Geest des levens, die boven

lucht en wolken troont, om erbarming; en naast haar in het vertrapte

gras, ontijdig als een bloem des velds afgeplukt, lag het lijkje van

haar enige maanden oude zuigeling, die aan de beschermende moederborst

ontscheurd, het hoofdje tegen een wagenwiel vermorzeld, naast het

moederlijk neergeworpen was. Uit een der wagens stroomde bloed langs de

leer, en lekte door de reten van de buikplank. Wij vonden in de wagen de

lijken van twintig vrouwen, die in doodangst elkander daarin verdrongen

hadden, om allen onder het moordend wapen van de Zulu te bezwijken. Hier

was voor het ogenblik niets voor ons te doen. Wij kwamen te laat; te

laat om iemand te redden. Maar hoger op, aan de voet van het gebergte,

weerklonk nog een zwak maar geregeld onderhouden geweervuur: daar konden

wij helpen, daar konden wij redden, daar konden wij misschien het

schuldig bloed doen stromen, ten zoenoffer voor het onschuldig bloed der

onzen, dat nog niet op de aarde was gestold.--Wij wendden de teugel in

die richting. Maar ik kan mijn verslag niet voortzetten. Mijn gemoed

overstelpt me. Laat mijn medeboden voortgaan met het schokkend verhaal."

In ernstige aandacht verzonken, had men van Staden's verhaal aangehoord,

zonder de spreker in de rede te vallen. Slechts af en toe een diepe

zucht verlichting aan het beklemd gemoed, of werd met de rug van de hand

een onbedwingbare traan van de oogleden gewist.

Toen van Staden zweeg en zijn plaats hernam, stond Piet Maré op en zei:

»Ik had liever gezien, dat oom Stoffel ons verslag geheel had afgedaan,

maar daar hij zich op ons beroept, zal ik verder gaan. Ik bevond me in

het kleine lager van de van Rensburgs. Wij waren achttien man sterk, en

hadden ons lager in de best mogelike orde, want gedachtig aan het woord:

»Wees oprecht als de duif, maar voorzichtig als de slang", betrouwden

we de vrede niet. In de vroege morgen van de 17de werden we gewekt door

onze poortwachter, die door het lager liep, uitroepende: »Verraad!

Verraad! De Zulu's bestormen ons. Te wapen! Te wapen!" In een oogwenk

waren wij allen, slechts half gekleed, maar ten volle gewapend,

naar buiten gesprongen. Rondom ons hoorden wij op enige afstand de

oorlogskreet der Zulu's weergalmen, vermengd met geweerschoten en

hulpgeschrei, terwijl een gestadig gedreun langs de oever van de rivier

ons het aanrukken van een Zulu-afdeling op ons lager aankondigde. In

weinige woorden verhaalde ons de poortwacht, dat hij wel enig rumoer

vernomen, maar daar niets van gedacht had, totdat Klein Frederik

Bezuidenhout ademloos bij het lager kwam aanlopen, uitroepende, dat hun

gehele afdeling door Zulu's overvallen en afgemaakt, en dat hij de enige

ontkomene was, en verder de rivier op, de anderen zou gaan waarschuwen.

Door de schemering zagen wij de Zulu impi in z'n halve-maanvormige

slagorde, op enige honderden treden het lager naderen, en vóór hen, doch

dichter bij ons een enkel persoon, waggelende en struikelende op ons

aanlopen. Het was een blanke, een onzer broeders. Enigen onzer sprongen

hem tegemoet, en vingen hem in hun armen op, juist toen zijn krachten

hem begaven, en hij dreigde neer te storten, om nimmer weer op te staan.

Met haast werd hij in het lager gedragen. Zijn lichaam, waarin nog twee

assagaaien staken, was met wonden overdekt. Het was Jan Oosthuizen,

de wakkere, vrolike, levenslustige Jan, die ons zo honderden keren

met zijn grappen vermaakt had. Zijn uur was echter geslagen. Met zwakke

stem zei hij nog: »Vrienden, onze afdeling is uitgemoord. Ik heb u

willen waarschuwen, en ben daarin geslaagd. Heer! wees mij arme zondaar

genadig!" Zijn lichaam kromp ineen. Een laatste, bange ademtocht, en Jan

zeeg dood in onze armen terug. Zachtkens legden wij hem neder op het met

dauw bedekte gras.--Verwijlen konden wij niet. Het midden van de Zulu

impi was reeds tegen ons lager; de beide hoorns daarvan begonnen ons

geheel in te sluiten. Wij grepen het geweer, en begonnen wakker op de

aandringende horden los te branden. Maar, waartoe in biezonderheden te

treden. Wij streden tegen de overmacht als mannen die wisten, dat ons

eigen leven, zowel als dat onzer vrouwen en kinderen afhing van de

uitslag van de strijd. Eén vrees beving ons; ons kruit en lood was

ontoereikend om de slag lang vol te houden; doch spoedig voorzag de

Heer daarin, want aan de rechterzijde van ons lager sloegen Marthinus

Oosthuizen,[1] Abram de Boer en Jaap Naudé zich door de vijand, en

bereikten ons, een aanzienlike hoeveelheid ammunitie met zich brengende.

Vier der onzen waren reeds gevallen, en verscheidenen waren gewond, toen

wij een troepje ruiters dicht bij ons lager zagen verschijnen. Het was

Gert Maritz met zijn twaalf mannen. Ook de vijand zag de ruiters, die

nu in volle vaart op hem afkwamen. Hij scheen een ogenblik te aarzelen,

maar liet toen af, en vluchtte in zuidelike richting weg. De strijd

was echter niet geëindigd. Wij begonnen dadelik de overgeblevenen der

verschillende afdelingen te verzamelen, en tot één lager te vormen, en

waren nog slechts weinig hiermede gevorderd, toen wij uit het zuiden de

Zulu's zagen terugkeren, in dichter drommen dan toen wij hen pas hadden

teruggeslagen. Ook zij hadden hun verspreide benden verenigd, en waren

nog door hun opgekomen achterhoede versterkt. Met de grootste woede en

doodsverachting bestormden zij ons nu slechts half voltooid lager,

kropen door de staketsels en klauterden over de wagens, een regen van

assagaaien op ons richtende; maar hoewel het hun gelukte velen onzer te

verwonden en dodelik te treffen, overmeesteren konden zij ons niet en

werden telkenmale afgeslagen. Zo duurde het gevecht, bijna zonder

tussenpozen voort tot in de namiddag, toen het zwarte leger terugdeinsde

en spoedig geheel op de vlucht sloeg. Om hen geheel terug te drijven,

zonden wij hen een afdeling ruiters achterna, die hen tot zonsondergang

vervolgde, wegdreef en honderden doodde. Wat zal ik hier nog bijvoegen?

Wij hebben onze doden verzameld en begraven; meer dan zes honderd werden

aan de aarde toevertrouwd. De gewonden hebben wij bijeen gezocht, maar,

helaas, slechts weinigen hebben wij gevonden die hoop geven op herstel.

De Zulu's verstaan het moordenaarswerk maar al te wel. Onder de

lijkehoop in het lagertje der Prinsloo's vonden wij Hannie van der

Merwe, die zes en twintig, en Grietje Prinsloo, die twee en twintig

assagaaisteken had gekregen. Beiden waren nog in leven, en leefden nog

toen wij het lager verlieten. De volgende dag vroeg Maritz vrijwilligers

om u de treurmare te brengen. Wij boden ons daartoe aan, en door God

behoed, hebben wij onze taak volbracht."[2]

»En weet ge wat er geworden is van Retief en zijn patroelje?" vroeg

Uijs.

Andries de Klerk antwoordde: »Met zekerheid is ons nog niets bekend;

doch bij mij, bestaat er geen twijfel, dat de aanval op onze lagers

plaats vond, nadat Retief en de zijnen waren vermoord. Hoe kan men

verwachten dat Dingaan hun ooit het leven gelaten zal hebben, waar

zijn krijgslieden zelfs niet het kind aan de borst hebben gespaard? En

bovendien, op de lijken der verslagen Zulu's vonden wij verschillende

voorwerpen, die aan Retief en zijn tochtgenoten hadden behoord."

Uijs richtte zich op en riep met fonkelende ogen: »Broeders! Lang beraad

is overbodig. Omtrent één punt heb ik niets te overwegen, niets te

denken of te beraadslagen. Wij moeten gaan, en dat wel onmiddellik, en

onze broeders in Natal te hulp snellen. Zo God wil, zullen wij het

vergoten bloed wreken. Wat zegt ge?"

Een eenparig: »Ja! wij zijn met u!" klonk als antwoord op zijn vraag.

»Welnu," hernam hij, »dan is onze vergadering geëindigd. Een ieder

make vrijelik bekend wat hij tans heeft vernomen. Wij zullen met een

paardekommando vooruittrekken, het lager kan langzaam volgen. Ik zal

onmiddellik boden zenden naar de andere afdelingen aan deze zijde

der bergen, en een verzamelplaats bepalen. De mannen die mij zullen

vergezellen, zal ik uitkiezen, doch een ieder make zich gereed, want ik

wil van avond nog een schoft afleggen. En nu! Laat elk onzer zijn plicht

doen."

Hiermede was de vergadering van de Krijgsraad afgelopen en met bedrukt

gemoed ging men uiteen.

III.

Kasper Strijdoms verhaal van de dood van Pieter Retief.

In angstige spanning hadden de lagerbewoners de afloop van de zitting

van de Krijgsraad afgewacht, en waren merendeels in de nabijheid

van de tent vergaderd gebleven. 't Was geen blote nieuwsgierigheid

die hen bezielde; integendeel, een innige belangstelling in, een

kommervolle bezorgdheid voor hun dieper landwaarts ingetrokken vrienden

en bloedverwanten beheersten de gemoederen. Zodra de personen, die de

Krijgsraad hadden uitgemaakt, zich buiten vertoonden, werden zij dan ook

dadelik omringd door mannen, vrouwen en kinderen, en vormden zich weldra

door het lager groepjes, in levendig en druk gesprek, gekenmerkt door

een sombere, treurige afwezigheid van alle luidruchtigheid, ongetwijfeld

toe te schrijven aan het droevig onderwerp hunner besprekingen.

Piet Uijs bleef, nadat de anderen de tent hadden verlaten, in diep en

droevig gepeins verzonken, met het hoofd op de hand, bij de veldtafel

zitten. Een gordijn, dat het achterste gedeelte van de tent, tot

slaapvertrek ingericht, van het voorste gedeelte scheidde, werd ter

zijde geschoven, en een vrouw van middelbare leeftijd, kwam met lichte

tred naar binnen. De grootste eenvoud, maar tevens een eenvoudige, bijna

onbeschrijflike sierlikheid en netheid kenmerkte haar kleding. Statig

van gestalte, blonken moederlike tederheid, zachtheid, maar gelijktijdig

ook beslistheid van karakter uit haar fijnbesneden trekken, uit haar

donkerblauwe ogen. Zij was de levensgezellin van Uijs, de fiere en toch

zo zachte Alida Maria Uijs, een vrouw, die in andere omgeving, onder

gunstiger omstandigheden, zou geschitterd hebben door haar geestesgaven,

uitgeblonken door adel des gemoeds, evenals zij tans in de meer

nederige, maar niet minder gewichtvolle kring, waarin de Voorzienigheid

haar leidde, het voorbeeld gaf en uitblonk in al die hoedanigheden,

die de vrouw als vrouw en moeder sieren, haar voor de man het edelst

kleinood van de Schepping, de grootste gave Gods maken. Zij sloeg de

armen om de hals van Uijs en drukte een kus op zijn voorhoofd.

»Diep in gedachten verzonken, Pieter," zei zij, »en geen wonder. Waar de

meesten onzer elkander toeriepen: Vrede! vrede, en geen gevaar! is dood

en verderf tussen ons neergestort met de snelheid van de bliksem. En

toch: Ik ken de Rots waarop wij bouwen. Hij faalt niet, die Zijn hulp

verwacht."

Piet Uijs sloeg zijn arm om het midden der hem zo dierbare vrouw, en

trok haar naast zich op een veldstoel. »Je hebt dan alles gehoord,

Alida? Je weet de slag die onze trek getroffen heeft, in al zijn

zwaarte? Je weet, dat het schone doel, waarvoor wij huis en haard,

overvloed en gemak in de oude Kolonie verzaakt hebben, gevaar loopt

geheel te worden verijdeld? Je hebt vernomen dat ik heden nog vertrekken

moet, om te redden wat nog te redden is?"

»Ja, ik weet alles, lieve man! Maar hebben we niet onze Ebenhaëzer[3]

opgericht, toen we vol moed en vertrouwen op de Heer onze gedenksteen

plantten, ter gelegenheid dat we, voor de eerste maal aan deze zijde van

de Oranje Rivier, het dierbaar Evangelie hoorden verkondigen, en door

Zijn heilig Sakrament gemeenschap hadden met onze Heer en Verlosser?

Kome wat wil, lieve Pieter, ons hart blijft zeggen: »Voor eeuwig met de

Heer." Slechts weinig tijds blijft je over. Kom, laat ons doen wat nodig

is." Zij pinkte een traan uit het oog, en drukte zacht de hand van haar

echtgenoot.

»Je hebt gelijk, mijn dierbare. Ik moet handelen, en dat wel dadelik.

Ach, ware het mogelik dat je met mij kon gaan."

»Nee lieve man, dat kan nu eenmaal niet zijn. Je plicht roept je tans

aan het hoofd van het Kommando; mijn plaats is in het lager. Beloof me

echter: Dirkie zal niet met je gaan. Ik begeer het dat hij bij me

blijft."

»Ja, lieve Alida! Ik heb al bij mezelf besloten, dat Dirk bij je blijven

zal. Ook oude Galant zal ik niet meenemen. Ik weet dat Dirk en hij zich

reeds er op spitsen, om met me uit te trekken; maar voor ditmaal moeten

zij tevreden zijn om achter te blijven. De tocht over het gebergte is

met wagens niet zonder gevaar, en als Dirk en Galant bij je zijn, kan ik

gerust wezen. Kiewiet zal als achterruiter met me gaan. Macht wacht, ik

zal Galant roepen."

Op zijn geroep kwamen Galant en Kiewiet en ook Dirk, die zich in de

nabijheid bevond, aanlopen.

»Dirk," zei Uijs, »zeg dadelik aan oom Barend Greyling, dat hij Philip

Liebenberg en Daniël van Vuren moet aanzeggen om zich gereed te houden,

binnen een half uur te vertrekken, om een rapport te brengen aan de twee

andere afdelingen van onze trek, en om zich daarna bij het Kommando te

voegen, waarmede ik van avond naar Natal trek. Hun brieven moeten zij

hier komen halen."

Zodra had Dirk zich niet verwijderd, of Uijs wendde zich tot Galant met

de woorden: »Wel outa, deze keer zal ik jou moeten achterlaten. Kiewiet

zal mijn achterruiter wezen, en jij moet hem helpen om alles behoorlik

in orde te maken, zodat er aan mijn uitrusting niets mankeert."

»Dat is een mooie grap, baas Piet!" viel de oude dienaar verontwaardigd

uit. »Ik ben wel oud, maar wie heeft Baas groot gemaakt? Wie heeft Baas

leren schieten, en zwemmen, en paardrijden? en wie is al die jaren lang,

net zoals een hond, overal gegaan, waar Baas gegaan is? Nee, Kiewiet kan

bij het lager blijven. Hij is nog jong, en heeft niet zoveel verstand en

kennis als ik. Ik ben de man, die met mijn Baas zal samengaan."

Vriendelik rustte het oog van de Kommandant op zijn oude, getrouwe

en blijkbaar verstoorde dienaar. »Dat is wat ik van mijn oude Galant

verwacht had," zei hij, »maar wie zal de ounooi oppassen, en haar veilig

over het gebergte brengen, als ik en Galant beiden weg zijn? Kiewiet is

nog te jong om de wagens veilig te drijven."

Deze vraag bracht de oude blijkbaar in verwarring.--Hij stond aan zijn

kroeselig haar te trekken, onderwijl zoekende naar een uitkomst uit dit

vraagstuk. »Ja," zei hij eindelik met een zucht, »de ounooi moet goede

hulp hebben; maar gaat Baas Dirkie ook met de Baas saam?"

»Nee Galant, Dirk blijft ook achter. Aan jou en aan hem vertrouw ik mijn

vrouw, mijn andere kinderen en mijn goederen toe."

»Wat vader!" riep Dirk uit, die zijn boodschap verricht hebbende, pas

teruggekeerd was, en de laatste woorden gehoord had. »Versta ik vader

wel? Moet ik achterblijven? Dat kan u niet menen. Ik was zo zeker dat ik

met u zou uittrekken. Galant en ik hebben ons reeds geheel klaar

gemaakt."

»Mijn zoon," zei Uijs met vastheid, »het doet me leed, dat ik je moet

teleurstellen, maar ik kan geen tijd verliezen met onnodig gepraat.

Gaarne nam ik jou en Galant mee, maar dit kan niet. Je wilt toch je

moeder de verre tocht naar Natal niet alleen laten doen? Nee, niet waar?

Welnu, jij en Galant zullen voor haar zorgen, en ben je eenmaal in Natal

aangekomen, dan zal je met Galant, zo de Here wil, mij vergezellen als

ik uittrek."

»Ja, Baas Dirkie," viel de oude dienaar in, »ik zie nou, dat het niet

anders kan; wij tweeën moeten de nooi en de kinders over de weg brengen.

We moeten toegeven en blijven."

»Goed, vader," zei Dirk, »ik zie in dat ik blijven moet. Ik zal, voor

zover ik kan, moeder beschermen en haar veilig bij u brengen."

»Dat is gesproken als een man, Dirk," hernam zijn vader, »dat is

verstandig en braaf van jou en Galant. Help nu alles voor me in

gereedheid brengen. Ik moet gaan schrijven."

Hij zette zich neder, en richtte twee korte briefjes aan de Kommandanten

der twee lagers, die op enige uren afstand ten Zuid-Oosten, aan de

Elandsrivier waren opgeslagen, hun het gebeurde meldende, en verzoekende

zonder verzuim met de helft hunner weerbare manschappen op te rukken

naar de verzamelplaats bij de kloof waar het pad begon, waarlangs men

het Quathlamba Gebergte moest overtrekken; met verdere last, dat de

lagers dadelik opbreken en het Kommando volgen moesten.

Nauweliks had hij zijn taak afgedaan, of Liebenberg en van Vuren meldden

zich aan. Zij waren geheel reisvaardig, ontvingen hun brieven aan de

lager-Kommandanten met de mondelinge instrukties van Uijs, drukten hem

ten afscheid de hand, sprongen in de zadel en spoedden zich voort, door

hun achterruiters gevolgd.

Te drie uur des namiddags waren al de weerbare mannen, in rijen

geschaard, verenigd op de grasvlakte, aan de overzijde van de spruit,

tegenover de lagerpoort. Zij waren omtrent honderd vijftig in getal,

maar telden velen in de gelederen, die nauweliks de kinderschoenen

waren ontwassen. De Kommandant bevond zich met de veldkornetten voor

het gelid, en begon de namen op te lezen van hen die deel zouden nemen

aan het Kommando. Hun getal was vijftig, en toen zij, man na man,

bij het aflezen hunner namen, uit het gelid waren getreden en in een

afzonderlike groep stonden geschaard, bleek het dat Uijs de jonge,

krachtvolste mannen tot zijn metgezellen had uitgekozen. Niemand had

geweigerd of enige onwilligheid betoond om tot deze keurbende te

behoren: daarentegen hadden velen verklaard als vrijwilligers mede te

zullen trekken; en eerst nadat de Kommandant met nadruk er op gewezen

had, dat het lager het Kommando ten spoedigste zou volgen, en dat al de

achterblijvenden onmisbaar waren tot het over de weg brengen der wagens

en voor de bescherming der vrouwen en kinderen, onderwierp men zich aan

zijn beschikkingen.

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 2 / 13 段