Toen den Engelschen de donder van het Transvaalsche geschut in de
ooren klonk, gaven zij 't op. De schrik sloeg hen om het hart, en in
den doodelijken angst, die hen vervulde, grepen zij--de vuile, witte
voorschoot van eene oude Kaffermeid, en bonden de voorschoot als een
bewijs van overgave aan de spits van een bajonet.
Doch die voorschoot was nog niet voldoende; zij namen handdoeken, lakens
en wat zij maar grijpen of vangen konden, om aan dien moorddadigen
kogelregen toch maar een snel einde te maken.
Toen kommandant-generaal Joubert eenige dagen later de woning
binnentrad, waar die oude Kaffermeid woonde, kwam zij met de volgende
klacht: »Mijnheer, de Engelschen hebben mijn voorschoten en handdoeken
en lakens gevat, zonder mij daarvoor iets te betalen, en op wien moet ik
het nu verhalen?"
De generaal lachte smakelijk en gaf haar een halve kroon.
Het ambtelijk rapport van kommandant Cronjé over het laatste bedrijf van
het Jameson-treurspel luidt als volgt:
»Toen ik met den uitersten spoed door den drift bij den eigenlijken
Doornkop was doorgesneld, en het klipkopje voornoemd bereikte, zag ik de
witte vlaggen reeds omhoog gestoken. Ik zond toen dadelijk een ordonnans
om te vragen, wat Jameson's plannen waren, en gaf den burgers orders,
om niet meer te schieten. Het antwoord was, dat hij onmiddelijk zou
terugkeeren, indien wij zijn leven en dat zijner manschappen spaarden.
Mijn antwoord daarop was, dat het nu te laat was, om terug te keeren,
doch dat zij onmiddelijk vlag en wapens moesten afgeven, en dat ik hen
daar zou brengen, waar ik meende, dat zij behoorden te zijn. Verder
zeide ik, dat ik op voorwaarde, dat zij alle schade, der Regeering
aangedaan, betaalden, hun leven zou sparen, zoolang zij onder mijn bevel
stonden, en dat er binnen dertig minuten op deze eischen bescheid moest
worden gegeven. Deed Jameson dit niet, dan moest hij zich gereed maken,
om opnieuw te vechten.
Ik liet toen al de posities in de nabijheid door de burgers innemen,
en gaf kennis, dat ik op zekere hoogte zou staan, om, indien de vijand
hardnekkig bleef weigeren, aan mijn eischen te voldoen, de roode vlag te
hijschen als sein, om opnieuw den vijand aan te vallen, en hem tot den
laatsten man neer te schieten.
Drie en twintig minuten later kwam het antwoord: »Wij geven ons geheel
en al met alles in uwe handen over op voorwaarde, dat gij voor ons leven
instaat."
Ik sprong toen te paard met ongeveer 500 burgers en vertrok naar den
vijand. Bij het oude woonhuis gekomen, vroeg ik naar den bevelhebber,
waarop vier officieren verschenen. Ik was verbaasd te zien, hoe ellendig
en vuil zij er uit zagen. Een der officieren lag te sterven. Om hem heen
stonden verscheidene manschappen, die hem beweenden, inzonderheid scheen
Majoor Willoughby zeer verslagen en weende bitterlijk.
Jameson zelf beefde als een riet, maar weende niet, schoon hij niet bij
machte was, een woord uit te brengen.
Ik zeide tot hem: »Ik zal mijne burgers aan de ééne zijde van den weg
vóór hunne paarden stellen met geladen geweren, en ik verwacht, dat gij
uwe mannen zult gelasten, aan de andere zijde van het pad de wapens neer
te leggen, zoodanig dat de kolf of romp van het geweer aan onzen kant
moet liggen.""
En zoo geschiedde het.
En terwijl Jameson met zijn hoofdofficieren naar Pretoria werden
vervoerd, en de overige manschappen elders werden gevangen gezet, namen
de dappere Boeren onder luid gejuich bezit van de Engelsche kanonnen en
maxims.
* * * * *
Twee dagen na Jameson's overgave, Zaterdag 4 Januari, kwam Sir Hercules
Robinson, de gouverneur der Engelsche Kaapkolonie[22], te Pretoria, en
Maandag 6 Januari had het eerste onderhoud plaats met de Transvaalsche
Regeering.
[22] »Transvaalsche Herinneringen" door Dr. E. J. P. Jorissen.
Een jaar te voren had Sir Hercules de Transvaalsche spoorwegfeesten
meegevierd. Toen was zijn houding fier, bijna hooghartig, en in spijt
van zijn zeventig jaren bewoog hij zich tusschen de feestgenooten recht
als een kaars, met veerkrachtigen tred.
Thans trad hij gebogen, leunend op een stok, de raadzaal binnen onder
den indruk der pijnlijke taak, die hem wachtte.
Hij kwam ongeroepen, en zijn aanbod, om te komen, was twee dagen
lang onbeantwoord ter zijde gelegd. En in het bescheid, dat hem toen
gewerd, was als reden de veelzeggende zinsnede ingelascht: »om verder
bloedvergieten te voorkomen." Immers al zat Jameson met zijn gezellen
achter de ijzeren grendels, het revolutionaire Johannesburg moest nog
gemuilband worden.
Doch eere wien eere toekomt! Sir Hercules heeft getoond, een eerlijk,
rechtschapen man te zijn, vrij van alle Jingoïsme, en dat hij Jameson's
inval hoogelijk afkeurde, was oprecht gemeend.
Dit neemt niet weg, dat hij een moeielijke positie had, en toen hij in
de loop van het eerste onderhoud over hervormingen begon te spreken, was
hij op een punt gekomen, waar Paul Kruger niet willens was hem te
volgen.
»Er kan over niets anders worden gesproken dan over maatregelen, om
verder bloedvergieten te voorkomen," zei de President, terwijl hij den
stevigen kop schudde; »Johannesburg moet de wapens nederleggen--"
»Ja, doch op welke voorwaarden?" vraagde Sir Hercules.
»Zonder voorwaarden--onvoorwaardelijk!" was het besliste antwoord.
»Dan vrees ik, dat de Johannesburgers de wapens niet zullen
nederleggen," meende Sir Hercules aarzelend.
»Dan ga ik ze halen," zeide de President, en met een ijzige kalmte liet
hij er op volgen: »Ik geef aan Johannesburg vier en twintig uren tijd,
om aan mijn eisch te voldoen."
Paul Kruger bezat de macht, om aan dien eisch klem bij te zetten, want
twaalfduizend Boeren, die zich in de nabijheid van Johannesburg hadden
gelegerd, verlangden naar het oogenblik, om met de Johannesburgers af te
rekenen.
Doch zoover kwam het niet.
Johannesburg boog het trotsche hoofd, leverde de wapens uit, 10 Januari
vaardigde Paul Kruger de volgende Proklamatie uit, een meesterstuk van
staatsmanswijsheid:
»Aan alle Ingezetenen van Johannesburg!
Ik Stephanus Johannes Paul Kruger, Staatspresident der Zuid-Afrikaansche
Republiek, met advies en consent van den Uitvoerenden Raad, blijkens
artikel 6 zijner notulen dato 10 Januari 1896, maak aan alle ingezetenen
van Johannesburg en omstreken bekend, dat ik met onuitsprekelijken dank
aan God vervuld ben, dat door de kloekmoedigheid en dapperheid mijner
burgers de verachtelijke en verradelijke inval in mijn land is
teruggeslagen, en de onafhankelijkheid der Republiek is gered.
De personen, die schuldig aan dit misdrijf zijn, moeten natuurlijk
volgens de wet worden gestraft, dat wil zeggen, terechtstaan voor het
Hoog Gerechtshof en eene Jurie. Maar er zijn duizenden, die misleid en
bedrogen zijn geworden, en het is mij duidelijk gebleken, dat zelfs
onder de zoogenaamde leiders der beweging velen zijn, die men heeft
bedrogen.
Een klein aantal listige mannen binnen en buiten het land hebben de arme
ingezetenen van Johannesburg en omgeving kunstmatig opgestookt; onder
den schijn van voor politieke rechten te strijden dag aan dag als het
ware opgehitst; en toen zij in hun waanzin meenden, dat het oogenblik
gekomen was, hebben zij een Dr. Jameson de grenzen der Republiek doen
overtrekken.
Hebben zij zich zelven ooit afgevraagd, waaraan zij u blootstelden?
Ik huiver als ik er aan denk, wat bloedbad er zou zijn aangericht,
indien niet een genadige Voorzienigheid u en mijne burgers had gered.
Ik spreek niet van de geldelijk aangerichte schade.
Nu wend ik mij met vol vertrouwen op u, sterkt nu de handen der
Regeering, en werkt met haar samen, om deze Republiek te maken tot een
land, waar alle nationaliteiten als het ware broederlijk samenwonen.
Maanden en maanden lang heb ik beraamd, welke veranderingen en
verbeteringen in het Staatsbestuur, wenschelijk zouden kunnen worden
geacht, maar de gruwelijke opstokerij, vooral van de pers, hebben mij
terug gehouden. Dezelfde mannen, die nu in het openbaar zijn opgetreden
als leiders, hebben van mij verbeteringen geëischt op een toon en op een
wijs, die zij in hun eigen vaderland uit vrees voor de strafwet niet
zouden gewaagd hebben aan te slaan of te volgen. Daardoor werd het mij
en mijne burgers, de stichters dezer Republiek, onmogelijk gemaakt,
hunne ruwe voorstellen in overweging te nemen.
Het is mijn plan, om in de eerste gewone zitting van den Volksraad een
voorstel van wet te doen, waarbij een stadsraad met een burgemeester aan
het hoofd van Johannesburg wordt benoemd, waaraan het geheele
(gemeentelijke) beheer der stad zal worden toevertrouwd.
Naar alle constitutioneele beginselen zou zulk een stadsraad door
rechtstreeksche keuze der ingezetenen moeten worden benoemd.
Ik vraag u echter met ernst, legt de hand op het hart en beantwoordt mij
deze vraag: Kan en mag ik, na het gebeurde, dit aan de
volksvertegenwoordiging voorstellen?
Wat ik zelf op die vraag antwoord, is dit: Ik weet, dat er duizenden
in Johannesburg en omgeving zijn, aan wie ik met vertrouwen die
rechtstreeksche keuze kan toevertrouwen.
Ingezetenen van Johannesburg! Maakt het nu aan de Regeering mogelijk, om
voor den Volksraad op te treden met de leuze: Vergeven en vergeten!