»Ja Baas Piet, maar ik ga toch ook saam? Baas wil toch niet

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

http://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: |

| met/zonder afbreekstreepjes, met/zonder trema. |

| |

| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |

| |

| In het origineel worden hoge aanhalingstekens openen (66) en |

| sluiten (99) gebruikt. Deze dubbele aanhalingstekens zijn in |

| dit e-boek aangegeven als »aanhalingstekens". |

| |

| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op http://www.gutenberg.org |

| |

+----------------------------------------------------------------+

PIET UIJS.

[Illustratie: C. W. H. VAN DER POST.]

PIET UIJS

OF

LIJDEN EN STRIJD DER VOORTREKKERS IN NATAL.

EEN VERHAAL

DOOR

C. W. H. VAN DER POST.

DERDE HERZIENE DRUK.

_(In vereenvoudigde spelling)._

J. H. DE BUSSY,

Pretoria, Amsterdam.

HOLL-AFRIK. UITGEVERS-Mij. v/h J. DUSSEAU & Co.,

KAAPSTAD.

1918.

INHOUD.

BLADZ.

Leven van C. W. H. v. d. Post VII

Voorwoord X

HOOFDSTUK.

I. Het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit 1

II. Stoffel van Staden brengt Uijs bericht van de moord der

blanken in Natal 19

III. Kasper Strijdoms verhaal van de dood van Pieter Retief 36

IV. Aankomst van Piet Uijs bij het lager in Natal 58

V. Vergadering van de Krijgsraad om een Kommandant-Generaal

te kiezen 73

VI. Bloedige tonelen te Umkungunhlovo 87

VII. Vertrek van het lager van Piet Uijs naar Natal 102

VIII. De tocht met de wagens over het Quathlamba gebergte 114

IX. Aankomst van het lager van Piet Uijs in Natal 130

X. Piet Uijs en Hendrik Potgieter worden Hoofd-Kommandanten 144

XI. De dood van Mazesi, de tovenaar van Dingaan 156

XII. Verkenningstocht van Dutulu naar Zululand 170

XIII. Slag van Italeni. Piet Uijs sneuvelt 183

XIV. Slag van Endouda Kusuka 195

XV. Aanhangsel 201

LEVEN VAN C. W. H. VAN DER POST.

Christiaan Willem Hendrik van der Post werd op 26 Maart 1856 te

Leiden, Holland, geboren. In 1859 kwamen zijn vader en moeder met hun

drie-jarige zoon naar Zuid-Afrika, en nadat zij een tijdlang aan de Kaap

hadden vertoefd, ging zijn vader naar Montagu als bank-bestierder. Door

krankheid werd hij later genoodzaakt zijn betrekking neer te leggen en

toen ging hij met zijn familie te Ladismith wonen.

Daar ging het niet beter, de krankheid nam toe en spoedig was het gezin

in armoede gedompeld. Nu sprong de vijftienjarige Christiaan in de bres.

Naar school was hij alleen maar voor drie maanden gegaan; maar zijn

vader en moeder die allebei 'n zeer goede opvoeding hadden genoten,

hadden alles in hun vermogen gedaan om zijn verstand te ontwikkelen, en

hun zoon had van hun lessen goed gebruik gemaakt. Veel had hij ook te

danken aan Ds. D. van Velden, die hem boeken gaf om te lezen en die ze

dan met hem besprak.

Op 26 Maart 1871, begon de knaap zijn werk. Een vriend van de familie

nam hem in huis als onderwijzer voor zijn kinderen. Hier kreeg hij £ 1

per maand. Treffend is het hoe hij, toen hij zijn eerste pond ontving,

aan Meneer de Wet vroeg hem dat toch in zilver te geven, hij wou voelen

dat hij iets verdiend had; en hoe trots legde hij die 20 shillings in

zijn moeder's schoot. Op de plaats kreeg hij ook iedere morgen en iedere

middag bij de koffie een beschuitje. Hij zelf at die beschuitjes nooit,

maar hij gaarde ze op en nam ze aan het eind van iedere maand naar huis

voor de kleinere broertjes en zusjes.

Bij grote vastberadenheid van karakter was hij tevens uiterst

grootmoedig--onzelfzuchtig--onbaatzuchtig en weekhartig. Nooit klopte

een behoeftige of verdrukte tevergeefs bij hem aan.

Intussen studeerde hij vlijtig totdat hij het onderwijzers-certifikaat

van de Kaap Kolonie verkreeg. Nu ging hij naar de Vrijstaat als

onderwijzer op de plaats Abrahamsfontein, Philippolis.

Later werd hij aangesteld als onderwijzer aan het Grey College, waar hij

bleef tot 1881, toen hij zich op de rechten begon toe te leggen.

Hij vestigde zich te Fauresmith en genoot een van de grootste praktijken

in de O. V. S.--één hoofdkantoor en 7 takken.

In 1885 huwde hij met Johanna J. Lubbe van Philippolis en na haar dood

in 1888 met Maria N. Lubbe. Uit het eerste huwelik had hij één zoon,

H. P. van der Post, en uit het tweede zes zoons en acht dochters,

waarvan twee overleden zijn.

In 1887 werd hij gekozen tot lid van de Volksraad en hij bleef zulks

totdat de oorlog uitbrak. Voor 'n tijd was hij ook voorzitter van de

Volksraad van de O. V. S.

Hij was ook Consul der Nederlanden en consulaire agent voor Frankrijk.

Maar toen de oorlog uitbrak bedankte hij voor het Consulschap en werd

hij Kommandant voor de delen van de Vrijstaat zuid en oost van

Bloemfontein.

Toen de vijand Fauresmith innam, weigerde hij zich over te geven en

vluchtte hij, vergezeld van één man, Hendrik Lubbe, de bergen in. Hij

trachtte weer een kommando bij elkaar te krijgen, en kwam eindelik

met 17 man in de Transvaal aan, waar hij tot Kommandant van Barberton

benoemd werd. Hier werd hij op 13 September door Generaal French

gevangen genomen.

Het werd hem toegestaan op »parool" naar de K. K. te gaan. Een tijdlang

bleef hij te Ladismith en Laingsburg, vanwaar hij met zijn familie naar

Stellenbosch ging.

Daar woonde hij 5 jaar lang voordat het hem in 1906 toegelaten werd naar

de Vrijstaat terug te keren, zonder de Eed van Getrouwheid af te leggen.

Hij ging echter niet naar Fauresmith terug, maar vestigde zich te

Philippolis.

Van af 1907 tot 1910 vertegenwoordigde hij Philippolis in het Parlement

van de O. R. K. Maar na de Unie trok hij zich terug uit de politiek en

weidde hij zijn aandacht groteliks aan zijn tuin op het dorp en aan zijn

plaats, Wolvenkop.

Na een kort ziekbed overleed hij op 20 Augustus 1914 te Philippolis.

Hij schreef »Piet Uys" en »Ingnas Prinsloo" alsmede vele korte stukken

en gedichten; ook vertaalde hij veel uit het engels, vooral van Tennyson

en Longfellow.

ANNA VAN DER POST.

Philippolis,

30 Sept. 1915.

VOORWOORD.

(_Voor de eerste druk_).

Het boekje, dat ik hiermede het Hollands lezend Publiek aanbied, handelt

over een tijdvak in de Geschiedenis van Zuid-Afrika, dat ten volle

onderzoek en beschrijving waard is. Immers, in die dagen werd door de

wakkere Voortrekkers het zaad gezaaid, waaruit, eenmaal ontkiemd, de

Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaansche Republiek zijn ontsproten;

en het is te betreuren, dat veel dat in die dagen is gebeurd, voor het

nageslacht verloren zal gaan, en nimmer zal worden geboekstaafd, tenzij

er meer werk wordt gemaakt om hun bevindingen te vernemen en op te

tekenen, uit de mond van die weinigen, die nog leven van degenen, die

aan de gebeurtenissen van die dagen deel hebben genomen.

Ik wens de indruk niet te laten, dat mijn boekje in alle opzichten

histories korrekt is; de aard van het werk bracht het mede, dat ik mij

zekere vrijheden moest veroorloven; maar toch, in hoofdzaak is mijn

verhaal histories, en op de geschiedenis van Zuid-Afrika gegrond. Veel

is er door mij neergeschreven, zoals door mij vernomen van de lippen van

personen, die in die bloedige dagen van de Grote Trek in Natal geleden

en gestreden hebben. Zelfs heb ik niet nagelaten inlichtingen in te

winnen bij sommige Zulu's, die maar al te goede reden hebben om de dagen

van Dingaan nimmer te vergeten. Ook heb ik de vrijheid genomen hier en

daar te putten uit »De Worstelstrijd der Transvalers" van Ds. F. Lion

Cachet, »Geschiedenis van Zuid-Afrika" van de Heer John Noble, en »The

History of the Battles and Adventures in Southern Africa" van de Heer

D. C. F. Moodie.

Op politiek gebied wens ik mij niet te begeven, maar toch kan ik de

verzoeking niet weerstaan, de Jongelingschap van Zuid-Afrika toe te

roepen: Ge hebt recht, trots te zijn op uw voorgeslacht. Ge behoeft u

voor uw geschiedenis niet te schamen. In u ligt de kern van een groot

en edel volk. Ge bezit al de bestanddelen, waaruit een natie kan worden

geboren. Bouw voort op de fondamenten door een waardig voorgeslacht

gelegd, en maak u dat voorgeslacht waardig. Moge het voorbeeld van Piet

Uijs, de nederige, eerlike en moedige Christen en krijgsman; van Dirk

Uijs, de vaderlievende knaap, die het sterven aan de zijde zijns vaders

boven het leven verkoos, en wiens heldemoed verdient voor eeuwig in de

herinnering van Zuid-Afrika's zonen te blijven voortleven; van zo menig

edel hart in mijn werkje genoemd, u zovele spoorslagen zijn, om te

streven naar alles dat goed, schoon en edel is. En vooral: Laat u niet

her- en derwaarts leiden, maar streef naar zelfstandig denken, overwegen

en handelen. Streef om de woorden van de Amerikaanse dichter Longfellow

voor u zelf in toepassing te brengen, en wandel op de levensweg. »Het

hart van binnen en God omhoog." Doe, en doe eerlik naar het best van

uw vermogen, wat uw hand te doen vindt; wellicht dat dan het heilig,

rein en zuiverend licht, dat aan het Eeuwig Licht ontstraalt, op u zal

afdalen, en gij zonder het te zoeken, het u zelf onbewust, zult worden

een levend, wandelend protest tegen al wat laag, gemeen, onedel en

onmannelik is.

Indien ik, in welke geringe mate ook, daartoe heb kunnen bijdragen door

het schrijven van dit boekje, zal het mij genoegen doen, te kunnen

denken, dat ik een plicht vervuld heb, tegenover Zuid-Afrika, het

Vaderland mijner kinderen, mijn aangenomen Vaderland, dat mij dierbaar

is.

C. W. H. VAN DER POST.

Fauresmith, Oranje Vrijstaat,

16 Februarie 1897.

I.

Het lager van Piet Uijs aan de Klerkspruit.

Men schrijft 25 Februarie 1838. 't Is een koele nacht geweest. De

nachtdampen uit de door overvloedige regen doorweekte bodem gestegen,

opwaarts gedreven door een zacht windje, dat uit het Oosten komt, hebben

het Quathlamba gebergte, dat zich trots ten Westen verheft, omsluierd,

en de indrukwekkende rotsgevaarten zijn als met het blanke kleed van de

onschuld omtooid. In het Zuid-Westen verheft zich de 12000 voet hoge top

van de Mont-aux-Sources, hartader van enige der grootste rivieren van

Zuid-Afrika, die in hem ontstaan, oorspronkelik door hem worden gevoed;

en de zon werpt zijn eerste stralen op de kruin van de berg, alsof

Natuur zijn voorhoofd met gouden kransen wilde kronen. In dit gedeelte

van het Zuidelike punt van het Donkere Werelddeel wijkt het nachtelik

donker met de dageraad terug voor het licht van de Dagvorstin. Jaren

zullen nog verlopen, stromen bloeds vergoten, hete tranen geschreid,

nameloos lijden en ontbering verduurd, edele blijken van moed,

volharding en zelfopoffering worden geleverd, eer de nachtelike nevelen

van Onkunde, Heidendom en Barbarisme verdreven zullen worden door de

stralen van de Zon der Gerechtigdheid Gods, plaats zullen inruimen, bij

het hoorngeschal van de dagheraut der beschaving, voor instellingen

gegrondvest op rechtvaardigheid, gerechtigheid en recht.

Op een kleine verhevenheid, in een vruchtbare, met weelderig wuivend,

hier en daar door trekkend vee platgetrapt gras overdekte vallei, aan de

helling van het gebergte is een lager. Laten wij dat nader beschouwen.

Omtrent een honderdtal ossewagens zijn in een kring getrokken, zodanig

dat de disselboom van de ene wagen onder de buikplank van de andere

insteekt. Alle openingen tussen en onder de wagens zijn opgevuld met

staketsels van takken van doorn- en stekelbossen, en hier en daar met

wallen van graszoden. Ten Noord-Oosten van het lager, aan de voet van

de verhevenheid waarop het rust, vloeit een kristalheldere beek, die

van het gebergte gedaald, zich voortspoedt z'n wateren te storten

in de Klerkspruit, een tak van de Wilgerivier, die zich oplost in de

Vaalrivier. Op een punt, waar het water van deze beek de verhevenheid

raakt, bevindt zich een opening in de dicht aaneengesloten wagenkring,

op geringe afstand van die kring gedekt door een stevige wal van

graszoden, omtrent vijf voet hoog. Hier is de lagerpoort, die in- en

uitgang verschaft aan de lagerbewoners en hun vee. Met regelmatige pas,

niet zozeer omdat zulks door de lagertucht vereist wordt, dan wel om het

kille gevoel te verdrijven, dat in hem gedurende de koude nacht ontstaan

is, loopt de poortschildwacht op en neder, het oog af en toe richtende

naar de overzijde van de vallei, van waar hij ieder ogenblik de

terugkomst van de brandwacht verbeidt, die als voorpost, gedurende de

nacht, voor de veiligheid van het lager mede gewaakt heeft.

Hij is een fors gebouwd man, onze schildwacht, zeker niet ouder dan

dertig jaar. Het is hem aan te zien dat hij voor geen klein geruchtje

vervaard is. Zijn hoofd is gedekt door een breedgerande vilten hoed,

waarop enige prachtige struisvogelpluimen door het morgenwindje

heen en weder gewuifd worden. Zijn regelmatige, krachtig getekende

gelaatstrekken, gebronsd door koude en hitte, wind en weder, gedurende

zijn omzwervingen door de vlakten van dit Zuid-Afrikaans hoogland,

zijn omlijst door een korte, zware, blonde baard. Grote, donkerblauwe,

heldere ogen fonkelen nu en dan van onder de brede hoederand, als hij

de blik slaat in de richting, vanwaar de brandwacht terugkeren moet.

Een kort, grijs duffels jasje of baadje, zeker ter beschutting tegen

de koude, tot aan de hals over de brede borst dichtgeknoopt, dekt zijn

bovenlijf; en een ruime klapbroek van gelooid en daarna bereid leder,

gemeenzaam onder de naam van velbroek bekend, met eigengemaakte schoenen

van grof gelooid leder, veldschoenen genoemd, die tans door de dauw

zijn doorweekt, voltooien zijn kleding. Aan de lederen bandelier, die

hem omgordt, en welks kogeltas wel gevuld is, hangt zijn kruithoorn,

met koperen ringen en ivoor ingelegd en versierd, benevens een tasje

vol van kleine linnen zakjes met lopers gevuld, krachtig doeltreffend

verdedigingsmiddel bij het stormlopen, of bij aanval door een

overweldigende vijand; en in een lederen schede het korte, scherpe

dolkmes met houten heft, bekend als Hernhutter mes, nuttig bij het

afslachten en uiteensnijden van gedood wild of geslacht vee, bruikbaar

als tafelmes bij de eenvoudige maaltijd, onmisbaar somtijds als wapen,

wanneer de nood aan de man komt en het geweer is leeg geschoten. Op zijn

linkerschouder draagt hij de zware baviaansbout, het pangeweer van welks

dappere en degelike hantering de voortrekkers zovele blijken hebben

gegeven en uit de klippijp, met lange houten en hoornen steel, die hij

tussen de lippen houdt, doet hij, schoon het nog zo vroeg in de morgen

is, gestadig de rookwolkjes opstijgen.

Onze schildwacht,--wij behoren hem de lezer voor te stellen, Louis Nel

is zijn naam, en wij zullen hem in de loop van dit verhaal meermalen

ontmoeten,--is onderwijl blijkbaar onrustig en ongeduldig geworden, want

hij mompelt herhaaldelik in zichzelf: »Waar blijft de brandwacht? Ik

hoop maar, dat ze geen ongeluk gekregen hebben," en intussen blijft hij

met versnelde tred, waaruit duidelik gemoedsaandoening is af te leiden,

voor de lagerpoort heen en weer stappen.

In het midden van het lager is een tweede afschutting of omheining

van palen, takkebossen en graszoden gevormd, een tamelik brede ruimte

latende tussen deze en de wagenverschansing. Dit is de kraal, waar des

nachts het vee wordt ingesloten, en beveiligd is tegen de lagen van de

roofzuchtige inboorlingen, zowel als tegen de aanvallen van de leeuw,

hier niet de Koning der wouden, want wouden zijn er niet, maar de

Grootvorst der vlakten, wiens donderend gebrul nacht aan nacht tot in

het lager doordringt, en van de jakhalzen, wolven, hyena's en wilde

honden, wier klagend geblaf en gehuil dikwerf als een wantonig koor op

de krachtige monotoon van de leeuw wordt vernomen. In de voormelde open

ruimte binnen het lager zijn verscheiden veldtenten opgeslagen, en is

hier en daar een kookscherm te zien, van zoden gebouwd, zonder dak, en

slechts bedoeld om de wind en het door hem medegedragen stof enigermate

af te keren.

De zon is tans boven de kimmen gerezen, en nauweliks hebben z'n eerste

stralen de witte wagenkappen en tenten verguld, of het geluid van

stemmen doet zich overal in het lager horen. Een rookzuil stijgt op uit

een kookscherm, langs een der grootste tenten, dicht bij de lagerpoort,

en weldra ziet men overal in het lager rookwolkjes oprijzen. In het

genoemde kookscherm heeft een reeds bejaarde kleurling vuur aangelegd,

de ijzeren waterketel boven het vuur gehangen, en wacht nu, terwijl hij

zijn koude handen bij de vlam koestert, tot het water kookt om koffie te

zetten. Het is die kleurling aan te zien dat hij geen Kaffer, Koranna of

Bosjesman is. Schoon donker, bijna geheel zwart van tint, toont de vorm

zijner trekken, zowel als zijn lang, slank haar dat hij een Malabaar is,

een der aan hun meesters verknochte slaven, die van de hun geschonken

vrijheid geen ander gebruik maakten, dan om hun meesters vrijwillig te

vergezellen, toen dezen de tocht naar de binnenlanden ondernamen, om

zelf vrij te zijn van de Britse Regering, die huns inziens, hun menig

onrecht had aangedaan, het minste waarvan niet was de wijze waarop door

deze Regering uitvoering was gegeven aan de vrijverklaring der slaven.

Onze schildwacht gaat nog steeds voort met zijn eentonige wandeling;

alleen schijnt zijn ongerustheid sterk te zijn aangegroeid. Zoëven heeft

hij tot zichzelf uitgeroepen: »Het lijkt me, dat er iets verkeerd is.

Als de brandwacht nog vijf minuten wegblijft, ga ik de Kommandant

roepen."

»Morgen, Baas Louis!" klonk het op eens uit het kookscherm. »Baas heeft

het zeker van nacht hot-achter gehad met die kou."

»Morgen Galant! Dat kan jij geloven, mijn voeten zijn nat van de dauw,

en het smaakt me, of mijn baard en haren ook vol water zitten. Als jou

koffie klaar is, kan jij me gerust een koppie vol inschenken en brengen.

Dat zal mijn lijf goed doen. Ik zal aan jou Baas vertellen, dat je mij

op mijn verzoek met koffie geholpen hebt."

»Dat is goed, Baas Louis! de ketel zingt al. Het zal net nou koken, en

dan zal ik Baas 'n beetje koffie geven: maar het is voor niet om met

mijn Baas daarover te gaan praten: Baas weet mos goed, dat Baas Piet

maar te blij zal zijn, om jou te plezieren."

»Ja! Ik weet dit, Galant! Maar ik wens dat Oom Piet wou opstaan en

uitkomen, anders zal ik hem moeten gaan roepen. De zon is al heeltemaal

op, en de brandwacht is nog niet in. Die ding lijkt mij niet pluis."

Terwijl dit gesprek plaats vond, was het gordijn, dat de ingang van de

tent dekte, terzijde geschoven en een knaap van ongeveer veertienjarige

leeftijd naar buiten getreden. Hij was blootshoofd en ongeschoeid. Het

scheen, als had hij zich de tijd niet gegund zich geheel te kleden, maar

als ware hij, verlangend de beperkte atmosfeer van de tent te ontvlieden

en de frisse morgenlucht in te ademen, gedeeltelik gekleed naar buiten

onder de vrije hemel gesneld. Hij was een kloeke knaap. Slank, maar

veerkrachtig gebouwd, lag er een waas van fierheid over zijn trekken,

dat iets manneliks aan zijn voorkomen gaf. Zijn breed gewelfd voorhoofd,

bedekt met blonde verwarde lokken, die in de glans van de morgenzon hem

als met een aureool kroonden, verried geest- en denkvermogen; terwijl

uit de vrolike oogopslag, de glimlach die om zijn lippen speelde, te

lezen was, dat de kinderziel nog in hem heerste, schoon hij de overgang

tot het manzijn reeds was genaakt, en daartoe geroepen, zou tonen dat

hij zich manlik kon gedragen. Trouwens, in menig gevaarlik ogenblik

had hij reeds bewezen, dat geen laf hart hem in de borst klopte. Zijn

onverschrokkenheid had dikwels reeds de bewondering zijner landgenoten

opgewekt, terwijl zijn vriendelike, vrolike inborst hem de

toegenegenheid en liefde van allen had verworven.

Hij bleef een ogenblik staan, de blik gevestigd op het heerlik toneel

van het met morgenwolken half omsluierd Quathlamba gebergte, en begaf

zich toen naar het kookscherm, met de uitroep: »Hoe is 't, Galant? Kan

'n mens al koffie krijgen? Morgen outa!"

»Morgen kleinbaas! De ketel kookt net nou. Als Baas Dirkie zo'n klein

beetje wacht, zal ik inschenken, en de oubaas en de ounooi z'n koffie

ook brengen. Baas Louis heeft ook al aan me om koffie gevraagd. Het

lijkt me, hij is net koud van morgen."

De knaap sloeg zijn ogen op de schildwacht, en zei tot Galant: »Toe,

outa! maak gauw gauw. Ik zal oom Louis de koffie brengen."

Galant had weldra de koffie gezet en in de eenvoudige kommen

geschonken. De knaap nam een kom voor zich zelf en een voor de

schildwacht, tot wie hij zich toen dadelik begaf.

Na het wisselen van de morgengroet, en na zijn lippen aan de stomende

kom te hebben gebracht, zei de schildwacht: »Dirk! Ik ben net blij dat

je kom. Is oom Piet al wakker?"

»Ja, oom Louis! Pa trekt nog aan. Maar wat mankeer? Het lijkt me of er

met oom iets verkeerd is."

»Ja, Dirkie! Ik begin heeltemaal ongerust te voelen. Jij moet weten, de

brandwacht is nog niet in, en de zon klimt. In ben amper zeker, dat hun

iets overkomen is. Ik wil niet graag voor niets alarm in het lager

maken, maar ik meen daarom, dat ik oom Piet in kennis moet stellen."

Dirk zette zijn kom koffie dadelik op de grond neer en zag de

schildwacht met grote ogen aan, terwijl hij zei: »Oom! Ik ben maar een

kind, maar in oom zijn plek, zou ik Pa al lang geroepen hebben. Dit

kan een gevaarlike zaak wezen. Ik zal Pa dadelik gaan halen." En zich

omkerende, liep hij met spoed naar de tent, bijna Galant, die juist uit

de tent kwam, omverlopende, uitroepende: »Pa! Pa! Als Pa klaar is, kom

toch even buiten! De poortwacht wil Pa zien."

Onmiddellik trad een man de tent uit, bij wiens eerste aanblik

niemand zou geraden hebben, dat hij de Kommandant van het lager, de

onverschrokken, maar tevens bezadigde en godvruchtige Pieter Lafras

Uijs, een der leidsmannen van een grote trek der Hollands-Afrikaanse

boeren voor zich had: want niets in zijn eenvoudige kleding

onderscheidde hem van de schildwacht bij de lagerpoort. En toch

had die man veel ondervonden en doorstaan, veel gedaan, gedacht en

gestreden; en schoon zijn lager slechts een deel uitmaakte van de grote

trek, die onder leiding van zijn vader, de zeventigjarige patriarch

Jacobus Johannes Uijs, een groot jaar te voren de Oranje-Rivier

was overgetrokken, werd hij door de trek als de leidsman erkend, die

hen in stonden van gevaar ten strijde moest voeren, en berustte het

daadwerkelik bestuur van de trek bij hem. Terwijl hij en Dirk enige

ogenblikken bij elkander stonden en hij aandachtig luisterde naar de

mededeling, door de knaap met drift gemaakt, was het niet te miskennen,

dat zij vader en zoon waren. De een was het verjongde evenbeeld van de

ander. Vader's haar en baard begonnen echter reeds door de grijsheid

verzilverd te worden; de saamgetrokken wenkbrauwen getuigden van

ernstig, diep nadenken; zijn gelaat drukte iets onbeschrijfeliks

weemoedigs, peinzends uit.

De knaap had zijn mededeling geëindigd. Beslist en fier richtte Piet

Uijs het hoofd op, dat hij, naar Dirk luisterende, gebogen had gehouden,

en er straalde een levendige bezieling uit zijn oog. »Het is goed,

Dirkie," zei hij. »Ga dadelik naar de Veldkornetten, en zeg dat ze

zonder verzuim vijf en twintig man moeten aanzeggen, om op te zadelen en

bij de lagerpoort te komen. En, wacht een beetje; we moeten de mensen

niet voor niets schrik aanjagen, en toch behoort ieder te weten, wat ik

doen wil. Laat ze de mensen duidelik maken, dat ik net met een patroelje

uitga, om te zien, waarom de brandwacht zo laat uitblijft."

Dirk verwijderde zich met spoed, en zijn vader begaf zich in de tent,

om dadelik weer te voorschijn te treden, met een lange verrekijker in de

hand. Met haastige stappen richtte hij zich naar de lagerpoort, in het

voorbijgaan Galant toevoegende: »Galant! Zadel haastig Welsier op, en

breng hem voor me naar de poort; en breng ook mijn roer, bandelier en

pistolen."

»Ja Baas Piet, maar ik ga toch ook saam? Baas wil toch niet zonder zijn

achterruiter uitgaan?"

»Nee! zeker niet, Galant! maar maak gauw. We kunnen niet verzuimen."

Terwijl de oude dienaar in een oogwenk verdwenen was, om de hem gegeven

last te volvoeren, had de Kommandant de lagerpoort bereikt. Blijkbaar

waren zijn gedachten verstrooid, want de morgengroet van de schildwacht

werd door de anders zo gulhartige, vriendelike man niet beantwoord, en

was schijnbaar door hem niet eens gehoord. Zijn oog rustte doordringend,

zelfs enigermate verwijtend op de schildwacht, terwijl hij zei: »Louis!

Louis! Mij dunkt, je hebt van morgen een fout gemaakt. Je weet toch dat

als 't helder dag wordt, de brandwacht in het lager terug moet wezen, en

waarom heb je me niet dadelik komen roepen, toen de tijd van hun komst

voorbij was? God weet, wat die arme kerels misschien overkomen is; want

nadat Piet Retief het vee van Sikonyella afgenomen heeft, om het aan de

Zulu-Kapitein terug te geven, vertrouw ik de Witkros Kaffers niet meer.

De Here geve dat de brandwacht niet vermoord is, en dat een aanval op

ons lager niet te verwachten is."

Hij had zijn verrekijker geopend, en onderzocht met bezorgdheid de

heuvelreeks aan de overzijde van de vallei.

Intussen begon de enigszins gegriefde schildwacht zich te

rechtvaardigen. »Oom Piet moet me toch niet verdenken. Het is al meer

keer gebeurd, dat de brandwacht later dan naar gewoonte inkwam, en ik

dacht..."

»Goed, goed, Louis!" viel de Kommandant hem in de rede, en vroeg met

klimmende angst: »Wie zijn de mannen van de brandwacht?"

»Oom, gisteravond zijn maar vijf man uitgegaan: Koos Labuschagne, Klein

Koos Uijs, Floris en Cornelis Botha en mijn broer Stefanus.."

De Kommandant bespiedde weer aandachtig de overzijde van de vallei: »Dat

zijn vijf kloeke mannen, en voorzichtig ook. Koos Labuschagne is een man

die orde kan houden. Zeg me, heb je nog geen schoten horen vallen?"

»Nee oom, ik heb niks gezien of gehoord, anders zou ik zeker alarm

gegeven hebben."

»Here! Here! Als die arme kerels zich toch maar niet in gevaar begeven

hebben. Daar is geen ogenblik tijd te verliezen." Hij sloot met haast

weer zijn verrekijker, en gelastte de schildwacht in het lager te gaan,

en de Veldkornetten tot spoed in het bijeenbrengen hunner manschappen

aan te sporen.

Reeds was de onrustwekkende tijding door het lager verspreid, dat de

brandwacht uitgebleven was en de Kommandant bij de lagerpoort wachtte,

om met een patroelje van vijf en twintig man op onderzoek uit te gaan;

en van verschillende zijden kwam men aanlopen naar de poort. Geen

onnodig rumoer of luidruchtigheid deden deze lieden horen. Als met het

leven in de hand waren zij de wildernis ingetrokken, niet gedreven door

de zucht, zoals sommige schrijvers het tans nog durven voorstellen,

bandeloos en wetteloos te zijn, maar integendeel voortgezweept door de

drift naar vrijheid, door de Allerhoogste Zelf in hun boezem geplant.

Zich ten volle bewust van de gevaren die hen bedreigden, waren de

volwassenen volkomen bereid handelend op te treden, en waar nodig te

lijden, en te berusten in Gods wil; en als ware het instinktmatig, had

dit gevoel zich reeds medegedeeld aan de jongeren van dagen die tot

kennis des onderscheids waren geraakt. Ernst was op het gelaat van

allen, mannen, vrouwen en kinderen te lezen. Hier en daar merkte men

onder de vrouwen, de stille traan tot God geschreid. Want, immers hun

Kommandant was blijkbaar door de omstandigheid bewogen. Die moest wel

ernstig zijn, om hem, de kalme, vastberaden man zo plotseling de plooien

van bekommernis op het gelaat te brengen.

Enigen der mannen wendden zich tot de Kommandant, die nu weer met zijn

verrekijker de omtrek bespiedde, en vernamen van hem in weinige woorden

de bevestiging van het vreeswekkend gerucht, dat als een lopend vuur van

tent tot tent, van wagen tot wagen door het lager was gegaan.

Een nog jeugdige vrouw, in wezen en vorm werkelik schoon te noemen, was

de Kommandant genaderd. Zij hield een jongske van nog geen jaar oud aan

de boezem geklemd, en had hem ter beschutting tegen de morgenwind in een

sjaal gewikkeld. 't Was haar aan te zien dat hevige gemoedsaandoening

haar bezielde, en ondanks zichzelf, haar leden deed trillen. De ene

bedwongen traan na de andere biggelde haar over de wangen. Zij was de

echtgenote van Koos Labuschagne, zuster van Klein Koos Uijs, enige

dochter van een reeds ontslapen oudere broeder van de Kommandant, tot

wie zij met schokkende stem de vraag richtte: »Oom Pieter, wat is er met

mijn man en mijn broer gebeurd? Wat weet oom? Zijn ze in gevaar? Steek

dit toch niet voor me weg. Ik weet, we zijn allen in de hand des Heren.

Wat Hij doet is welgedaan. Maar die onzekerheid, die onzekerheid, oom,

breekt me 't hart!"

»Mijn arme dochter, jou onrust is natuurlik, maar misschien helemaal

voorbarig. Je zegt, en met recht, dat we allemaal in de hand des Heren

zijn. Hij zal ons geven wat goed voor ons is. Ik zal niks voor jou

wegsteken. Zover ik weet, is jou man en broer niks overkomen. Ik ben

alleen ongerust omdat ze zo lang uitblijven, en wil zelf gaan zien wat

de oorzaak daarvan is."

»Och oom, maak toch gauw! Een mens kan niet weten wat aan de hand is.

Een ogenblik verzuim kan het leven kosten van mijn arme man en zijn

maters."

»Houd moed, mijn kind! Daar komt Galant met mijn paard, en daar is de

patroelje ook. In korte tijd zullen we weten wat er gebeurd is. Maar

Sannie, mijn kind, wat of de uitslag ook mag wezen, onthoud toch: Wat de

Here doet, is welgedaan."

De ruiterbende was bij de lagerpoort verzameld. Galant, op zijn eigen

vospaard gezeten, hield Welsier aan de teugel, en overhandigde de

Kommandant zijn roer en verdere wapenrusting. Ook Dirk was daar. Op een

klein, maar sterk paardje gezeten, met de bandelier om, en zijn roer in

de hand, scheen hij van mening te zijn, dat het vanzelf sprak dat hij de

verkenningstocht zou meemaken.

Met vaderlike trots viel het oog van de Kommandant op zijn kloeke zoon.

Toch zei hij met nadruk; »Nee Dirk, jij kan niet saam gaan; jou plaats

is vandaag bij jou moeder in het lager."

Een wolk van teleurstelling tekende zich op het sterksprekend gelaat

van de knaap; doch voordat hij iets te berde kon brengen, had zijn vader

nogmaals de verrekijker ontbloot, en die gericht naar de heuvels vanwaar

de brandwacht komen moest. Aller blikken waren met gespannen aandacht op

hem gevestigd. Op eens hief hij zijn hand op en riep: »Daar komt iets

achter de bult uit. Het lijkt me naar de hoofden van mensen. Wacht

kerels! Wacht een beetje. Daar komen ruiters tegen de bult uit." Ieder

oog, als magneties getrokken, vestigde zich onmiddellik op de overzijde

van de vallei, en als met één stem weerklonk de kreet: »De brandwacht!

De brandwacht!" en liep een schok van vreugde door de kleine schare.

Tans had een kleine ruitertroep zijn verschijning op een heuvel gemaakt

en langzaam de richting naar het lager ingeslagen. Schoon voor het

naakte oog zichtbaar, kon men nog niet onderscheiden, of zij, die

naderden, blanken dan wel zwarten waren. De Kommandant bleef hen steeds

door zijn kijker beschouwen en zei eindelik tot de omstanders: »Wees

gerust mensen! Het zijn onze broeders van de brandwacht die daar

aankomen. Ik herken duidelik de blauwe schimmel van Floris Botha, en de

zwarte trippelaar van Stefanus Nel; maar wat me wonderlik voorkomt, is

dat er maar vijf van onze mannen zijn, en nu komen daar negen ruiters

aan. Eén lijkt me een kleurling, en de andere acht zijn witmensen. Ze

rijden ook zo stadig, alsof partij paarden flauw zijn."

Maar ziet; een ruiter uit de kleine troep heeft zijn paard de sporen

gegeven, en komt tans in volle galop naar het kamp. Op blijde toon roept

de Kommandant uit: »Vrienden! alle twijfel is voorbij. Het zijn onze

mensen. Dat is Koos Labuschagne die daar vooruitrijdt." Een blijde

juichkreet weerklonk over het veld, en Sannie, haar kind vaster in de

armen drukkende, murmelde: »Dank, genadige Vader! Dank voor deze

uitredding!" En weer rolden tranen, nu door vreugde opgestuwd, haar

langs het gelaat.

Met ongeduld ingewacht, kwam de berichtbrenger snel nader. De naaste

koers door de vallei nemende, was hij in vijf minuten tijds bij de

lagerpoort, en sprong van zijn dampend, met zweetschuim bedekt ros.

Het was Koos Labuschagne. Een sombere wolk van smart scheen over hem

te rusten; blijkbaar was de krachtvolle, moedige man hevig ontroerd. Op

zijn aanblik ging de vreugde van de schare, die zijn komst onder vrolike

kout en scherts had verbeid, in droevige onrust over. Het was niet te

betwijfelen, iets ernstigs was er gebeurd, of stond hen voor de deur.

Op de onstuimige vragen, die hem van alle kanten gedaan werden, gaf hij

geen antwoord, doch wendde zich tot de Kommandant, die hem genaderd was,

en zei met doffe stem: »Oom Pieter, bereid jou voor om slechte tijding

te vernemen. Vannacht zijn er van over de berg rapportgangers bij ons

gekomen. Hun paarden waren gedaan, en zij zelf geheel afgemat, daarom

komen we zo laat in. Dit zijn oom Stoffel van Staden, Andries de Klerk

en Piet Maré, met een achterruiter. Het bericht, dat ze brengen, is

vreselik, vreselik! Bijna de helft van onze broeders en zusters in Natal

is door die Zulu Kaffer vermoord. O, mijn God! Van mijn vader z'n huis

is niet één uitgekomen! Ik ben de enige van mijn vader z'n stam, die

overblijft." En een krampachtig gesnik steeg op uit zijn brede zwoegende

borst.

De diepste stilte was onder de toehoorders gevallen. Zij schenen

verstomd en verpletterd door het verschrikkelik bericht. Hun wangen

verbleekten. Zelfs de Kommandant sidderde, en scheen als door de

droevige tijding overmeesterd, doelloos voor zich te staren. Daar klonk

de zachte stem ener vrouw. Sannie was haar man genaderd, toen hij zijn

kort verhaal geëindigd had, en zijn hand vattende, en die op de borst

drukkende tussen haar en hun kind, zei zij gevoelvol en troostend: »O

Koos, mijn dierbare echtgenoot, blijf man en Christen, en laat je niet

wegslepen door de smart. De Here regeert. Hij is een genadige God. Hij

doet wat recht is in Zijn ogen."

Tans barstte de droefenis los. Uit menige beklemde borst steeg de

smartkreet naar boven; weeklachten en snikken vervulden de lucht.

Immers, niemand onder de aanwezigen, die niet vader of moeder, broeder

of zuster, zoon of dochter, onder de mensen aan de overzijde van het

gebergte had; en nu was de helft dier mensen vermoord door de wrede

Zulu. Had God de hunnen gered, of moesten zij evenals Koos Labuschagne

hun treurig uiteinde bewenen? Ouders sidderden, als zij dachten aan

hun kinderen. Kinderen beefden van ontzetting bij het gedenken aan

hun ouders. Menig jongeling voelde zich het hart samenkrimpen bij

het denkbeeld, dat zij,--die hij gehoopt had weldra, als de trek tot

stilstaan gekomen was en hij zich zou kunnen vestigen, zijn vrouw te

kunnen noemen,--het dierbaar meisje, dat reeds in de oude Kolonie haar

jawoord aan hem had verpand, onder de vermoorden kon worden geteld.

Menige jongedochter vergoot in stilte haar tranen, als zij zich het

beeld van de jongeling voor de geest riep, die zij zich als levensgezel

had gekozen, aan wie zij zo innig gehecht was met de peilloze diepte van

maagdelike ongekunstelde liefde, en die misschien ook onder de

Zulu-assagaai was bezweken.

De woorden van Sannie hadden de Kommandant tot zich zelf geroepen. Hij

overmeesterde zijn diepe aandoening en de blik over de schare werpende,

riep hij met krachtige stem: »Broeders en zusters! Ja, de Heer is God.

Zijn wil geschiede in Hemel en op aarde. Zwaar en bitter om te dragen is

de slag, die ons allen getroffen heeft. Maar broeders en zusters, het is

nu niet de tijd om alleen te treuren. Ik ben zeker dat we gereed zullen

moeten wezen, om onze broeders, die overgebleven zijn, te hulp te

snellen. Ik kan het verstaan, dat ge allen verlangend zijt, om al de

biezonderheden van deze treurige gebeurtenis te vernemen; maar zoals

ge gehoord hebt, zijn de rapportgangers die net nou hier zullen wezen,

afgemat, en toch moet de Krijgsraad met eens hun rapport vernemen, om te

besluiten hoe te handelen. Ik verzoek dus dat allen hier tegenwoordig,

buiten de leden van de Krijgsraad, dadelik naar hun tenten teruggaan.

Als de zitting van de Krijgsraad voorbij is, zullen we je van alles in

kennis stellen. Gaat, mijn vrienden! En zolang als we beraadslagen,

verootmoedige een iegelik zich voor de Here."

Treurig en zwijgend verspreidde de schare zich, Piet Uijs, Koos

Labuschagne, de schildwacht die Louis Nel was komen aflossen, en de

leden van de Krijgsraad, bij de lagerpoort latende.

II.

Stoffel van Staden brengt Uijs bericht van de moord der blanken in

Natal.

Het behoeft geen betoog dat de aankomst der overbergse boden, door de

Kommandant en de leden van de Krijgsraad in bijna plechtige stilte werd

afgewacht. Diep waren deze mannen geschokt door de hun aangekondigde

treurmare; en de ramp die de Voortrekkers, waarvan hun trek het niet

onaanzienlikste deel uitmaakte, getroffen had, omtrent de juiste omvang

waarvan zij nog in het duister verkeerden, deed hen in treurig gepeins

tot zich zelf inkeren. Nog weinige ogenblikken en de onzekerheid zou

ophouden. Het bloedig drama dat aan de overzijde der Quathlamba Bergen

was afgespeeld, zou hun in al zijn afgrijselikheid worden kenbaar

gemaakt.

De ruiters hadden het lager bereikt, en stegen van hun paarden.

Van Staden en Uijs waren op elkander toegelopen, en nauweliks hadden zij

de gewone handdruk gewisseld, of van Staden, door smart en vermoeienis

uitgeput, en zijn zenuwen niet meer geheel meester, wierp zich aan de

borst van Uijs, en riep uit, terwijl tranen zijn getaande wangen

bevochtigden: »Mijn broeder! mijn broeder! welke ontzettende tijding

moet ik u brengen! Ik ben een ongeluksbode, en breng u de boodschap van

bloed. Bloed onzer landgenoten! Bloed van mannen, vrouwen en kinderen,

door de Zulu-moordenaars op verraderlike wijze bij stromen vergoten!

Bloed, dat ten Hemel schreit om wraak! Broeder, ge moet komen, om met

ons de bloedwraak te nemen, en om de overgeblevenen voor verder verraad,

list en gewapend geweld te helpen beschermen."

Schoon innerlik, tot in het diepst van zijn gemoed ontroerd, bewaarde

Uijs met waardigheid zijn uiterlike kalmte. Zich uit van Staden's

omarming zachtkens losmakende, sprak hij: »Broeder, uw woorden

bevestigen het hartdoorborend bericht, door mij reeds uit de mond van

Koos Labuschagne vernomen. Gods hand is zwaar op ons neergedaald; toch

moeten wij met kinderlike ootmoed onder Zijn heilige wil bukken, en waar

Hij zegt: »Mij komt de wrake toe," zal Hij ons als zwakke werktuigen in

Zijn hand gebruiken, die wraak uit te oefenen en de verrader Dingaan

naar loon te tuchtigen. Slechts na rijp beraad en met kalmte moeten wij

echter te werk gaan. Gij met uw mannen zijt uitgeput, en moet eerst

rusten, dan zullen wij beraadslagen. Laat me toe eerst uw tochtgenoten

de hand te drukken, en enige bevelen te geven."

Naar de Klerk en Maré tredende, schudde hij hen hartelik de hand, en

sprak hun enige vriendelike woorden van welkom toe. Zich daarna tot

de leden van de Krijgsraad richtende, zei hij: »Broeders! Het is tans

acht uur. Te negen uur komt de Krijgsraad in mijn tent bijeen, om de

biezonderheden van deze treurige gebeurtenis van de boden te vernemen.

Intussen kunt ge het ontbijt nemen, en alle weerbare mannen in het

lager aanzeggen, dat zij zich voorbereiden om behoorlik uitgerust en van

schietgoed en mondkost voorzien, met mij, misschien heden nog, de tocht

over het gebergte te ondernemen." Hij wenkte de boden hem te volgen, en

begaf zich naar zijn tent.

Hoe de boden in de tent werden onthaald en wat zij met hun gastheer

spraken, slaan wij over. Genoeg zij het, dat te negen uur de leden van

de Krijgsraad bijeenkwamen in de tent van de Kommandant; en dat de boden

door een goed maal gesterkt en door behoorlike reiniging verfrist, tans

beter in staat waren hun rapport te doen, dan bij hun aankomst. In het

lager heerste grote bedrijvigheid, duidelik teken, dat het bevel van de

Kommandant werd uitgevoerd, en men zich bereidde voor de gevaarlike

tocht over het gebergte.

De Kommandant had zich neergezet bij de kleine vouw- of veldtafel; de

anderen zaten in de nauwe ruimte van de tent enigszins op elkander

gedrongen, op kleine vouw- of veldstoelen.

Uijs stond op, en het woord nemende, zei hij: »Broeders, laten we ons,

alvorens tot onze beraadslagingen over te gaan, verootmoedigen voor de

voetbank der Genade, en van God, de bron van alle wijsheid, afsmeken

heden onze Raadgever te zijn."

Met ontblote hoofden knielden allen neder. Die mannen, die zoveel van de

ernstige zijde des levens gezien hadden; zij, mannen in de ruimste zin

des woords, doch kinderen in het geloof, wierpen zich steeds met

kinderlik vertrouwen in de armen van der vaderen God.

Met bewogen stem stortte Uijs zijn hart uit: »Onze Vader, ofschoon Gij

in de Hemelen troont, gevoelen wij Uw tegenwoordigheid in ons midden.

Gij hebt Uw volk gekastijd en met een zware slag geslagen.--Hebben wij

gezondigd? Hemelse Vader! wees ons genadig, en vergeef het ons waar wij

van U zijn afgedwaald. Met U wensen wij te vernachten en op te staan.

In onze zwakheid wensen wij Uw kracht te volbrengen. Sterk en vorm ons

daartoe, Heer, onze God! Wil ook tans onze Leidsman en Raadgever zijn,

en ons voorlichten, waar wolken van gevaar, vrees en twijfel ons in

duisternis en droefenis hullen. O Heer! leer ons wat wij moeten doen,

om het verder vergieten van onschuldig bloed te beletten, en om hen die

onschuldig bloed in stromen hebben vergoten, te straffen. Trek met ons

op, Almachtige God, en laat Uw Vaderlike liefde en Goddelike bescherming

aan onze spits gaan, zoals Uw vuurkolom voor Israël, Uw kinderen van

ouds; en U zal zijn de eer en de aanbidding, van nu aan tot in alle

eeuwigheid. Hoor ons, Vader, naar de rijkdom van Uw genade, en delg al

onze zonden uit, om de wil van Jezus Christus, onze Heer en Verlosser.

Amen."

Allen richtten zich op en hernamen hun plaatsen. Een ademtocht van

ernst, maar tevens vol opwekking en kracht, een gloed aan de Geest

des Eeuwige Levens ontleend, scheen over hen te zijn gegaan en hen te

hebben bezield. De Kommandant richtte het woord tot van Staden, en zei:

»Broeder, de Krijgsraad is gereed om uw droevig rapport in al zijn

omvang te horen en te overwegen."

De aangesprokene stond van zijn veldstoel op, en na enige ogenblikken

zwijgend, als in diep gepeins verzonken gestaan te hebben, begon hij

zijn verslag en zei: »Mannen, broeders, ik zal trachten u een getrouw

verslag te geven van wat in de laatste weken aan de overzijde der bergen

is voorgevallen. Ik zal andermaal in de geest de schriktonelen moeten

doorleven, die ik daar heb aanschouwd; en als ik wellicht op het een of

ander punt mocht afdwalen, of niet duidelik genoeg mocht zijn, zullen

mijn medeboden mij terecht helpen of mijn verslag aanvullen, waar zulks

nodig is. Het is u bekend hoe ons aller leider, Piet Retief, volgens

afspraak met Dingaan, tegen het einde van het vorige jaar, aan deze

zijde van het gebergte, Sikonyella, door hem gevangen te nemen en een

losprijs te vorderen, dwong, aan hem een groot getal vee af te leveren,

beweerd door Sikonyella van het Zuluvolk te zijn gestolen. Gij allen

zult het u te binnen kunnen brengen, hoe ik, ook gij, Kommandant Uijs!

en anderen hadden gemeend, dat wij ons in de onderlinge twisten der

zwarte naties niet behoorden te mengen; doch het geschiedde, en het

is voorbij. Toen Retief het afgenomen vee over de bergen en bij ons

hoofdlager in Natal in veiligheid had gebracht, werden de leden van de

Krijgsraad met de oudsten van jaren bijeengeroepen om te beraadslagen,

op welke wijze wij het vee aan Dingaan zouden terugbezorgen, en welke

beloning wij van hem voor de bewezen dienst zouden vorderen. Arme

Retief! Moedig, onverschrokken als altoos, geen verraad voorziende

of vrezende, gaf hij het als zijn plan te kennen, dat hij met een

patroelje van uitgelezen mannen, zelf de beesten naar de hoofdstad van

de Zulu-koning zou brengen, en als beloning zou eisen de vervulling

van Dingaan's belofte, om ons de gehele landstreek, bekend als Natal,

af te staan. Velen onzer aanvoerders wezen er op, dat Dingaan niet

blindelings te vertrouwen was, en dat wij vooral moesten vermijden, om

door een vertoning van macht zijn ijverzucht of barbaarse vrees op te

wekken.--Karel Landman drong er sterk op aan, dat aan de Zulu-koning

bericht zou worden gezonden, dat wij het vee aan Sikonyella ontnomen, en

in ons bezit hadden; dat wij als beloning het land van Natal vroegen,

en dat hij onder deze voorwaarde zenden kon om het vee te halen. Doch

Retief bleef vast op zijn stuk staan. Gert Maritz bood toen aan, om

met enige vrijwilligers het vee weg te brengen, en zei dat hij wist,

dat zij misschien nimmer zouden terugkeren, maar dat het beter was

het leven van enige mannen te wagen, dan de gehele trek in gevaar te

brengen. Piet Retief was echter onverzettelik. De meerderheid van de

vergadering boog voor zijn wil, en zijn voorstel werd aangenomen. Weinig

dacht hij, dat daarmede zijn doodvonnis en dat van honderden der onzen

werd geveld. Niemand echter werd verplicht aan de gevaarlike tocht deel

te nemen. Retief vroeg vrijwilligers, en de bloem van onze krijgslieden

en jongelingschap bood zich gretig aan om hem te vergezellen. De

toebereidselen voor de tocht werden zonder verzuim gemaakt, en op de

morgen van de eerste van deze maand vertrok Retief naar Umkungunhlovo,

aan het hoofd van vier en zestig uitgelezen, welgewapende mannen, door

dertig kleurling-achterruiters vergezeld. Zij waren met vrolike moed

bezield, en op onze vermaningen om toch uiterst voorzichtig te zijn, en

het barbaarse opperhoofd, al scheen hij nog zo vriendelik gezind, niet

te vertrouwen, maar steeds voor hem op hun hoede te zijn, antwoordden

zij, dat zij binnen weinige dagen met de grondbrief van Natal weer bij

ons zouden zijn. Helaas, aan deze zijde van het graf zullen wij geen

hunner terugzien. In slaap gewiegd door het vertrouwen, dat Retief en

velen der aanzienlikste en verstandigste mannen toonden, rekenende op

de vrede, door de tocht van Retief bestendigd en op hechte grondslag

gelegd, gingen de voorzichtigheid en waakzaamheid der onzen te loor. In

plaats van bij elkander te blijven, zoals zelfs door Retief uitdrukkelik

was aangeraden, of ten minste zich in weerbare afdelingen, sterk genoeg

voor verdediging, te splitsen, was de trek uiteengegaan, en verspreid

in kleine troepjes, sommige waarvan slechts uit 'n paar huisgezinnen

bestonden, langs de vruchtbare oevers van de Blauwkrans- en

Boesmans-rivieren. Wel deed zich hier en daar een stem van waarschuwing

tegen deze onvoorzichtigheid horen, maar daarop werd geen acht geslagen;

men bestempelde die waarschuwers als ongeluksprofeten, bevangen door

kinderachtige vrees. De bloedige ontnuchtering zou echter niet lang

uitblijven. Zij, die niet zo geheel gerust omtrent de toestand waren,

vormden zich in twee afdelingen, en bleven in lager langs de

Blauwkrans-rivier, omtrent één uur te paard van elkander verwijderd.

Ik voegde me bij de noordelike afdeling onder Gert Maritz, en merkte

op dat weer ten Noorden van ons, enige kleinere afdelingen ook in lager

getrokken waren. Zo bleven wij, niet zonder ongeduld, op de terugkomst

van Retief, die ons verzekerd had dat zijn tocht niet van lange duur zou

zijn, wachten. In de nacht tussen de 16de en 17de dezer, kort na het

tweede haangekraai, lag ik half wakker in mijn wagen, toen ik op eens

door het knallen van een geweerschot geheel werd gewekt. Daar valt het

vreugdeschot, dat de terugkomst van Retief en zijn mannen aankondigt!

riep ik met vreugde uit, en ik schudde mijn naast me slapende vrouw

wakker. Maar hoe spoedig werd mijn blijdschap veranderd in ontzetting

en schrik, toen ik enkele geweerschoten, sommige in de verte, hoorde

vallen, opgevolgd door een oorverdovend krijgsgeschreeuw, vergezeld

van een gedreun, gelijk aan het wegrollend geluid van de donder. Die

geluiden waren niet te miskennen. Het was de oorlogskreet van een

Zulu-impi, die ik had vernomen; het gedreun ontstond door hun slaan op

hun schilden.

Piet Uijs, of lijden en strijd der voortrekkers in Natal · 第 1 / 13 段