HOOFDSTUK XXXVIII.

Baas Jansen had te vergeefs gereikhalst naar het oogenblik, waarop het

hem vergund zou zijn, naar zijn kind om te zien. Als een gewonde buffel,

die in wilde sprongen zich rechts en links, naar voren en naar achteren

wendt, om aan de doodelijke omsingeling te ontkomen, had Jameson tot

laat in den avond gestreden en geworsteld, om door den gordel van staal

en vuur heen te breken. En dat het hem nochthans niet was gelukt, was te

wijten aan de twee á driehonderd Boeren, die met onmiskenbaar talent,

schitterende dapperheid en bewonderingswaardige vlugheid de reuzentaak

volvoerden, hen door hun bevelhebber, kommandant, Cronjé, gesteld.

Doch nu de duisternis is gevallen, begint de aanval te verflauwen, en

eindelijk--eindelijk mag Reinard Jansen aan de stem der vaderliefde

gehoor geven.

Hij zoekt zijn bruinen klepper op, weert zijn zonen, die hem willen

vergezellen, doch moeielijk gemist kunnen worden bij een mogelijk

nieuwen Engelschen aanval, en rijdt in een wijden boog, overal naar zijn

zoon vragende doch nergens inlichtingen verkrijgende, over het vlakke

veld naar de plek, waar hij Frits heeft gezien.

Een Europeaan zou hoogst waarschijnlijk in den nacht in de richting zich

hebben vergist, doch de ingeboren speurzin en de groote terreinkennis

van den Afrikaanschen Boer doen Reinard Jansen met schier wiskundige

nauwkeurigheid uitkomen, bij den klipwal, vanwaar zijn zoon zijn stouten

tocht had ondernomen.

Nu stijgt hij van het paard, beklimt de hoogte en bij het licht der

opkomende maan kan hij bijna met zekerheid bepalen, welken weg zijn zoon

heeft genomen, alvorens hij den grijzen klipstapel, die er in de verte

uitziet als een omgestort altaar, bereikte.

Doch van het Maximkanon is geen spoor meer te ontdekken, waarschijnlijk

hebben het de Engelschen bij hun terugtocht meegenomen.

Jansen slaat de teugels van zijn paard om den arm, loopt om de hooge

omwalling heen en wendt zich thans met een hart, sterker geslingerd dan

het schip in de kokende branding, naar den grijzen klipstapel.

Op den klipstapel zit een donker voorwerp, dat bij de nadering van den

Boer zich verwijdert.

Het slaat de zwarte vleugels uit, en luid krassend vliegt het weg.

Reinard Jansen rilt er van, doch thans heeft hij het doel van zijn tocht

bereikt, en hij bukt zich.

Uiterlijk kalm en bedaard onderzoekt hij nauwkeurig den grond.

Eenige patroonhulzen liggen verspreid tusschen het lange vertrapte gras.

Anders is er niets bijzonders te zien--absoluut niets.

Ja toch--vlak bij de klip schemert een donkerroode plek.

Dat is bloed; het bloed van Frits Jansen.

Hij is er zoo vast van overtuigd als van het bestaan der schitterende

sterren daarboven hem.

Uit de verte worden thans regelmatige voetstappen gehoord en een

Boerenpatrouille nadert, met het geweer in den arm, den ongelukkigen

man.

»Werda?" wordt geroepen.

Jansen maakte zich bekend.

De patrouille is nu vlak bij hem.

»Zoo, zijt gij Jansen?" zegt de grootste; »Reinard Jansen? Zoo even is

hier een Engelsche militaire verpleger geweest, die ons naar u vraagde."

»Wat wilde hij?"

»U bij een gewonde brengen, die u dringend wenschte te spreken. Hij moet

ginds te vinden zijn, een paar minuten rechtuit van hier, en dan links,

in een eenzame Kafferhut."

»Noemde de verpleger de gewonde?" vraagt Jansen vol spanning.

De wacht schudt het hoofd.

»Was hij zwaar gewond?"

»De verpleger meende, dat hij den morgen wel niet halen zou."

Het hart van den ongelukkigen vader krimpt ineen.

»Vermoedt ge, wie de gekwetste is?" vragen de wachten medelijdend.

»Wie anders kan het zijn dan mijn zoon!" komt het klagend over de

lippen van Reinard Jansen. »Hier achter dezen klipsteen, heeft hij de

doodelijke wond ontvangen!"

Doch hij is geen man, om zich willoos over te geven aan de smart.

Trouwens _nooit_ is de verzoening begeerlijker dan vlak voor de poorten

des doods.

Hij schrijdt snel voort, de richting in, die de wachten hem hebben

gewezen, en de bruine klepper stapt achter hem aan, en laat den kop

moede en lusteloos hangen.

In de verte ontdekt hij spoedig een klein licht, en hij vindt de

Kafferhut, die er van buiten uitziet als een bijenkorf.

Hij bindt het paard vast aan een half verdorde populier, en schuift het

vuile, gele katoen, dat bij wijze van deur den ingang verspert, op zij.

Reeds hoort hij het gekerm van den gewonde, doet twee passen voorwaarts,

maar indien de aarde op dit oogenblik onder zijn voeten was weggezonken,

had hij niet heviger kunnen ontstellen dan thans. Want daar voor hem op

den vloer, op een hoop vuil stroo, ligt, met de borst wijd

ontbloot--Jack Williams!

Op zich zelf is er eigentlijk geen reden tot verbazing, dat Jack

Williams gewond is. Immers het is nu duidelijk, dat hij zich heeft

aangesloten bij de expeditie van Jameson, en de Boerenkogel, die op

dezen dag zooveel Engelschen heeft neergelegd, kon _hem_ even goed

treffen als een ander. Daarover verwondert Jansen zich dan ook niet,

maar hij heeft hier _zijn_ zoon meenen te vinden, en hij vindt er een

_ander_, den man, van wien hij een afkeer heeft, omdat hij hem, en niet

ten onrechte, heeft beschouwd als den verleider van zijn zoon.

De vetkaars verspreidt een zwak en sober licht. Toch kan Reinard Jansen

bij den eersten oogopslag zien, dat de uren van dezen gewonde zijn

geteld.

»Jack Williams," zegt hij, zijn afkeer overwinnende, met ernstige stem,

»ge hebt naar mij gevraagd--hier ben ik."

De gewonde slaat de van felle koortshitte gloeiende oogen tot den

spreker op, en wenkt den verpleger.

»Gaat beiden hier dicht bij mij staan," zegt hij, »want ik kan niet

sterven, voordat ik mijn schuld heb beleden."

En nu begint hij met hijgenden adem, met afgebroken klanken en in waren

doodsangst een verhaal te doen, waarbij Reinard Jansen de haren te berge

rijzen.

Hij legt een volkomen bekentenis af, en de stervende schijnt er een

wreede voldoening in te vinden, om de waarlijk demonische trekken van

zijn karakter in het helderste daglicht te plaatsen.

»Het pak kleeren van Frits," gaat hij voort, »dat ik aantrok, om de

verdenking op uw zoon te brengen, kunt ge vinden in de boomgaard van

mijn ouders, waar ik ze nog dienzelfden nacht, na ze gebruikt te hebben,

heb begraven: juist in het midden tusschen de twee grootste vijgeboomen

in, diep in den grond."

En terwijl hij op den verpleger wijst, laat hij er op volgen:

»Ik heb u dit gezegd met dezen man tot getuige, opdat uw zoon van elken

schijn zal worden ontlast," en hij staart met zijn gloeiende oogen

Reinard Jansen aan als de doodschuldige zijn rechter.

Doch op het gelaat van den Boer vertoont zich de diepste afschuw, en

strak en koud rusten zijn oogen op den stervende.

»Vergeef het me!" smeekt Jack Williams.

Reinard Jansen zegt geen woord.

»Ik kan niet sterven en ik _moet_!" gilt de rampzalige op

hartverscheurenden toon.

»En ge zult voor God moeten verschijnen, en rekenschap afleggen van uw

werken der duisternis!" roept Jansen hard en onverbiddelijk. »Mijn kind,

mijn eigen, geliefd kind heb ik voor den brandstichter gehouden--en gij

zijt er oorzaak van!"

Maar als hij de tanden van den ongelukkige op elkander hoort klapperen,

komt een gevoel van deernis op bij Reinard Jansen, en in zijn grijze

oogen komt een zachter tint.

Zijn aandacht echter wordt afgeleid door snelle voetstappen buiten, en

zich omkeerend, ziet hij den kroeskop van zijn Zoeloe in den ingang der

hut.

»Baas, kom gauw, kom gauw!" roept Eliëzer op gejaagden toon; »ik zal u

brengen bij den jongen baas, bij uw zoon, die zwaar gewond is!"

De Zoeloe is zoo opgewonden, dat hij niet eens Jack Williams herkent,

maar baas Jansen schijnt als door een electrischen schok getroffen.

»Leeft hij nog, Eliëzer?"

»Hij leeft!" zegt de Kaffer.

»Meester Jansen, vergeef het mij!" gilt de stervende.

»Als ik het aangezicht van mijn kind in vrede mag aanschouwen aan

deze zijde van het graf--dan Jack Williams!" zegt Reinard Jansen op

langzamen, ernstigen toon, »_dan_ zal het u vergeven zijn!"

»En anders?" gilt de stervende--»en anders?"

Doch Reinard Jansen hoort die woorden niet meer; in één sprong is hij

buiten, en hij springt in het zaâl.

»Grijpt je vast aan de manen," beveelt de Boer, »en wijs mij den weg!"

En terwijl Eliëzer dit doet, gaat het voorwaarts, de snelvoetige Zoeloe

naast het paard, door slooten en struiken, dwars over het veld, recht

aan op het kleine, schemerende licht, waar Frits Jansen bewusteloos ligt

neergestrekt op de sprei van stroo....

* * * * *

»Hier is het!" zegt Eliëzer, hijgend van den snellen loop.

Vol ontroering treedt Reinard Jansen binnen.

Dáár brandt de eenvoudige olielamp--dáár is de bedstee--en dáár, aan

het hoofdeinde, met Sultan aan zijn voeten, zit op een schamelen stoel

het kleine meesterke, en op dat bleek en fijn gesneden gelaat ligt de

majesteit der dienende liefde.

Zonder een woord te zeggen, drukt baas Jansen de hand van het

meesterke, en hij houdt ze lang en innig omklemd.

Dan gaat hij vlak bij de bedstede staan, en terwijl het meesterke licht,

staart hij zwijgend in het edel, doodsbleek gelaat van zijn bewusteloos

kind. En als een bange droom gaat het verleden aan zijn geestesoog

voorbij....

Op zijn teenen komt Eliëzer binnen en staat achter zijn baas. Doch

Reinard Jansen begint te beven over zijn gansche lichaam--hij wil zich

vastgrijpen aan de stijlen, maar hij tast mis--en de sterke man zou

tegen den grond zijn geslagen, had Eliëzer hem niet opgevangen.

Hij heeft zich echter spoedig hersteld, neemt een stoel en zet zich

tegenover het meesterke: aan het voeteneinde der bedstede.

En hij zegt met een stem, schor van aandoening, uitputting en dorst:

»Welk een dag!"

Nu verwijdert zich Eliëzer, haalt een glas water en reikt het aan zijn

baas.

Maar Reinard Jansen weert het glas af.

»Zoo waarachtig als ik leef," zegt hij, »ik zal er niet van drinken,

voordat mijn jongen er van heeft gedronken!"

En zoo zitten dan Reinard Jansen en het meesterke bij den gewonde,

en niets wordt gehoord dan het eentoonig geluid der krekels onder den

schoorsteen, en met steeds langere tusschenpoozen het geweervuur in de

verte.

Reinard Jansen zit voorover gebogen, het van den kruitdamp zwart

geblaakte gelaat tusschen de groote, bruine handen, de oogen

onafgebroken op zijn kind gevestigd, en nu en dan de drooge lippen

van den bewustelooze bevochtigend met eenige druppels wijn uit den

veldflesch van het meesterke.

Maar het meesterke heeft de handen gevouwen, en staart door de kleine

ruiten naar buiten, naar het nachtelijk landschap en is vol hope.

* * * * *

Ik zal er me niet aan wagen, om het tooneel te schetsen, dat in den

schemerenden morgen van den tweeden dag van het nieuwe jaar in den

verlaten woning plaats greep, toen Frits Jansen, opblikkend uit zijn

onmacht, in de oogen staarde van zijn vader.

Het meesterke verliet stil het vertrek, want in dit plechtig en heilig

oogenblik voelde hij er zich te veel.

Hij ging naar buiten, en dronk met volle teugen de frissche

morgenkoelte.

En Reinard Jansen en zijn zoon waren alleen.

Neen, alleen wel niet.

Licht hebben eenige engelen het roerende tooneel aanschouwd. Zij

verblijden zich immers, als een zondaar zich bekeert, en zouden zij

dan onverschillig zijn, als een vader zich verzoent met zijn kind, en

de verbroken doch door God gewilde band vast en innig opnieuw wordt

geknoopt?

* * * * *

Doch dit is heden morgen geschiedt, en thans is het namiddag.

Frits Jansen zit, het hoofd in doeken, zoo wel als het in de gegeven

omstandigheden maar wezen kan, in een wonderlijk gevaarte, door Eliëzer

met vaardige hand in elkander gehamerd, en met den wijdschen naam van

»ziekestoel" betiteld.

En Reinard Jansen zit naast hem, de handen van zijn jongen in de zijne.

En het meesterke heeft zijn zakbijbeltje genomen en leest een kapittel

voor uit het evangelie van Johannes, doch Eliëzer is een soort ordonnans

geworden, en brengt tijdingen aan van den stand van het gevecht.

Want nog altijd knettert het geweervuur en ratelt het Maxim en dondert

het Engelsche kanon. En zeer zeker zou Reinard Jansen hier niet zitten,

had zijn Kommandant hem niet de stellige verzekering laten brengen, dat

hij thans van wege de beduidende versterkingen, die de Boeren in den

loop van dezen dag hadden ontvangen, kon worden gemist.

Doch plotseling mengt zich van een geheel andere zijde nieuw geschutvuur

in de wilde oorlogsmuziek.

Reinard Jansen spitst de ooren.

»Dat zijn _onze_ kanonnen, Frits!" roept hij met stralenden blik.

Daar volgt een tweede uitbarsting, zwaarder nog dan zoo even--driftig en

dreigend!

»Onze kanonnen spreken een duidelijke taal," zegt Frits, terwijl een

lichte blos zijn bleeke wangen kleurt.

»Ze zeggen: Geef je over of ik vermorzel je!" roept Reinard Jansen,

terwijl de oude strijdlust uit zijn grijze oogen schittert.

En nu verstomt plotseling de wilde oorlogsmuziek, en het gewoel van den

slag bedaart.

»Gauw, Eliëzer, gauw!" beveelt Reinard Jansen; »neem den bruine, en

breng ons spoedig goede tijding! Ze zoeken misschien hun heil in de

vlucht--onze Boeren moeten hen keeren--o Frits, ik had er bij moeten

zijn!"

»Ze moeten het dezen keer dan maar zonder u klaren," schertst het

meesterke.

Het duurt lang, heel lang, voordat Eliëzer terugkomt.

Reinard Jansen begint al te trappen van ongeduld.

Doch eindelijk ziet hij door de kleine ruiten den bruinen klepper

aankomen. Eliëzer echter is niet alleen--een groep Boeren vergezelt

hem--zij rennen zoo hard, alsof zij van plan zijn, om de oude woning

onder den voet te rijden.

De oude Kloppers is de eerste die de woning binnentreedt. Achter hem aan

komen Reinard Jansen's zonen en zijn eigen zoon Jan.

Jan's gelaat staat dubbel blijde, want hij heeft daar straks van een

renbode, door de bezorgde Geertrui afgezonden, de goede tijding

ontvangen, dat het gevaar bij zijn ziek kind geweken is.

Reinard Jansen echter is opgestaan; ook het meesterke.

Slechts Frits blijft door zijn zwakte, gevolg van het bloedverlies, aan

den ziekenstoel gekluisterd.

»Wat brengt ge?" vraagt Reinard Jansen, doch hij behoeft het niet te

vragen.

In de schitterende oogen der binnenkomenden ligt alreeds het antwoord.

»God de Heere gaf ons een volledige zegepraal," zegt de grijze Kloppers.

»En niemand is ontkomen--_niemand_!" roepen de anderen.

Daar ontbloot Reinard Jansen het hoofd, wuift met den hoed en roept met

machtige stem: »Zoo moge het al de vijanden van ons volk

vergaan!--Hoera!--Leve onze Republiek!"

En al de aanwezigen stemmen in met dien kreet; zelfs Reinard Jansen's

heldenzoon kan het niet uithouden in zijn ruststoel, en de oude ruiten

rammelen in hun sponningen: »Hoera!--Leve de Zuid-Afrikaansche

Republiek!"

De ruiters van Zuid-Afrika een verhaal uit de dagen van Jameson en Krugersdorp 1895-96 · 第 48 / 53 题